Vreemdelingenrecht

Dublin, Frankrijk, ongegrond, interstatelijk vertrouwensbeginsel.

Rechtbank Den Haag, 12 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 12 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Zwolle
Datum uitspraak
12 oktober 2026
Datum publicatie
13 oktober 2026
Zaaknummer
NL26.28852
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:30202
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Dublin, Frankrijk, ongegrond, interstatelijk vertrouwensbeginsel.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.28852


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen


[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. J.J. de Vries),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. S. Yousef).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 21 mei 2026 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.

1.1.

De rechtbank heeft het beroep op 18 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser met zijn gemachtigde, de heer O.O. Owolabi als tolk en de gemachtigde van de minister. Na de behandeling van de zaak heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting gesloten.

1.2.

De rechtbank heeft aanleiding gezien om het onderzoek te heropenen op 30 september 2026 om nadere vragen te stellen aan de minister.

1.3.

De minister heeft op 2 oktober 2026 op deze nadere vragen gereageerd en eiser heeft hier vervolgens op 7 oktober 2026 op gereageerd. Vervolgens heeft de rechtbank op
9 oktober 2026 het onderzoek nogmaals gesloten en aangegeven zonder nadere zitting uitspraak te doen.

Beoordeling door de rechtbank

Het oordeel

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Toepasselijk recht en verantwoordelijkheid Frankrijk

4. Op 12 juni 2026 is de AMbV in werking getreden. Artikel 83, eerste volzin, van de AMbV bepaalt dat de Dublinverordening op 12 juni 2026 wordt ingetrokken. De rechtbank bespreekt daarom als eerste welk recht in deze zaak van toepassing is.

4.1.

Artikel 84, tweede lid, van de AMbV bepaalt dat de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een vóór 12 juni 2026 ingediend verzoek om internationale bescherming, wordt bepaald volgens de in de Dublinverordening vastgelegde criteria. Het verzoek van eiser om internationale bescherming is vóór 12 juni 2026 ingediend. Dat betekent dat de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is, op grond van het overgangsrecht wordt bepaald volgens de in de Dublinverordening vastgelegde criteria. De rechtbank voelt zich gesteund door de uitspraak van de Afdeling van 7 oktober 2026 waarin is geoordeeld dat, in afwachting van de gestelde prejudiciële vragen aan het Hof, een ruime uitleg wordt gegeven aan de rechtsbescherming van vreemdelingen in het kader van het overgangsrecht.

4.2.

Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank bij de beoordeling van dit beroep uit van het beleid dat is opgenomen in paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire, zoals dat luidde vóór 12 juni 2026.

Totstandkoming van het besluit

5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland op 10 april 2026 bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek op 24 april 2026 aanvaard.

Is overdracht in strijd met de internationale verplichtingen?

Wat vindt eiser?

6. Eiser voert – samengevat en voor zover relevant - aan dat in Frankrijk de leefomstandigheden waaraan hij zal worden blootgesteld en de kwaliteit van de asiel- en opvangprocedure in strijd zijn met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het EU-Handvest. Hij zal in Frankrijk geen opvang krijgen. Eiser heeft het in Frankrijk al eerder slecht gehad, hij is immers eerder uit de opvang gezet. Volgens eiser zijn er ernstige tekortkomingen in de asiel- en opvangprocedure in Frankrijk waardoor de minister niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan. In Frankrijk is geen adequate of aanwezige rechtsbijstand en opvang voorhanden. Er is sprake van overvolle opvangcentra zonder basale voorzieningen, lange wachttijden, discriminatie, rellen, en mensenrechtenschendingen. Klagen bij de Franse autoriteiten heeft geen zin. Tot slot stelt eiser zich op het standpunt dat hij als bijzonder kwetsbaar aangemerkt moet worden in de zin van het arrest Tarakhel.

Interstatelijk vertrouwensbeginsel

7. De rechtbank overweegt als volgt. De minister mag er in het algemeen op vertrouwen dat de lidstaten die partij zijn bij de Dublinverordening, waaronder ook Frankrijk, hun internationale verplichtingen nakomen. Dit betekent dat de minister mag uitgaan van het vermoeden dat de behandeling van eiser na overdracht aan Frankrijk in overeenstemming is met de bepalingen uit het EVRM, het Handvest en het Vluchtelingenverdrag. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat in zijn geval niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan omdat de asielprocedure in Frankrijk een fundamentele systeemfout bevat die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereikt als bedoeld in het arrest Jawo.

7.1.

In de zienswijze en de gronden van beroep heeft eiser gesteld dat hij als “Dublin terugkeerder” geen opvang zal krijgen dan wel dat de kans op opvang zeer gering is en al jaren steeds geringer wordt. Daarbij is verwezen naar AIDA-rapporten ten aanzien van Frankrijk over de jaren 2023 en 2024 (gepubliceerd in respectievelijk 2024 en 2025). In aanvulling op de gronden van beroep heeft eiser verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 17 augustus 2026. In die uitspraak heeft de rechtbank, onder verwijzing naar het meest recente AIDA-rapport ten aanzien van Frankrijk, de 2025 Update, geoordeeld dat de minister voor Frankrijk niet zonder nader onderzoek kon uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Daarbij heeft de rechtbank zwaar laten wegen dat uit pagina 130 van het AIDA-rapport van mei 2026 volgt dat slechts ongeveer 20,2% van de Dublinterugkeerders en personen in de Dublinprocedure opvang ontvangt, hetgeen betekent dat circa 80% van deze groep geen toegang heeft tot opvang en daardoor risico loopt op dakloosheid. Voorts overwoog de rechtbank dat sprake is van een verslechtering ten opzichte van het AIDA- rapport van juni 2025, waarin nog 29,6% van deze groep opvang ontving.

7.2.

Nu het recente AIDA-rapport niet meegenomen kon worden in de beoordeling van eisers asielaanvraag heeft de rechtbank de minister het hiervoor genoemde ter zitting voorgehouden en om een reactie verzocht.

7.3.

De minister heeft desgevraagd aangegeven dat geen sprake is van een wezenlijk verschil tussen de rapportages met betrekking tot 2024 en 2025 daar waar het gaat om opvang van Dublin-terugkeerders. De minister verwijst daarbij naar de pagina’s 19 en 68 van het AIDA-rapport Frankrijk en stelt dat men in de hiervoor genoemde uitspraak van zittingsplaats Haarlem is uitgegaan van een foutieve interpretatie van de tekst. De tekst die genoemd is in de uitspraak heeft geen betrekking op Dublinterugkeerders, aldus de minister, maar op mensen die in Frankrijk een asielaanvraag hebben gedaan terwijl zij eerder in een ander land zijn geweest en daarom vanuit Frankrijk zullen worden overgedragen. Verder geeft de minister aan dat hoger beroep is ingesteld tegen genoemde uitspraak van zittingsplaats Haarlem. De minister heeft verwezen naar een uitspraak van de Afdeling van 20 augustus 2026 waarin wordt bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk nog immer kan en mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel omdat het AIDA-rapport Frankrijk over 2025 naar het oordeel van de Afdeling geen wezenlijk ander beeld van de opvang van asielzoekers in Frankrijk laat zien dan volgt uit de landeninformatie die al bij eerdere Afdelingsuitspraken is betrokken.

7.4.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt, zoals de minister ook heeft toegelicht, uit het AIDA-rapport Frankrijk, update 2025 dat het door eiser genoemde percentage van 20,2% ziet op Dublin ‘applicants’ en niet op Dublin ‘returnees’, ofwel Dublinterugkeerders. De rechtbank leest het volgende in het rapport: ‘At the end of 2025, only 4,887 out of 24,174 asylum applicants under Dublin procedure this year were accommodated (20.2%).’Daar waar in de zin ervoor wordt gesproken van ‘applicants or returnees’, betreft de 20.2% naar het oordeel van de rechtbank alleen de ‘applicants’. Hieronder begrijpt de rechtbank asielzoekers die naar Frankrijk zijn gekomen om asiel aan te vragen en voor wie de Franse autoriteiten bij een ander land, of andere landen, een claimverzoek indienen. Dit wordt naar het oordeel van de rechtbank bevestigd op twee andere plekken in het rapport, waar wordt gesproken van 30.084 claimverzoeken in het jaar 2025, voor 24.174 personen.

7.5.

De rechtbank merkt op dat de passage op pagina 130 van het AIDA-rapport Frankrijk update 2025 grotendeels overeenkomt met pagina 124/125 van het AIDA-rapport Frankrijk update 2024. Het onderscheid zit in het feit dat in het AIDA-rapport over 2024 wordt gesproken over ‘asylum seekers under Dublin procedure’ en in het AIDA-rapport over 2025 over ‘asylum applicants under Dublin procedure’. Deze wijziging is niet verder toegelicht in de rapportage en dat roept de vraag op of in het AIDA-rapport Frankrijk over 2024 onder ‘asylum seekers’ ook Dublinterugkeerders werden gerekend en wat de positie van Dublinterugkeerders dan nu is.

7.6.

De minister heeft deze vraag schriftelijk beantwoord en gesteld dat met zowel ‘asylum applicant’ als ‘asylum seeker’ gedoeld wordt op personen die in Frankrijk asiel hebben aangevraagd en die in het kader van de Dublinverordening aan een andere lidstaat kunnen worden overgedragen. De minister ziet in de Nederlandse vertaling van beide begrippen ook geen belanghebbend inhoudelijk onderscheid. Met zowel de term ‘asielaanvrager’ als de term ‘asielzoeker’ wordt gedoeld op de persoon die internationale bescherming zoekt. Het op pagina 130 genoemde percentage ziet dan ook niet op Dublinterugkeerders. Voor Dublinterugkeerders is niets veranderd aldus de minister.

7.7.

Naar het oordeel van de rechtbank is met deze stelling nog niet onderbouwd waaruit afgeleid kan worden dat de positie van Dublinterugkeerders niet is veranderd. Die stelling onderbouwt enkel dat voor Dublinterugkeerders het op pagina 130 genoemde percentage van 20,2% niet geldt en niet op basis dáárvan uitgegaan kan worden van een verslechtering.

7.8.

De rechtbank merkt op dat in de AIDA-rapporten update 2025 en 2024 een paragraaf is opgenomen specifiek over de situatie van Dublinterugkeerders, paragraaf 2.7. In beide rapporten leest de rechtbank: ‘Applications of persons returned to France under the Dublin III Regulation are treated in the same way as any other asylum applications.’ De rechtbank leidt hieruit af dat aanvragen van Dublinterugkeerders op dezelfde wijze behandeld worden als elke ander asielverzoek en dat daarom uitgegaan moet worden van de conclusies over de toegang tot opvangplekken voor asielaanvragers. Naar het oordeel van de rechtbank laat zowel de specifieke situatiebeschrijving van Dublinterugkeerders in paragraaf 2.7 van het AIDA-rapport over 2025 als ook het hoofdstuk B. ‘Housing’ geen wezenlijk ander beeld zien dan eerdere rapporten. De Afdeling heeft zeer recent bevestigd dat het AIDA-rapport Frankrijk over 2025 geen wezenlijk ander beeld schetst over de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan volgt uit de landeninformatie die al bij eerdere uitspraken van de Afdeling betrokken is.

7.9.

Voor wat betreft eisers stelling dat er in Frankrijk een achteruitgang is in het aanbod van opvangplekken omdat hij zelf uit de opvang is gezet en het slecht heeft gehad op straat, merkt de rechtbank op dat eiser tijdens de zitting heeft verklaard dat hij tijdens de behandeling van zijn asielaanvraag opvang heeft genoten. Eiser is pas uit de opvang gezet nadat hij te laat was met het indienen van zijn hoger beroep, dus pas nadat zijn asielprocedure was afgesloten. Eisers eigen ervaring met het uit de opvang worden gezet kan daarom niet leiden tot de conclusie dat sprake is van een tekortkoming in de opvangvoorzieningen in Frankrijk.

7.10.

De rechtbank oordeelt dan ook dat de minister ten aanzien van Frankrijk kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, en zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat ervan uitgegaan kan worden dat Frankrijk de internationale verplichtingen nakomt.

Bijzondere kwetsbaarheid

8. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat hij vanwege zijn (gestelde) homoseksualiteit als bijzonder kwetsbaar in de zin van het arrest Tarakel moet worden aangemerkt overweegt de rechtbank als volgt.

8.1.

Als sprake is van een bijzonder kwetsbaar persoon in de zin van het arrest Tarakhel kan dit ertoe leiden dat voorafgaand aan de overdracht aanvullende garanties van de verantwoordelijke lidstaat moeten worden verkregen. De betrokken persoon dient aannemelijk te maken dat sprake is van bijzondere kwetsbaarheid en dat zonder deze garanties geen passende zorg- en opvangvoorzieningen beschikbaar zal zijn. Of sprake is van bijzondere kwetsbaarheid hangt af van de individuele omstandigheden van het geval, waarbij onder meer de leeftijd, het geslacht en de gezondheidstoestand van de betrokken persoon van belang kunnen zijn. De minister heeft in het bestreden besluit erop gewezen dat eiser een alleenstaande volwassen man is en dat hij niet heeft aangetoond dat hij zonder garanties geen adequate zorg- en opvangvoorzieningen zal kunnen krijgen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, en bij gebrek aan onderbouwing van de gestelde kwetsbaarheid, ziet de rechtbank geen grond om te oordelen dat eiser dit wel aannemelijk heeft gemaakt. De beroepsgrond slaagt niet.

Had de minister toepassing moeten geven aan artikel 17 van de Dublinverordening?

9. Eiser betoogt dat de minister zijn asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening onverplicht in behandeling moet nemen. Tijdens de zitting heeft eiser nader toegelicht dat er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de minister die bevoegdheid moet toepassen. Eiser heeft onder meer aangevoerd dat hij als homoseksuele man in Frankrijk al eerder is uitgescholden voor pedofiel en ook bij een voetbalwedstrijd is geschopt als gevolg waarvan hij geblesseerd is geraakt.

9.1.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft deugdelijk gemotiveerd waarom hij geen aanleiding heeft hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17 van de Dublinverordening. De minister moet de door eiser naar voren gebrachte omstandigheden al deels betrekken in het kader van de vraag of Frankrijk zijn internationale verplichtingen nakomt. De minister hoeft daarom die omstandigheden redelijkerwijs niet van betekenis te achten bij de beoordeling of zich bijzondere individuele omstandigheden voordoen in het kader van artikel 17 van de Dublinverordening. Dit volgt uit de uitspraken van de Afdeling van 14 augustus 2014, 25 februari 2025, en 26 maart 2026. Verder heeft eiser geen overige bijzondere, individuele omstandigheden naar voren gebracht die maken dat een overdracht leidt tot onevenredige hardheid.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister de asielaanvraag van eiser terecht niet in behandeling heeft genomen omdat Frankrijk daar verantwoordelijk voor is. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Brandwacht - Kampman, rechter, in aanwezigheid van J.M. van der Stouwe, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Asiel- en Migratiebeheerverordening. EU 2024/1351 en EU 2025/90929 rectificatie. Verordening (EU) nr. 604/2013. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het Hof van Justitie van de Europese Unie. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 4 november 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712. Verdrag betreffende de status van vluchtelingen. Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019 in de zaak C-163/17, ECLI:EU:C:2019:218. Asylum Information Database. ECLI:NL:RBDHA:2026:23149 Gepubliceerd in mei 2026. ECLI:NL:RVS:2026:4827. Pagina 130 van het AIDA-rapport over 2025 Pagina 19 en 68 van het AIDA-rapport over 2025 Pagina 75 van de Update 2024 en pagina 78 van het AIDA-rapport over 2025 Zie de uitspraak van de Afdeling van 20 augustus 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4827 Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 4 november 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712. Zie de uitspraak van de Afdeling van 11 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1642, r.o. 5.5. Zie de uitspraak van de Afdeling van 3 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3806, r.o. 1.1. Vgl. de uitspraken van de Afdeling van 21 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:816, van 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1863. Zoals dat luidde tot 12 juni 2026. ECLI:NL:RVS:2014:3164, rechtsoverweging (r.o.) 4. ECLI:NL:RVS:2025:717, r.o.7. ECLI:NL:RVS:2026:1667.