Overwegingen
Beoordeling door de rechtbank
7. Eiser heeft de Surinaamse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum 1] 1984. Op dit moment verblijft hij in Nederland. Eiser heeft met zijn ex-partner een dochter genaamd [minderjarige 1] , die is geboren op [geboortedatum 2] 2016. [minderjarige 1] heeft de Nederlandse nationaliteit. Met zijn huidige partner heeft eiser een zoon genaamd [minderjarige 2] , die is geboren op [geboortedatum 3] 2023. Ook [minderjarige 2] heeft de Nederlandse nationaliteit. Uit een andere relatie heeft eiser een stiefzoon genaamd [minderjarige 3] , met wie het contact inmiddels is verbroken. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een Chavez-verblijfsrecht, omdat hij wil verblijven bij zijn Nederlandse kinderen.
Het bestreden besluit
8. De minister heeft de aanvraag van eiser met het primaire besluit afgewezen, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor een Chavez-verblijfsrecht. De minister heeft aan de afwijzing van de aanvraag – kort gezegd – ten grondslag gelegd dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor afgifte van een verblijfsdocument EU/EER, omdat eiser onvoldoende heeft aangetoond dat hij daadwerkelijke zorg- en opvoedtaken verricht (die meer dan marginaal zijn) en niet is aangetoond dat zijn dochter [minderjarige 1] en stiefzoon [minderjarige 3] zo afhankelijk zijn van hem dat zij gedwongen worden het grondgebied van de Europese Unie te verlaten indien de minister aan eiser niet het gevraagde verblijfsdocument geeft.
Daarnaast heeft de minister getoetst of de uitzetting van eiser in strijd is met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Ook dat is volgens de minister niet het geval. Hoewel eiser in Nederland familie-en gezinsleven en privéleven heeft, weegt het belang van de Nederlandse overheid om eiser niet tot Nederland toe te laten zwaarder. De minister heeft bij het primaire besluit een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van vier weken, gericht op vertrek naar Suriname, opgelegd aan eiser.
9. Tijdens de bezwaarprocedure is [minderjarige 2] geboren. Ten aanzien van [minderjarige 2] stelt de minister dat eiser de zorg- en opvoedtaken – die hij stelt uit te voeren – niet heeft aangetoond en dat geen sprake is van een afhankelijkheidsrelatie tussen hem en [minderjarige 2] . Daarnaast wordt er familieleven tussen eiser en [minderjarige 2] aangenomen, maar valt de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM in het nadeel van eiser uit. Ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 3] blijft de minister in het bestreden besluit bij zijn standpunt dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor een Chavez-verblijfsrecht en dat uitzetting niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM.
10. Eiser betwist het bestreden besluit en voert daartoe diverse beroepsgronden aan. De rechtbank stelt vast dat de beroepsgronden die zijn aangevoerd in het kader van het Chavez-verblijfsrecht en artikel 8 van het EVRM alleen betrekking hebben op de kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
Chavez-verblijfsrecht
11. De rechtbank stelt voorop dat uit het arrest Chavez-Vilchez voortvloeit dat een ouder die onderdaan is van een derde land een van zijn minderjarig kind, dat EU-burger is, afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU) heeft, als weigering van een verblijfsrecht aan die ouder tot gevolg heeft dat het kind gedwongen zal zijn die ouder te volgen naar een derde land en daarmee het grondgebied van de Europese Unie te verlaten. Volgens de regelgeving van de minister moet de vreemdeling daarvoor (in ieder geval) aan de volgende voorwaarden voldoen:
- de vreemdeling verricht al dan niet gezamenlijk met de andere ouder daadwerkelijke zorgtaken ten behoeve van het minderjarige kind, waarbij geldt dat verweerder zorg- en/of opvoedingstaken met een marginaal karakter niet aanmerkt als daadwerkelijke zorgtaken voor het minderjarige kind; en
- tussen de vreemdeling en het kind bestaat een zodanige afhankelijkheidsverhouding dat het kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten als aan de vreemdeling een verblijfsrecht wordt geweigerd.2
12. Aan beide voorwaarden moet worden voldaan, maar daarbij geldt wel dat de minister de afhankelijkheidsbeoordeling moet beoordelen in het licht van de zorgtaken die worden verricht door de ouder die zich beroept op het arrest Chavez-Vilchez.3 Om tot een dergelijke vaststelling te komen moeten, in het belang van het kind, alle betrokken omstandigheden in de beoordeling worden betrokken. Meer in het bijzonder de leeftijd van het kind, zijn lichamelijke en emotionele ontwikkeling, de mate van zijn affectieve relatie zowel met de ouder die burger van de Unie is als met de derdelander-ouder, evenals het risico dat voor het evenwicht van het kind zou ontstaan indien het van deze laatste ouder zou worden gescheiden.4
De daadwerkelijke zorg- en opvoedtaken en afhankelijkheidsverhouding: [minderjarige 1]
13. Eiser voert primair aan dat hij meer dan marginale zorgtaken verricht voor [minderjarige 1] . Dit volgt uit de bestaande omgangsregeling, die is onderbouwd door de verklaring van de moeder van [minderjarige 1] . Eiser voert subsidiair aan dat voor zover kan worden gesteld dat hij niet meer dan marginale zorg- en opvoedtaken verricht, dit geen reden is om Chavez-verblijfrecht af te wijzen, omdat de afhankelijkheidsverhouding hieraan in de weg staat. De minister moet alle relevante omstandigheden betrekken. Volgens eiser moet de minister daarom onder meer rekening houden met de omstandigheid dat het een tijdelijke situatie is dat hij minder contact heeft met [minderjarige 1] . Hierbij doet eiser beroep op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Bosch, van 8 april 2023 (ECLI:NL:RBOBR:2023:1585). Tijdens de zitting heeft eiser in dit verband nog verwezen naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 23 juni 2023 (ECLI:EU:C:2023:499) en naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 9 oktober 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:16651).
14. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat hij meer dan marginale zorgtaken verricht. Eiser heeft ter onderbouwing een omgangsregeling van 21 november 2022 overlegd, waaruit volgt dat hij om de twee weken in het weekend omgang heeft met [minderjarige 1] , waarbij hij haar op vrijdag na school ophaalt en op zondag weer terugbrengt. Ook brengt hij [minderjarige 1] op woensdagen en zaterdagen naar zwem- en sportles. Verder heeft eiser een verklaring overgelegd van de moeder van [minderjarige 1] van 25 augustus 2022, waaruit volgt dat beide ouders zorg dragen voor [minderjarige 1] . De minister heeft kunnen tegenwerpen dat eiser hiermee niet heeft aangetoond dat sprake is van meer dan marginale zorg- en opvoedtaken. Hierbij heeft de minister kunnen betrekken dat eiser op de ambtelijke hoorzitting van 13 juni 2024 (ambtelijke hoorzitting) heeft verklaard dat hij [minderjarige 1] minder ziet dan volgt uit de omgangsregeling, omdat de band met de moeder is verslechterd. De verklaring van de moeder van [minderjarige 1] geeft dus geen beeld geeft van de huidige situatie. Daarbij komt dat de omgangsregeling geen objectieve onderbouwing is van de zorg- en opvoedtaken, omdat deze tot stand is gekomen op basis van verklaringen van eiser en de moeder van [minderjarige 1] zelf. Verder heeft de minister terecht overwogen dat eiser niet heeft onderbouwd dat het slechts een tijdelijke situatie is dat er minder omgang plaatsvindt dan volgens de omgangsregeling. Dit laat bovendien onverlet dat eiser op dit moment geen meer dan marginale de zorg- en opvoedtaken verricht. Op de zitting bij de rechtbank heeft eiser verklaard dat hij [minderjarige 1] nog af en toe ziet en dat hij haar soms zakgeld geeft. Hoewel hieruit, net als uit de eerder door eiser overgelegde foto’s van hem met [minderjarige 1] , kan worden opgemaakt dat er een affectieve relatie is tussen eiser en [minderjarige 1] , vormt dit op zichzelf geen bewijs van structurele zorg- en opvoedtaken. De foto’s zijn immers alleen momentopnamen, en geven op zichzelf weinig inzicht in de daadwerkelijke rol die eiser speelt in de opvoeding en verzorging van [minderjarige 1] . De rechtbank merkt daarnaast op dat eiser geen andere stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat ook feitelijke invulling wordt gegeven aan deze omgangsregeling en welke zorg- en opvoedtaken hij op zich heeft genomen. De rechtbank overweegt verder dat de verwijzing van eiser naar de eerdergenoemde jurisprudentie niet tot een ander oordeel leidt. De minister heeft zich tijdens de zitting namelijk terecht op het standpunt gesteld dat in de onderhavige zaak – wat betreft de situatie van eiser en [minderjarige 1] – alle omstandigheden zijn meegewogen.
15. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser niet heeft aangetoond dat er sprake is van een zodanige afhankelijkheidsverhouding dat [minderjarige 1] gedwongen wordt de Europese Unie te verlaten als eiser geen verblijfsrecht wordt verleend. De minister heeft kunnen betrekken dat de primaire zorg- en opvoedtaken al jarenlang bij de moeder van [minderjarige 1] liggen en dat [minderjarige 1] haar hoofdverblijf bij haar moeder in Nederland heeft. Ook is de moeder financieel verantwoordelijk voor [minderjarige 1] . Verder heeft eiser niet met stukken aannemelijk gemaakt dat een scheiding van [minderjarige 1] onevenredige gevolgen zal hebben. Zo heeft eiser niet met stukken of verklaringen aangetoond dat een normale lichamelijke en emotionele ontwikkeling van [minderjarige 1] in het geding zou zijn. De beroepsgrond slaagt niet.
Beroep op de doorzendplicht: [minderjarige 2]
16. Eiser doet een beroep op de doorzendplicht. Hij verzoekt de rechtbank om de gronden – voor zover deze zien op het verrichten van daadwerkelijke zorg- en opvoedtaken voor [minderjarige 2] en de afhankelijkheidsverhouding – te behandelen als bezwaar en door te sturen naar de minister. Eiser stelt dat de minister dit onderdeel van het bestreden besluit namelijk als eerste besluit moet aanmerken, omdat [minderjarige 2] is geboren hangende de bezwaarprocedure en er anders sprake is van verlies van instantie.
17. Naar het oordeel van de rechtbank is het belang bij beoordeling van deze beroepsgrond komen te vervallen. De minister heeft immers op de zitting bij de rechtbank toegezegd dat de nieuwe aanvraag van eiser om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER op grond van het arrest Chavez-Vilchez inhoudelijk en op eigen merites zal worden beoordeeld. De beroepsgrond slaagt niet.
Daadwerkelijke zorg- en opvoedtaken en de afhankelijkheidsverhouding: [minderjarige 2]
18. Eiser voert aan dat sprake is van meer dan marginale zorg- en opvoedtaken, omdat hij vijf dagen in de week bij [minderjarige 2] en de moeder (partner van eiser) verblijft, hij samen met zijn partner zorgt voor [minderjarige 2] en het huishouden doet. Daarnaast is eiser aanwezig tijdens de afspraken bij de gynaecoloog en het consultatiebureau. Dat eiser meer dan marginale zorg- en opvoedtaken verricht blijkt ook uit de ingebrachte foto’s. Volgens eiser is dan ook niet op de juiste wijze beoordeeld of sprake is van de genoemde afhankelijkheidsverhouding tussen hem en [minderjarige 2] .
19. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister onvoldoende gemotiveerd dat geen sprake is van meer dan marginale zorg- en opvoedtaken en dat niet gebleken is van een zodanige afhankelijkheid van eiser dat [minderjarige 2] gedwongen zou zijn het grondgebied van de Europese Unie te verlaten als hem geen verblijf wordt toegestaan. De minister heeft namelijk niet deugdelijk gemotiveerd waarom eiser met de overgelegde stukken niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij meer dan marginale zorg- en opvoedtaken verricht. De rechtbank stelt hierbij voorop dat eiser [minderjarige 2] heeft erkend en (gedeeld) gezag heeft over hem. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn taken een kopie van de geboorteakte van zijn zoon ingebracht, waarop hij als vader geregistreerd staat, en een brief van de gemeente met de BRP-registratie waaruit blijkt dat beide ouders staan geregistreerd. Ook heeft eiser twee foto’s ingebracht waarop te zien is dat hij aanwezig was bij de geboorte van [minderjarige 2] . Verder heeft eiser tijdens de ambtelijke hoorzitting van 13 juni 2024 verklaard dat hij ongeveer vijf dagen in de week bij zijn partner verblijft. Op de vraag wat zijn rol is in de opvoeding heeft eiser verklaard dat hij helpt met het douchen van [minderjarige 2] , het klaarmaken van eten, het huishouden en dat hij tijdens de zwangerschap van zijn vriendin mee ging naar het consultatiebureau en de gynaecoloog. De moeder van [minderjarige 2] heeft tijdens de ambtelijke hoorzitting bevestigd dat zij en eiser gezamenlijk de zorg dragen voor [minderjarige 2] en dat eiser, ondanks het ontbreken van een vast schema, ook bij haar verblijft.
20. Daarnaast heeft eiser in beroep foto’s ingebracht waarop onder meer te zien is dat hij zijn zoon verzorgt door hem te douchen, te voeden en vast te houden tijdens het slapen. Uit de foto’s blijkt verder dat eiser aanwezig was bij belangrijke momenten in het leven van en de zorg voor [minderjarige 2] , zoals de geboorte, afspraken bij de gynaecoloog en bezoeken aan het consultatiebureau. De rechtbank overweegt dat in zaken zoals deze sprake is van een zogeheten ex tunc-toetsing. Dit betekent dat de rechtbank alleen kan beoordelen aan de hand van de situatie zoals die bekend was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 juli 2022 volgt dat de ex tunc-toetsing van de rechtbank zich er niet tegen verzet dat de rechtbank stukken bij haar oordeel betrekt die dienen ter onderbouwing van feiten die zich al hadden voorgedaan ten tijde van het besluit op bezwaar.5 De foto’s die eiser in beroep heeft ingebracht, onderbouwen de eerdere verklaringen over zijn zorgtaken en gaan dus hoofdzakelijk over feiten die zich voordeden vóór het nemen van het besluit op bezwaar. De rechtbank overweegt verder dat de foto’s weliswaar momentopnamen zijn, maar dat deze foto’s wel een langere periode beslaan en op meerdere gebeurtenissen zien. Hoewel de rechtbank het met de minister eens is dat eiser weinig objectieve documenten heeft overgelegd, kunnen uit de ingebrachte foto’s en verklaringen wel (daadwerkelijke) zorgtaken worden afgeleid.
21. De rechtbank kan de minister bovendien niet volgen in de tegenwerping dat niet is komen vast te staan dat eiser daadwerkelijk een relatie met de moeder onderhoudt en met haar en [minderjarige 2] samenwoont gedurende vijf dagen per week. De minister stelt dat eiser – naast de verklaringen van eiser en de moeder van [minderjarige 2] – geen nader bewijs heeft overgelegd van de relatie en het daadwerkelijke samenwonen, terwijl eiser dit tijdens de ambtelijke hoorzitting wel heeft toegezegd. Verder heeft de minister zich tijdens de zitting bij de rechtbank op het standpunt gesteld dat eiser ook de zorgtaken niet nader heeft onderbouwd, ondanks de toezegging daartoe op de ambtelijke hoorzitting. De rechtbank overweegt dat de hoorambtenaar tijdens de ambtelijke hoorzitting alleen heeft gevraagd of er bewijsstukken zijn van het gedeelde gezag. Eiser heeft daarop slechts toegezegd dat hij bewijsstukken en foto’s zal toesturen ter onderbouwing van zijn vaderschap. Anders dan de minister op de zitting bij de rechtbank heeft gesteld, is er door de hoorambtenaar niet gevraagd naar nadere onderbouwing van de relatie, het daadwerkelijke samenwonen of de zorg- en opvoedtaken. Niet is gebleken dat het voor eiser duidelijk is geweest dat de minister twijfelde over deze punten.
22. Zoals onder 12 is overwogen, moet de minister de afhankelijkheidsverhouding beoordelen in het licht van de zorgtaken die worden verricht door de ouder die zich beroept op het arrest Chavez-Vilchez. Aangezien de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser geen meer dan marginale zorg- en opvoedtaken verricht, heeft de minister zijn beoordeling van de afhankelijkheidsverhouding op het onjuiste uitgangspunt gebaseerd dat geen sprake is van meer dan marginale zorg- en opvoedtaken. Om die reden kan ook deze beoordeling geen stand houden. Omdat de rechtbank van oordeel is dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat geen sprake is van daadwerkelijke zorg- en opvoedtaken, zal de minister dit opnieuw moeten beoordelen en daarbij ook nader onderzoek moeten verrichten naar de afhankelijkheidsverhouding tussen eiser en [minderjarige 2] . De beroepsgrond slaagt.
Artikel 8 van het EVRM: Familie- en gezinsleven
23. Eiser voert aan dat de afwijzing van de aanvraag in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Eiser stelt dat er een onjuiste belangenafweging heeft plaatsgevonden, waarbij onvoldoende gewicht is toegekend aan het belang van het kind. Volgens eiser zijn er grote belemmeringen tegen het uitoefenen van het gezinsleven in Suriname. Eiser wijst er namelijk op dat [minderjarige 2] en zijn moeder de Nederlandse nationaliteit hebben en zijn geworteld in Nederland. Eiser doet hierbij een beroep op het arrest Jeunesse van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 3 oktober 2014.6
24. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat artikel 8 van het EVRM de minister ertoe verplicht om alle relevante gegevens en belangen van het individuele geval kenbaar af te wegen tegen het algemene belang van het economisch welzijn van de Nederlandse staat.7 De rechtbank moet toetsen of de minister dit heeft gedaan en, als dit het geval is, of hij zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een ‘fair balance’ tussen enerzijds het belang van de vreemdeling bij de uitoefening van het privéleven en familie- en gezinsleven hier te lande en anderzijds het algemeen belang van de Nederlandse samenleving bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. De rechtbank beoordeelt, vol toetsend, of de minister alle van belang zijnde aspecten heeft betrokken in zijn beoordeling. Daarnaast beoordeelt de rechtbank, enigszins terughoudend toetsend, of de minister de belangenafweging in het nadeel van eiser kon laten uitvallen. De rechtbank overweegt verder dat volgens vaste rechtspraak van het EHRM in alle beslissingen over kinderen hun belangen een eerste overweging dienen te vormen en dat aan die belangen, hoewel die belangen op zichzelf niet doorslaggevend kunnen zijn, aanzienlijk gewicht moet toekomen.8
25. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister onvoldoende blijk gegeven dat de belangen van het kind als eerste overweging dienen te worden meegenomen en dat aan die belangen aanzienlijk gewicht dient te worden toegekend. Hierdoor komt de vereiste ‘fair balance’ onvoldoende tot uitdrukking. Van betekenis is dat de rechtbank onder overwegingen 19 tot en met 22 heeft geoordeeld dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat geen sprake is van meer dan marginale zorg- en opvoedtaken en dat niet gebleken is van een zodanige afhankelijkheid. Uit het door eiser aangevoerde arrest van het EHRM volgt dat de minister moet kijken naar de leeftijd van het kind, zijn situatie in het betrokken land, en de mate waarin het kind afhankelijk is van zijn ouders.9 In dit verband heeft de minister gesteld dat geen sprake is van een bijzondere afhankelijkheid van [minderjarige 2] van eiser, omdat [minderjarige 2] bij zijn moeder woont en zij zowel de dagelijkse als de financiële ondersteuning biedt. Uit het voorgaande volgt dat de minister dit punt gebrekkig heeft gemotiveerd en opnieuw zal moeten beoordelen. Dit geldt ook voor het standpunt dat het familieleven op afstand kan worden voortgezet; de minister heeft nagelaten te motiveren hoe eiser zijn gestelde zorg- en opvoedtaken op afstand vorm zou moeten geven. Daarnaast heeft de minister niet kenbaar gemaakt welk gewicht wordt toegekend aan de gevolgen voor [minderjarige 2] bij een vertrek van eiser uit Nederland, waarbij de rol van eiser zou wegvallen. Zoals overwogen onder overweging 22 moet de minister opnieuw beoordelen of eiser daadwerkelijke zorg- en opvoedtaken verricht en zal de minister daarbij ook nader onderzoek moeten verrichten naar de afhankelijkheidsverhouding tussen hen. Vervolgens zal de minister moeten beoordelen wat dit betekent voor de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM ten aanzien van [minderjarige 2] . De beroepsgrond slaagt.
Artikel 8 van het EVRM: Privéleven
26. Eiser voert aan dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom het belang van de Nederlandse staat zwaarder dient te wegen dan zijn belang. Volgens eiser is sprake van bijzondere omstandigheden. Eiser heeft sinds 2009 privéleven in Nederland opgebouwd en verblijft inmiddels al zestien jaar in Nederland, waarvan het grootste deel ononderbroken. Daarnaast heeft eiser gezinsleven opgebouwd met zijn dochter en zoon, en heeft hij een relatie met een Nederlandse vrouw. In dit verband verwijst eiser naar rechtsoverweging 5.5. van de Afdelingsuitspraak van 25 maart 2015 en het arrest Jeunesse.10 Uit deze Afdelingsuitspraak volgt dat de minister ook rekening moet houden met de lange duur van het verblijf van de vreemdeling en het stilzitten van de Nederlandse overheid, ondanks het onrechtmatige verblijf van de vreemdeling.
27. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat geen beschermenswaardig privéleven kan worden aangenomen op grond van artikel 8 van het EVRM. De minister heeft alle relevante omstandigheden kenbaar in zijn belangenafweging betrokken. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de uitkomst van de weging van de belangen van eiser bij het uitoefenen van het recht op privéleven en het algemeen belang van de Nederlandse samenleving bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid, getuigt van een ‘fair balance’. In dit verband overweegt de rechtbank het volgende.
28. De minister heeft in het bestreden besluit overwogen dat eiser privéleven heeft opgebouwd door zijn verblijf in Nederland. De minister heeft zich echter niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser geen bijzondere omstandigheden heeft aangedragen die doorslaggevend in het voordeel van eiser moeten meewegen en de minister verplicht verblijf toe te staan. In dit verband heeft de minister in het nadeel van eiser mogen wegen dat eiser zijn privéleven heeft opgebouwd terwijl zijn verblijfsrecht onzeker was, omdat hij nooit een verblijfsvergunning heeft gehad. Wanneer het privéleven wordt opgebouwd tijdens een periode waarin de verblijfsrechtelijke status onzeker is, en de vreemdeling zich van de onzekerheid van zijn verblijfsstatus bewust was, kan dat privéleven alleen in uitzonderlijke gevallen leiden tot een verplichting tot het laten voortzetten van dat privéleven.11
De minister heeft de omstandigheid dat eiser in Nederland kinderen heeft gekregen en een relatie heeft, niet hoeven aanmerken als een uitzonderlijke situatie op basis waarvan op grond van artikel 8 van het EVRM een vergunning moet worden verleend. De verwijzing van eiser naar de Afdelingsuitspraak van 25 maart 2015 en het arrest Jeunesse leidt niet tot een ander oordeel. Eiser heeft in dit verband aangevoerd dat de Nederlandse overheid heeft ‘stilgezeten’ en geen werk heeft gemaakt van zijn uitzetting. De rechtbank volgt eiser hierin niet, omdat eiser niet heeft betwist dat hij meerdere malen in vreemdelingenbewaring heeft gezeten, met het oog op uitzetting, maar dat het daarvan onder meer niet is gekomen omdat eiser gebruik heeft gemaakt van valse identiteitsgegevens. Van andere uitzonderlijke omstandigheden aan de kant van eiser – die de minister had moeten betrekken bij de belangenafweging – is niet gebleken.
29. Verder heeft de minister niet ten onrechte van belang geacht dat eiser binding heeft met Suriname. Eiser is geboren en opgegroeid in Suriname. Eiser heeft het grootste deel van zijn leven in Suriname gewoond, is daar naar school gegaan, en is daar bekend met de gebruiken en de cultuur. De minister heeft in dit verband in het nadeel van eiser kunnen meewegen dat hij in Nederland heeft verbleven zonder verblijfsvergunning en daarbij gebruik heeft gemaakt van andere identiteitsgegevens. De minister heeft ook kunnen meewegen dat niet is gebleken dat eiser niet in staat is om opnieuw privéleven op te bouwen in Suriname. De minister heeft hierbij kunnen stellen dat de banden van eiser met Suriname niet alleen uit persoonlijke contacten blijken, maar ook uit het feit dat eiser voor zijn komst naar Nederland jaren in Suriname heeft gewoond en beschikt over een geldig Surinaams paspoort. Ook heeft de minister kunnen stellen dat eiser bij het opbouwen van zijn privéleven in Suriname eventueel hulp kan vragen van familieleden en/of vrienden vanuit Nederland. Gelet op het voorgaande heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat er geen reden is om aan te nemen dat eiser niet kan terugkeren naar Suriname. De beroepsgrond slaagt niet.
1. Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354 (Chavez-Vilchez).
2 Paragraaf B10/2.2, onder ad c en d, van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
3 De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 16 mei 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:1962).
4 Zie het arrest van het Hof van 22 juni 2023, ECLI:EU:C:2023:499, punten 48 en 49.
5 ECLI:NL:RVS:2022:1918, r.o. 7.1.
6 Zie het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 3 oktober 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1003JUD001273810 (arrest Jeunesse).
7 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 25 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2485.
8 Zie bijvoorbeeld het arrest Jeunesse.
9 Zie het arrest Jeunesse, punten 117, 118 en 120.
10 De uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1044; en het arrest Jeunesse.
11 Zie het arrest van het EHRM van 4 december 2012, ECLI:C:ECHR:2012:1204JUD004701709, punten 78,79 en 80 (arrest Butt).