Vreemdelingenrecht
Beroep tegen afwijzing afgifte van een verblijfsdocument EU/EER, beroep gegrond, verzoek om voorlopige…
Rechtbank Den Haag, 10 juni 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:17954 · Rechtbank Den Haag · 10 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-17954
Zaakgegevens
Op 10 juni 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 10 juni 2026
- Datum publicatie
- 2 juli 2026
- Zaaknummer
- NL25.21628 en NL25.21630
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:17954
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Beroep tegen afwijzing afgifte van een verblijfsdocument EU/EER, beroep gegrond, verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen sprake zou zijn van meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken, waardoor er tussen eiser en zijn stiefzoon geen sprake is van een afhankelijkheidsrelatie in de zin van het arrest Chavez-Vilchez. Verweerder heeft de door eiser aangevoerde omstandigheden en de overgelegde stukken onvoldoende in samenhang betrokken
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.21628 en NL25.21630
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. R. Dhalganjansing),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. K. Wouda).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 15 april 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 30 april 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
De rechtbank heeft het beroep op 28 januari 2026 op zitting behandeld. Hierbij waren aanwezig: eiser, [referente] (referente), de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
De rechtbank heeft het onderzoek op zitting geschorst. Daarbij is tussen partijen afgesproken dat eiser de erkenningsprocedure mag afwachten en de gelegenheid krijgt om nadere stukken over te leggen om de afhankelijkheidsrelatie met [kind 2] nader te onderbouwen.
Eiser heeft nadere stukken overgelegd. Vervolgens heeft verweerder medegedeeld dat deze stukken geen ander licht werpen op het bestreden besluit.
De rechtbank heeft met toestemming van partijen afgezien van een nadere zitting en heeft het onderzoek gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum 1] 1979 en heeft de Surinaamse nationaliteit. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor verblijf bij zijn echtgenote [referente], referente, en haar kinderen [kind 1] en [kind 2] (geboren op [geboortedatum 2] 2021). Referente en de kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit. Eiser wil bij hen verblijven, omdat het gezin en de minderjarige [kind 2] afhankelijk zijn van zijn steun en zorg.
3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat, voor zover hier van belang, eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij daadwerkelijk de verzorgende stiefouder voor [kind 2] is en er tussen hen sprake is van een afhankelijkheidsverhouding als bedoeld in Chavez-Vilchez.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. Uit het arrest Chavez-Vilchez volgt dat een derdelander (stief)ouder van een minderjarig kind dat EU-burger is, een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU heeft, als weigering van dat verblijfsrecht tot gevolg heeft dat het kind gedwongen wordt die ouder te volgen naar een derde land en daarmee het grondgebied van de Europese Unie (EU) moet verlaten.
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen sprake zou zijn van meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken, waardoor er tussen eiser en [kind 2] geen sprake is van een afhankelijkheidsrelatie in de zin van het arrest Chavez-Vilchez.
6. Verweerder heeft de door eiser aangevoerde omstandigheden en de overgelegde stukken onvoldoende in samenhang betrokken. Eerder in de procedure en voorafgaand aan de zitting heeft eiser aangevoerd dat hij met referente is getrouwd en hij met haar en de kinderen samenwoont. Daarbij heeft hij verklaringen van hemzelf, referente en [kind 1] en meerdere foto’s overgelegd. In zijn verklaring omschrijft eiser dat hij referente ondersteunt met het opvoeden van de kinderen en specifiek dat hij [kind 2] onder meer doucht en hem maaltijden geeft, naar bed brengt en van en naar de opvang brengt. Referente heeft in haar verklaring naar voren gebracht dat eiser en referente vanaf het moment dat zij samenwonen, gezamenlijk voor het dagelijkse huishouding en de opvoeding van de kinderen zorgen. Referente omschrijft specifiek dat eiser [kind 2] in de ochtend wakker maakt en klaarmaakt voor school, in de middag weer ophaalt van school en de middag samen met hem doorbrengt en voor hem zorgt. Ook brengt eiser [kind 2] naar bed en zorgt hij in de avond en nacht voor hem. [kind 1] omschrijft in haar verklaring onder meer dat eiser altijd voor haar en [kind 2] klaar staat en een vader is voor hen. Op de foto’s zijn eiser en [kind 2], soms ook met referente en [kind 1], samen te zien. Bij de hoorzitting in bezwaar en op de zitting bij de rechtbank hebben eiser en referente de zorg/opvoedingstaken die eiser voor [kind 2] uitvoert, nog nader toegelicht. Na de schorsing op zitting heeft eiser aanvullende stukken overgelegd die dit verder onderbouwen. Zo zijn ingebracht meerdere foto’s, de vernietiging van de erkenning door de man die [kind 2] eerder had erkend, bij beschikking van de rechtbank Den Haag op 25 maart 2026 , een EHBO formulier van de school van [kind 2], en een verklaring van de school van [kind 2] waaruit blijkt dat eiser [kind 2] regelmatig ophaalt van school. Op de foto’s zijn eiser en [kind 2] samen te zien op verschillende momenten en locaties. Referente heeft verder verklaard dat eiser belangrijk is in het gezin. Vanaf het moment dat ze elkaar ontmoeten in maart 2022 wonen ze samen. Op [datum] 2024 zijn ze ook getrouwd. Eiser zorgt voor stabiliteit en rust na een lange periode van stress en overbelasting voor referente.
7. Het beroep van eiser ten aanzien van het arrest Chavez-Vilchez is dus gegrond.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit wordt vernietigd. Verweerder moet een nieuw besluit nemen op het bezwaar van eiser met inachtneming van deze uitspraak.
9. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit.
10. Omdat het beroep gegrond is, veroordelen de rechtbank en de voorzieningenrechter verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2802,-.
11. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2802,-;
- bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 194,- moet vergoeden.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.F. Elzenaar, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.