Vreemdelingenrecht
verlenging overdrachtstermijn in verband met detentie, beroep gegrond
Rechtbank Den Haag, 30 juni 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:21804 · Rechtbank Den Haag · 30 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-21804
Zaakgegevens
Op 30 juni 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Datum uitspraak
- 30 juni 2026
- Datum publicatie
- 5 augustus 2026
- Zaaknummer
- NL26.15907
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:21804
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
verlenging overdrachtstermijn in verband met detentie, beroep gegrond
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.15907
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [nummer] eiser
(gemachtigde: mr. G.J. van der Graaf),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. F.E.J. Evers).
Procesverloop
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van 17 maart 2026 (het bestreden besluit), waarbij de minister de overdrachtstermijn op grond van artikel 29, tweede lid, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) heeft verlengd vanwege de detentie van eiser op dat moment.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 3 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Inleiding
2. Eiser heeft de Egyptische nationaliteit en is geboren op [datum] 1986.
Eiser heeft op 9 februari 2026 asiel aangevraagd in Nederland. Nederland heeft de Duitse autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18 van de Dublinverordening. De Duitse autoriteiten hebben dit verzoek op 24 februari 2026 geaccepteerd. Bij besluit van 16 maart 2026 heeft de minister eisers asielaanvraag niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling ervan. Daarnaast staat in het besluit vermeld dat sprake is van een overdrachtsbesluit en dat Nederland zes maanden de tijd heeft om eiser over te dragen aan Duitsland.
Bij het bestreden besluit van 17 maart 2026 heeft de minister de overdrachtstermijn (van zes maanden) verlengd tot een jaar. Daaraan is ten grondslag gelegd dat eiser gevangen is gezet.
Beroepsgronden
3. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte de overdrachtstermijn heeft verlengd. Daartoe voert hij in de eerste plaats aan dat uit artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening volgt dat verlenging van de overdrachtstermijn alleen mogelijk is als de gevangenzetting daadwerkelijk tot gevolg heeft dat overdracht binnen de reguliere termijn van zes maanden niet kan plaatsvinden. De enkele omstandigheid dat een vreemdeling op enig moment gedurende die termijn gedetineerd is, is daarvoor onvoldoende. Verder voert eiser aan dat de reguliere overdrachtstermijn in zijn geval pas afloopt op 24 augustus 2026. Zijn strafrechtelijke detentie is echter al op [datum] 2026 geëindigd. Vanaf dat moment resteerden nog ongeveer vijf maanden om de overdracht te realiseren. Onder verwijzing naar het Jawo-arrest van het Hof van Justitie stelt eiser dat de in artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening opgenomen verlengingsmogelijkheid een uitzondering vormt op de hoofdregel van overdracht binnen zes maanden en daarom restrictief moet worden uitgelegd.
Het oordeel van de rechtbank
Aanvang van de overdrachtstermijn
4. Op grond van artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening vangt de overdrachtstermijn van zes maanden aan vanaf het moment waarop de lidstaat het verzoek tot over- of terugname heeft aanvaard. In dit geval hebben de Duitse autoriteiten op 24 februari 2026 het terugnameverzoek van de Nederlandse autoriteiten aanvaard. De overdrachtstermijn van zes maanden is dus vanaf dat moment ingegaan.
Verlenging van de overdrachtstermijn
Op grond van artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening moet de overdracht in beginsel plaatsvinden binnen zes maanden nadat de verantwoordelijke lidstaat heeft ingestemd met overname of terugname. Op grond van het tweede lid van dit artikel kan deze termijn worden verlengd tot maximaal één jaar als de overdracht wegens gevangenzetting van de vreemdeling niet kon worden uitgevoerd.
Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de tekst van deze bepaling dat tussen de gevangenzetting en het niet kunnen uitvoeren van de overdracht een causaal verband moet bestaan. De bepaling biedt geen aanknopingspunt voor het oordeel dat iedere detentie, ongeacht de duur daarvan en ongeacht de resterende duur van de overdrachtstermijn, grondslag biedt voor een verlenging van die termijn. Een dergelijke uitleg is bovendien moeilijk verenigbaar met het uitzonderingskarakter van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening. Hoewel niet in geschil is dat eiser ten tijde van het bestreden besluit gevangengezet was, staat anderzijds ook vast dat zijn gevangenzetting al op [datum] 2026 is geëindigd, terwijl de reguliere overdrachtstermijn pas op 24 augustus 2026 verstrijkt. De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd, waarom deze omstandigheid desondanks meebrengt dat overdracht binnen de reguliere termijn niet mogelijk is.
Op zitting heeft de minister verklaard dat een verlenging van de overdrachtstermijn wordt toegepast zodra een vreemdeling gevangen is gezet. De minister heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat daarvoor voldoende is dat de vreemdeling ten tijde van de besluitvorming niet beschikbaar is voor overdracht. Verder heeft de minister verklaard dat hij geen onderzoek doet naar de verwachte duur van de gevangenzetting en dat een eenmaal verlengde overdrachtstermijn niet wordt herzien, als de vreemdeling kort daarna in vrijheid wordt gesteld.
De rechtbank kan de minister in dit betoog niet volgen. Als de enkele vaststelling dat een vreemdeling gedetineerd is al voldoende zou zijn voor verlenging van de overdrachtstermijn, zou de in artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening, vereiste beoordeling of de overdracht wegens die detentie niet kon worden uitgevoerd feitelijk betekenisloos worden. De rechtbank ziet in de tekst van de bepaling geen steun voor een dergelijke categorische toepassing.
In reactie op het ter zitting ingenomen standpunt van de minister heeft eiser aanvullend aangevoerd dat de minister onderzoek had kunnen doen naar de verwachte duur van de detentie. Voor zover eiser hiermee betoogt dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat de minister geen onderzoek heeft gedaan naar de feiten die van belang zijn voor toepassing van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening, kan eiser hierin worden gevolgd. Aangezien de minister op zitting heeft verklaard dat naar de verwachte duur van de detentie in het geheel geen onderzoek wordt gedaan, staat daarmee vast dat hij niet heeft onderzocht of de detentie in het concrete geval van eiser een daadwerkelijke belemmering kon vormen voor overdracht binnen de reguliere overdrachtstermijn. Dat de minister ten tijde van het bestreden besluit niet wist wanneer de detentie zou eindigen, maakt dit niet anders. Juist wanneer die informatie van belang wordt geacht voor de toepassing van artikel 29, tweede lid van de Dublinverordening, ligt het namelijk op de weg van de minister om zich daarover te laten informeren of daar een onderzoek naar in te stellen.
Daarnaast moet bij de beoordeling worden betrokken dat het overdrachtsbesluit ten tijde van het besluit tot verlenging van de overdrachtstermijn nog niet definitief was, aangezien de beroepstermijn nog niet verstreken was en eiser nog de mogelijkheid had een verzoek om een voorlopige voorziening in te dienen. Vaststaat dat eiser vervolgens daadwerkelijk beroep heeft ingesteld en de rechtbank heeft verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Ook in het licht hiervan valt zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet in te zien waarom de minister al na één dag van het nemen van het overdrachtsbesluit, zonder nader onderzoek te doen, heeft kunnen concluderen dat overdracht wegens de detentie van eiser niet kon worden uitgevoerd. Op dat moment bestond immers ook los van de detentie nog geen situatie waarin de minister daadwerkelijk tot overdracht kon overgaan.
Voor zover de minister zich op het standpunt stelt dat nooit met zekerheid kan worden uitgesloten dat een detentie langer duurt dan aanvankelijk verwacht of dat zich nieuwe omstandigheden voordoen die tot voortduring van de detentie kunnen leiden, is de rechtbank van oordeel dat dergelijke hypothetische mogelijkheden geen toereikende grondslag vormen voor toepassing van een uitzonderingsbepaling als artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening.
Ook de vergelijking die de minister op zitting heeft gemaakt met de situatie waarin een vreemdeling met onbekende bestemming vertrekt, leidt niet tot een ander oordeel. In een geval van onderduiken ontbreekt namelijk de feitelijke mogelijkheid om de vreemdeling te traceren en over te dragen. Dat is een wezenlijk andere situatie dan die van een vreemdeling die zich in detentie bevindt en voor de minister juist wel traceerbaar is.
Op grond van het vorenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de minister onvoldoende heeft onderzocht of de detentie van eiser aanleiding gaf voor verlenging van de overdrachtstermijn en onvoldoende heeft gemotiveerd waarom overdracht binnen de reguliere termijn niet mogelijk was. Het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht.
Conclusie en gevolgen
5. De beroepsgronden slagen. Dat betekent dat het beroep gegrond is. Het besluit van de minister om de overdrachtstermijn te verlengen wordt vernietigd.
Omdat het beroep gegrond is, bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De rechtbank veroordeelt de minister daarom in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het verlengingsbesluit van 17 maart 2026;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.C.L.J. Verhoeven, in aanwezigheid van mr. J. de Lange, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.