Vreemdelingenrecht
Rechtbank Den Haag · Eerste aanleg - enkelvoudig · Vreemdelingenrecht
Rechtbank Den Haag, 11 juni 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:15772 · Rechtbank Den Haag · 11 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-15772
Zaakgegevens
Op 11 juni 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 11 juni 2026
- Datum publicatie
- 11 juni 2026
- Zaaknummer
- NL24.47868
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:15772
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
MOB
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.47868
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , V-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. M.R. Verdoner),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: H.R. Nobel).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 15 november 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 1 december 2024 afgewezen als kennelijk ongegrond. Ook is aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaren opgelegd.
Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld en heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft bepaald dat een behandeling op zitting achterwege blijft, omdat partijen hebben aangegeven dat zij hier geen gebruik van wensen te maken. De rechtbank sluit het onderzoek.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eiser een actueel en reëel belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Dat is volgens de rechtbank niet het geval. Daartoe overweegt zij als volgt.
3. De minister heeft de rechtbank op 26 maart 2026 bericht dat eiser op 25 maart 2026 met onbekende bestemming (MOB) vertrokken is gemeld, omdat eiser zelfstandig zijn woonruimte heeft verlaten. De gemachtigde van eiser heeft vervolgens op 7 mei 2026 bericht dat zij sindsdien geen contact heeft met eiser en dat zij ook niet op de hoogte is van zijn verblijfsplaats.
Uit vaste rechtspraak volgt dat, als een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd met onbekende bestemming vertrekt zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, die vreemdeling kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming. Dit is anders als de vreemdeling na een MOB-melding nog contact onderhoudt met zijn gemachtigde. In dat geval kan worden aangenomen dat de vreemdeling nog prijs stelt op bescherming in Nederland. Dit is weer anders als er andere concrete aanknopingspunten bestaan dat een vreemdeling geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland, bijvoorbeeld omdat de vreemdeling in het buitenland verblijft. In het licht van het fundamentele recht op toegang tot de rechter en een doeltreffende en effectieve rechtsbescherming, moet voorzichtig worden omgegaan met het niet-ontvankelijk verklaren van een beroep op basis van een MOB-melding.
Op basis van de informatie van de minister en de gemachtigde van eiser, neemt de rechtbank aan dat eiser geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Er zijn geen concrete aanknopingspunten om anders te oordelen.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van
A. Hoekstra - Verbeek, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudononimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.