Vreemdelingenrecht
Vreemdelingenbewaring. Rechtmatigheid, gronden maatregel, lichter middel, medische omstandigheden…
Rechtbank Den Haag, 12 oktober 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:31548 · Rechtbank Den Haag · 12 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-31548
Zaakgegevens
Op 12 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Datum uitspraak
- 12 oktober 2026
- Datum publicatie
- 26 oktober 2026
- Zaaknummer
- NL26.57848
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:31548
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vreemdelingenbewaring. Rechtmatigheid, gronden maatregel, lichter middel, medische omstandigheden, voortvarend handelen, ambtshalve toetsing. Ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.57848
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 oktober 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
(gemachtigde: mr. M.B.J. Strooij),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 28 september 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 6 oktober 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Is de maatregel rechtmatig?
3. Eiser voert aan dat er twee versies van de maatregel van vreemdelingenbewaring in het dossier staan, die zijn opgelegd op een ander tijdstip. Het is niet duidelijk welke versie van de maatregel aan eiser rechtsgeldig is opgelegd en uitgereikt. Hierdoor is niet controleerbaar vanaf welk moment eiser rechtmatig in vreemdelingenbewaring is gesteld. Er is sprake van een gebrek. Omdat sprake is van een vrijheidsontnemende maatregel, rust op de minister een verzwaarde administratie- en verantwoordelijkheidsplicht.
De rechtbank stelt vast dat in het rechtbankdossier twee versies van de maatregel van vreemdelingenbewaring (M109-A) staan. In één versie (versie 1) staat dat deze op 28 september 2026 om 19:57 uur is opgelegd. In de andere versie (versie 2) staat dat deze ook op 28 september 2026 is opgelegd, maar om 20:02 uur. De inhoud van deze maatregelen zijn verder identiek. Dat is door eiser ook niet betwist.
Aan het rechtbankdossier is een proces-verbaal van bevindingen (HV11) van
4 oktober 2026 toegevoegd. Hierin staat dat de verbalisant, die dit proces-verbaal heeft opgesteld, op 2 oktober 2026 een bericht kreeg van de afdeling Juridische Zaken van de IND, dat er in het Centrale Digitale Dossier van de Basisvoorziening Vreemdelingen (BVV) een tweede, inhoudelijk identieke, maatregel geregistreerd stond, met een ander tijdstip van oplegging. Naar aanleiding hiervan heeft de verbalisant onderzoek ingesteld. In het systeem Handhaving Vreemdelingen zag de verbalisant vervolgens dat slechts één maatregel geregistreerd stond, te weten de maatregel die om 20:02 uur is opgelegd (versie 2). De verbalisant zag dat er om 19:54 uur een ondertekening had plaatsgevonden, kennelijk behorende bij de maatregel van 19:57 uur (versie 1). Deze actie is gedeeld met de BVV, maar vervolgens is de verzending van deze maatregel (versie 1) om 19:59 uur geannuleerd. Deze annulering vond niet plaats als gevolg van het handelen van de verbalisant. Om 19:59 uur heeft er opnieuw een ondertekening plaatsgevonden. Het zou technisch niet mogelijk moeten zijn om een ondertekening nadien te annuleren of om twee maatregelen aan te maken binnen één proces van inbewaringstelling, aldus de verbalisant. Dit is kennelijk wel gebeurd, maar buiten de wil en wetenschap van de verbalisant om. De verbalisant stelt dat de maatregel van 20:02 uur (versie 2) is uitgereikt aan eiser. Dit heeft de verbalisant namelijk nog gecontroleerd.
De rechtbank heeft geen aanleiding om aan de inhoud van dit op ambtseed opgemaakte proces-verbaal te twijfelen. De enkele stelling van eiser dat uit de stukken niet blijkt welke versie van de maatregel aan eiser is uitgereikt, is daartoe onvoldoende. Uit het proces-verbaal volgt naar het oordeel van de rechtbank duidelijk dat sprake was van een technisch mankement en dat de maatregel van 20:02 uur (versie 2) aan eiser is uitgereikt. Dit betekent dat aan de maatregel van vreemdelingenbewaring geen gebrek kleeft. De beroepsgrond slaagt niet.
Kunnen de gronden de maatregel van vreemdelingenbewaring dragen?
4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening en een onderduikrisico bestaat.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) heeft gehouden;
q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Eiser heeft grond k betwist. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister deze grond k terecht tegengeworpen, omdat deze feitelijk juist is. Zoals de minister terecht stelt, is de asielaanvraag van eiser met het besluit van 30 april 2026 niet in behandeling genomen. Dit besluit geldt tevens als overdrachtsbesluit. Eiser verleent geen medewerking aan de uitvoering van dit overdrachtsbesluit, omdat hij op 10 april 2026 met onbekende bestemming is vertrokken. Eisers betoog, dat hij tijdens het gehoor voorafgaande aan de inbewaringstelling en tijdens het vertrekgesprek op 2 oktober 2026 heeft aangegeven mee te willen werken aan de overdracht, maakt dit niet anders. Ook is grond a feitelijk juist. Duitsland is verantwoordelijk voor eisers asielaanvraag. Nu eiser zich niet in Duitsland beschikbaar heeft gehouden voor de beoordeling van zijn aanvraag, heeft hij zich zonder toestemming tussen de lidstaten bewogen.
Voor gronden a en k geldt dat geen toelichting van het onderduikrisico is vereist. Deze gronden zijn voldoende om de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw 2000 te kunnen dragen.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
5. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel dan de maatregel van vreemdelingenbewaring. Er blijkt onvoldoende dat sprake is van een onttrekkingsrisico. De minister motiveert dit aan de hand van eisers historie, zoals dat hij eerder (op 10 april 2026) met onbekende bestemming is vertrokken. Eiser heeft echter tijdens het gehoor voorafgaande aan de inbewaringstelling en tijdens het vertrekgesprek op 2 oktober 2026 aangegeven mee te willen werken aan de overdracht naar Duitsland. Dit is onvoldoende door de minister meegewogen.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in de maatregel voldoende gemotiveerd waarom vreemdelingenbewaring noodzakelijk is en waarom niet met een minder dwingende maatregel kon worden volstaan. Het is vaste rechtspraak dat de minister bij de motivering van het lichter middel in beginsel mag volstaan met een verwijzing naar de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd. Uit de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden volgt dat sprake is van een onderduikrisico. Zoals onder 4.3 overwogen, zijn er voldoende gronden die de maatregel van vreemdelingenbewaring kunnen dragen. Daarnaast heeft de minister in de maatregel betrokken dat eiser vijf keer eerder met onbekende bestemming is vertrokken. Ook is hij tijdens zijn laatste asielprocedure in Nederland niet verschenen bij de IND om zijn zienswijze te geven. Bovendien is eiser pas weer in beeld gekomen bij de minister toen hij in strafrechtelijke detentie zat. Dat eiser tijdens het gehoor een het vertrekgesprek op 2 oktober 2026 heeft aangegeven inmiddels mee te willen werken aan de overdracht naar Duitsland, doet gelet op deze feiten niet af aan het onttrekkingsrisico. De minister was in dit geval niet gehouden om een lichter middel op te leggen. De beroepsgrond slaagt niet.
Zijn eisers medische omstandigheden voldoende meegewogen?
6. Eiser voert aan dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn medische en psychische omstandigheden. Eiser heeft tijdens het gehoor voorafgaande aan de inbewaringstelling verklaard depressief te zijn en psychische problematiek te hebben. Ook heeft hij aangegeven verslaafd te zijn en niet tegen gesloten ruimtes te kunnen. Dit is door de minister onvoldoende meegewogen.
Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken van omstandigheden die detentie onredelijk bezwarend maken voor eiser. De minister heeft eisers medische omstandigheden voldoende meegenomen. Zo is in de maatregel toegelicht dat eiser tijdens het gehoor heeft verklaard medicatie te gebruiken, maar dat hij deze sinds juli/augustus van dit jaar niet meer gebruikt, waardoor niet gesproken kan worden van medische urgentie. Eiser is tijdens strafrechtelijke detentie (voorafgaande aan het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring) meermaals bezocht door een GGD-arts. Eiser weigerde echter contact met deze artsen. Ook heeft eiser toen aangegeven dat hij lyrica, pantaprezol en diazepam gebruikt. De artsen hebben echter vooralsnog geen aanleiding gezien om deze medicijnen te verstrekken. Tot slot is in de maatregel opgenomen dat de medische zorg in het detentiecentrum gelijkwaardig is aan de medische zorg in de vrije maatschappij.
Gelet op het voorgaande, heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van de situatie dat hij detentieongeschikt is, dan wel dat de zorg in het detentiecentrum in zijn geval ontoereikend is. De beroepsgrond slaagt niet.
Eiser heeft tijdens de zitting aangegeven dat hij niet tevreden is met de medische zorg die hem binnen het detentiecentrum wordt geboden. De rechtbank merkt daarover op dat eiser hierover een klacht kan indienen bij de directeur van het detentiecentrum.
Werkt de minister voldoende voortvarend aan eisers overdracht?
7. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan eisers overdracht. Er is een overdracht gepland op 9 oktober 2026, terwijl eiser al sinds
28 september 2026 in vreemdelingenbewaring zit.
De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om te oordelen dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de overdracht. Er heeft op
2 oktober 2026 een vertrekgesprek plaatsgevonden en op diezelfde datum is ook de kennisgeving verzonden over de voorgenomen overdracht op 9 oktober 2026. Dit was op de vijfde dag van de inbewaringstelling. Dit acht de rechtbank voldoende voortvarend. De minister heeft er in dit kader terecht op gewezen dat zij voor de geplande overdracht afhankelijk zijn van zowel de beschikbaarheid van de Nederlandse autoriteiten, als de Duitse. Dit kan enige dagen in beslag nemen. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
8. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.M. van Kouwen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.