Vreemdelingenrecht
RTB derdelanders Oekraïne, verwijzing naar MK-uitspraak van 30 oktober 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:16291)…
Rechtbank Den Haag, 1 december 2023
ECLI:NL:RBDHA:2023:18600 · Rechtbank Den Haag · 1 december 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2023-18600
Zaakgegevens
Op 1 december 2023 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Groningen
- Datum uitspraak
- 1 december 2023
- Datum publicatie
- 1 december 2023
- Zaaknummer
- NL23.25735
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2023:18600
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
RTB derdelanders Oekraïne, verwijzing naar MK-uitspraak van 30 oktober 2023
(ECLI:NL:RBDHA:2023:16291), verweerder is bevoegd de tijdelijke bescherming voor de groep die is aangeduid als de facultatieve groep, waaronder eiser valt, (tussentijds) te beëindigen. Beroep ongegrond.
Afwijzing verzoek om schadevergoeding omdat geen sprake is van een onrechtmatig besluit.
Procesgang
Rechtbank Den Haag · 1 december 2023deze uitspraak
ECLI:NL:RBDHA:2023:18600
Raad van State · 14 februari 2024
ECLI:NL:RVS:2024:606(Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaanVernietigingDe hogere rechter zet de eerdere uitspraak (deels) opzij en beslist zelf, of laat een andere rechter de zaak opnieuw doen.Meer uitleg
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.25735
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , van Nigeriaanse nationaliteit, eiser
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. R. Balkenende),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. B.W. Zagers).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van verweerder van 23 augustus 2023 waarbij verweerder aan eiser heeft medegedeeld dat zijn recht op tijdelijke bescherming, als bedoeld in Richtlijn 2001/55/EG (de Richtlijn) en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 (het Uitvoeringsbesluit) , eindigt op 4 september 2023.
Op 3 juli 2023 heeft verweerder zijn voornemen kenbaar gemaakt om de tijdelijke bescherming van eiser op 4 september 2023 te beëindigen. Eiser heeft zijn zienswijze ingebracht, waarna het bestreden besluit is genomen, waartegen het beroep zich richt.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 13 november 2023 op zitting behandeld samen met het verzoek om voorlopige voorziening (NL23.26096). Aan de zitting heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben voorafgaand aan de zitting laten weten niet aanwezig te zullen zijn.
Beoordeling door de rechtbank
Beëindiging tijdelijke bescherming
2. De rechtbank beoordeelt de beëindiging van de tijdelijke bescherming aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank overweegt dat bij uitspraak van 30 oktober 2023 de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats heeft geoordeeld dat verweerder bevoegd is de tijdelijke bescherming voor de groep die is aangeduid als de facultatieve groep, waaronder eiser valt, (tussentijds) te beëindigen (hierna: de MK-uitspraak).
4. De rechtbank stelt vast dat de beroepsgronden van eiser eveneens betrekking hebben op de bevoegdheid van verweerder. In hetgeen eiser naar voren heeft gebracht, ziet de rechtbank geen aanleiding om anders te oordelen dan in de MK-uitspraak. De rechtbank maakt de dragende overwegingen in die uitspraak tot de hare. De situatie in eisers land van herkomst zal door verweerder worden beoordeeld in het kader van de aanvraagprocedure voor een verblijfsvergunning asiel. De beroepsgrond slaagt niet.
Schadevergoeding
5. Eiser heeft verzocht om schadevergoeding, omdat zijn werkgever hem heeft meegedeeld dat hij door het bestreden besluit niet langer kan werken. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen slaagt het beroep niet. Er is daarom geen sprake van een onrechtmatig besluit en geen grondslag voor vergoeding van de schade als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Het verzoek moet alleen daarom al worden afgewezen.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
-
verklaart het beroep ongegrond;
-
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Ruiter, griffier. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak bekend is gemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.