Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:24135

Op 26 August 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL26.21147, NL26.21149 en NL26.21151, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:24135. De plaats van zitting was Groningen.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL26.21147, NL26.21149 en NL26.21151
Datum uitspraak:
26 August 2026
Datum publicatie:
26 August 2026

Indicatie

Dublin, Frankrijk, eerst in beroep ingegaan op de zienswijze, artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a van de Awb, horen minderjarigen, interstatelijk vertrouwensbeginsel, AIDA-rapport uit 2026, arrest C.K., arrest Tarakhel, beroepen gegrond, instandlating rechtsgevolgen, veroordeling in de PKV.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: NL26.21147, NL26.21149 en NL26.21151

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[naam 1] , eiser,

geboren op [geboortedatum 1] ,

V-nummer: [nummer 1] ,

[naam 2] , eiseres 1

geboren op [geboortedatum 2] ,

V-nummer: [nummer 2]

mede namens haar minderjarige kind:

[naam 3] ,

geboren op [geboortedatum 3]

V-nummer: [nummer 3]

[naam 4] , eiseres 2,

geboren op [geboortedatum 4] ,

V-nummer: [nummer 4] ,

allen van Nigeriaanse nationaliteit,

hierna: eisers,

(gemachtigde: mr. C.K.E.E. Fischer-Fuhler),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. J.H.A. van Eijk).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen het niet in behandeling nemen van de aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvragen met de bestreden besluiten van 13 april 2026 niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvragen.

1.1.

De rechtbank heeft de beroepen op 21 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Overwegingen

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen van eisers. Zij doet dat, mede, aan de hand van de argumenten die eisers hebben aangevoerd, de beroepsgronden.

3. De rechtbank verklaart de beroepen gegrond, maar laat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand. Dat betekent dat de minister de asielaanvragen van eisers niet in behandeling hoeft te nemen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Toepasselijk recht en verantwoordelijkheid Frankrijk

4. De EU (Voetnoot 1) heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Met ingang van 12 juni 2026 gelden de regels die zijn neergelegd in Verordening (EU) 2024/1351 betreffende asiel- en migratiebeheer (AMbV).

4.1.

Welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat vóór 12 juni 2026 is geregistreerd, wordt bepaald volgens de in Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) vastgelegde criteria. (Voetnoot 2)

4.2.

Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. (Voetnoot 3) In dit geval heeft Nederland op 12 februari 2026 bij Frankrijk een verzoek om overname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek op 10 april 2026 aanvaard op grond van artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening.

Motivering bestreden besluit

5. Eisers stellen zich op het standpunt dat de door de minister genomen besluiten niet zijn toegespitst op de situatie van eisers en meer in het bijzonder de kinderen. Hiertoe is verwezen naar de zienswijze van 26 maart 2026, waarin de uitspraak van de ABRvS (Voetnoot 4) van 20 augustus 2025 (Voetnoot 5) is aangehaald.

5.1.

De rechtbank heeft de minister voor de zitting verzocht om (alsnog) schriftelijk te reageren op de zienswijze.

5.2.

Bij brief van 20 augustus 2026 heeft de minister bericht dat hij ervan uitgaat dat de betreffende beslismedewerker geen kennis heeft genomen van de ingediende zienswijze en dat er intern iets verkeerd moet zijn gegaan met de verwerking van het document. Vervolgens is alsnog ingegaan op de zienswijze.

5.3.

Gelet hierop is eerst in beroep ingegaan op de zienswijze. De rechtbank ziet hierin aanleiding de beroepen gegrond te verklaren en de bestreden besluiten te vernietigen wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb (Voetnoot 6).

6. De minister heeft de rechtbank verzocht om bij een gegrondverklaring van het beroep -met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb- de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. In dat kader zal de rechtbank de gronden van beroep, en de daarop (bij brief en ter zitting) gegeven reactie, bespreken.

Horen minderjarigen

7. Met betrekking tot het horen van de kinderen stelt de rechtbank voorop dat er een meerderjarige dochter en een minderjarige dochter (van 10) is. De meerderjarige dochter is gehoord en ten aanzien van haar is een afzonderlijk besluit genomen.

7.1.

De hiervoor onder 5. genoemde Afdelingsuitspraak van 20 augustus 2025 bespreekt de vraag of uit artikel 24 van het EU Handvest, gelezen in samenhang met artikel 3 en artikel 12 van het IVRK, een verplichting volgt voor de minister om begeleide vreemdelingen tussen de twaalf en vijftien jaar zonder zelfstandig asielmotief te horen in het kader van door hun ouders mede voor hen ingediende asielaanvragen en, zo ja, hoe ver die verplichting strekt. (Voetnoot 7) In het nadien uitgebrachte Informatiebericht 2025/38 is dit nader uitgewerkt.

7.2.

Uit de besluitvorming van de minister is niet af te leiden waarom de minister er in dit geval van heeft afgezien om de 10-jarige dochter in de gelegenheid te stellen om haar mening vrijelijk te uiten. (Voetnoot 8) Die afweging is nadien wel gegeven. De minister stelt zich, onder verwijzing naar uitspraken van deze rechtbank (Voetnoot 9), op het standpunt dat (in beginsel) niet wordt gehoord als het kinderen van jonger dan twaalf betreft. De rechtbank kan volgen dat daar in onderhavige procedure geen uitzondering op is gemaakt. Er zijn door de ouders en de gemachtigde van eisers geen omstandigheden ingebracht die de minister daartoe aanleiding hadden dienen te geven. Daarom kan hier worden volstaan met de mogelijkheid om een schriftelijke verklaring in te dienen, bijvoorbeeld als bijlage bij de zienswijze of de gronden van beroep. (Voetnoot 10)

7.3.

Hoewel hier niet expliciet door de minister om is verzocht, konden eisers, in reactie op het voornemen en de bestreden besluiten, een schriftelijke verklaring wel indienen. Dat is niet gebeurd. Wel is ter zitting naar voren gebracht dat de 10-jarige dochter al geruime tijd in Nederland verblijft en dat het terugsturen naar Frankrijk haar ontwikkeling kan schaden. Ook is aangevoerd dat zij gehecht is aan Nederland en hier een sociaal netwerk heeft opgebouwd. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze -niet met stukken onderbouwde- omstandigheden onvoldoende voor het oordeel dat de minister aanleiding had moeten zien om de asielaanvragen zelf te behandelen.

8. De rechtbank zal hierna de gezamenlijke beroepsgronden bespreken ter beoordeling of de conclusie van de minister om de asielaanvragen buiten behandeling te stellen in stand kan blijven.

Interstatelijk vertrouwensbeginsel

9. De minister heeft in de bestreden besluiten van 13 april 2026, onder verwijzing naar rechtspraak (Voetnoot 11), vermeld dat ten aanzien van Frankrijk wordt uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

9.1.

Eisers hebben in beroep verwezen naar het meest recente AIDA-rapport uit 2026 en daarbij onder meer bladzijden 108, 130 en 140 aangehaald.

9.2.

Eisers hebben met betrekking tot blz. 108 (opvolgende aanvragen) evenwel niet toegelicht waarom in hun situatie van een opvolgende aanvraag wordt uitgegaan (als beschreven op blz. 108). Verder bevat de door eisers genoemde blz. 140 over gezondheidszorg informatie die te herleiden is tot het AIDA-rapport uit 2020 (blz. 96). Met betrekking tot medische hulp ziet de rechtbank dan ook geen wijzigingen om anders te oordelen dan eerder is gedaan. (Voetnoot 12)

9.3.

Met betrekking tot de opvang is de door eisers aangehaalde passage op blz. 130 grotendeels gelijkluidend aan blz. 122 uit het AIDA-rapport uit 2024 en blz. 107 uit het AIDA-rapport uit 2022. Wel is vermeld dat de opvang van “asylum applicants under Dublin procedure” verder is gedaald (van 29.6% naar 20.2%). De minister heeft in dit kader ter zitting verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam (Voetnoot 13), waarin is overwogen dat het op de weg van eisers had gelegen om zich te wenden tot de Franse autoriteiten. In aanvulling daarop is ook middels een aantal stappen uitgelegd dat het percentage van 20.2% niet ziet op “Dublin returnees”. Daarbij gaat het om de volgende informatie:

Op blz. 130 is vermeld: “At the end of 2025, only 4,887 out of 24,174 asylum applicants under Dublin procedure this year were accommodated (20.2%).”

Dit getal komt als volgt terug op blz. 68: “In 2025, French authorities placed 24,174 persons under Dublin procedure (…)” en ziet op door Frankrijk zelf gelegde Dublinclaims;

Omdat “Dublin returnees” worden gezien als reguliere asielaanvragen vallen zij niet onder deze cijfers (de rechtbank leest op blz. 78: “Applications of persons returned to France under the Dublin III Regulation are treated in the same way as any other asylum applications.”).

Gelet hierop moet voor “Dublin returnees” worden gekeken naar de percentages op blz. 128.

De rechtbank ziet geen aanleiding deze uitleg niet te volgen en ziet ook overigens in de gepresenteerde cijfers geen wezenlijk ander beeld van de opvang van asielzoekers in Frankrijk dan volgt uit de landeninformatie die al eerder door de ABRvS is beoordeeld. (Voetnoot 14)

9.4.

Gelet op wat in voornoemde uitspraken is overwogen, en hetgeen eisers hebben aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding anders te oordelen over het interstatelijk vertrouwensbeginsel. (Voetnoot 15)

Arrest C.K.

10. Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel is het ook bij medische problemen aan de vreemdeling om te staven dat de voor zijn ernstige fysieke of mentale aandoening benodigde medische zorg in de verantwoordelijke lidstaat ontbreekt. (Voetnoot 16) Volgens voornoemd beginsel mag ervan worden uitgegaan dat asielzoekers in de lidstaten die gebonden zijn aan de Opvangrichtlijn (Voetnoot 17) passende medische zorg ontvangen. Dit betekent dat het aan de betrokken asielzoeker is om met medische stukken aan te tonen dat zijn overdracht een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn medische situatie inhoudt als bedoeld in het arrest C.K. (Voetnoot 18)

10.1.

Eiseres 1 heeft gewezen op een verwijzing voor traumabehandeling, waarvoor op 12 augustus 2026 een intake is gepland om te kijken of verdere diagnostiek en behandeling passend is, voordat eiseres op een wachtlijst wordt geplaatst. In een overgelegde brief is over deze verwijzing vermeld dat sprake is van aanhoudende klachten van vooral slecht slapen en nachtmerries en dat het door medicatie iets beter gaat. Verder is er op gewezen dat eiseres 1 bekend is met een HIV-infectie, waarvoor zij onder behandeling is.

10.2.

De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op zitting terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres 1 met de overgelegde medische gegevens niet aannemelijk heeft gemaakt dat de overdracht aan Frankrijk onomkeerbare gevolgen zal hebben voor haar gezondheidstoestand. (Voetnoot 19) Er is geen stuk ingebracht waarin een medisch deskundige een inschatting maakt van risico’s van overdracht van eiseres 1 aan Frankrijk en concludeert dat overdracht aan Frankrijk een reëel risico inhoudt op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestand van eiseres 1. (Voetnoot 20)

Arrest Tarakhel

11. Indien sprake is van een bijzonder kwetsbaar persoon in de zin van het arrest Tarakhel (Voetnoot 21) kan dit ertoe leiden dat voorafgaand aan de overdracht aanvullende garanties van de verantwoordelijke lidstaat moeten worden verkregen. De betrokken personen dienen aannemelijk te maken dat sprake is van bijzondere kwetsbaarheid en dat zonder deze garanties geen passende zorg- en opvangvoorzieningen beschikbaar zullen zijn. (Voetnoot 22) Of sprake is van bijzondere kwetsbaarheid hangt af van de individuele omstandigheden van het geval, waarbij onder meer de leeftijd, het geslacht en de gezondheidstoestand van de betrokken persoon van belang kunnen zijn. (Voetnoot 23) De minister heeft ter zitting naar voren gebracht dat eisers niet hebben aangetoond dat zij zonder garanties geen adequate zorg- en opvangvoorzieningen zullen kunnen krijgen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, en eisers hebben ingebracht, ziet de rechtbank geen grond om te oordelen dat eisers dit wel aannemelijk hebben gemaakt. (Voetnoot 24)

Conclusie en gevolgen

12. De beroepen zijn gegrond, maar de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten blijven in stand. Dat betekent dat de minister de asielaanvragen van eisers niet in behandeling hoeft te nemen.

12.1.

Vanwege de vernietiging van de bestreden besluiten ziet de rechtbank aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bbp (Voetnoot 25) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

verklaart de beroepen gegrond;

vernietigt de bestreden besluiten;

bepaalt dat de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten geheel in stand blijven;

veroordeelt de minister in de proceskosten tot een bedrag van € 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoot

Voetnoot 1

Europese Unie.

Voetnoot 2

Artikel 84 lid 2 van de AMbV (overgangsmaatregelen).

Voetnoot 3

Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

Voetnoot 4

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Voetnoot 5

ABRvS 20 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3899, r.o. 7 e.v.

Voetnoot 6

Algemene wet bestuursrecht.

Voetnoot 7

Zie overweging 1 van die uitspraak.

Voetnoot 8

Vgl. ABRvS 20 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3901, r.o. 6.3.

Voetnoot 9

Uitspraken van 27 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:22577, r.o. 12, en 18 maart 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:21283, r.o. 6.

Voetnoot 10

Vgl. ABRvS 9 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5948.

Voetnoot 11

o.a. ABRvS 31 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3623.

Voetnoot 12

Zie b.v. de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 21 oktober 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:19449, r.o. 6.2.

Voetnoot 13

Rb Den Haag, zp Amsterdam, 13 juli 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:19368.

Voetnoot 14

Vgl. ABRvS 20 augustus 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4827.

Voetnoot 15

Vgl. de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 8 juli 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:18721.

Voetnoot 16

ABRvS 3 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2986, r.o. 6.

Voetnoot 17

Richtlijn (EU) 2024/1346, ter wijziging van Richtlijn 2013/33/EU. Zie meer in het bijzonder artikel 22 over gezondheidzorg (voorheen artikel 19).

Voetnoot 18

ABRvS 16 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1190.

Voetnoot 19

Vgl. ABRvS 26 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1103.

Voetnoot 20

Vgl. ABRvS 22 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2845.

Voetnoot 21

EHRM 4 november 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712.

Voetnoot 22

ABRvS 11 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1642, r.o. 5.5.

Voetnoot 23

ABRvS 3 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3806, r.o. 1.1.

Voetnoot 24

Vgl. de uitspraak van 27 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:11827, r.o. 9.4 t/m 9.6 (hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2025:1912) en de uitspraak van de ABRvS van 21 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:816, en de uitspraak van de ABRvS van 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1863.

Voetnoot 25

Besluit proceskosten bestuursrecht.