Vreemdelingenrecht

Dublin, buiten zitting, ongegrond, Spanje, MOB

Rechtbank Den Haag, 1 maart 2024

Zaakgegevens

Op 1 maart 2024 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
1 maart 2024
Datum publicatie
5 maart 2024
Zaaknummer
NL24.409 en NL24.410
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2024:2828
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Dublin, buiten zitting, ongegrond, Spanje, MOB

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: NL24.409 en NL24.410


uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen


[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. N. Birrou),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 4 januari 2024 niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is voor de aanvraag.

Beoordeling door de rechtbank

Geen zitting

2. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.

3. De rechtbank beoordeelt of het beroep ontvankelijk is.

Heeft eiser nog procesbelang?

4. Verweerder heeft in het bericht van 2 februari 2024 aan de rechtbank laten weten eiser met onbekende bestemming is vertrokken uit Nederland. De gemachtigde van eiser heeft op 7 februari 2024 laten weten momenteel geen contact meer te hebben met eiser.

4.1

Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat als de vreemdeling zelfstandig is vertrokken zonder contact te onderhouden met zijn gemachtigde, hij geen prijs meer stelt op de door hem gezochte bescherming in Nederland. De vreemdeling heeft in dat geval geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Dit is alleen anders als een vreemdeling laat weten dat hij nog contact met zijn gemachtigde heeft en dus nog steeds prijs stelt op de door hem verzochte bescherming. Dit impliceert dat de gemachtigde weet dat een vreemdeling nog in Nederland verblijft en waar hij verblijft en dat de gemachtigde nog contact heeft met de vreemdeling over de voortgang van de procedure en de keuzes die daarin moeten worden gemaakt.

4.2

Gelet op deze rechtspraak en het bericht van de gemachtigde van eiser van

7 februari 2024 neemt de rechtbank aan dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op de door zijn aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Eiser heeft daarom geen procesbelang meer bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.

6. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.

7. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk,

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige

voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van J. Dommerholt, griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de

rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U

moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is

verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw

verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak

op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht maakt dit mogelijk. Zie bijvoorbeeld ABRvS 22 februari 2019, ECLI:NL:RVS:579. Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.