Vreemdelingenrecht

Vreemdelingenbewaring. Verlengingsbesluit, gronden maatregel, lichter middel, zicht op uitzetting, ambtshalve…

Rechtbank Den Haag, 12 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 12 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Arnhem
Datum uitspraak
12 oktober 2026
Datum publicatie
26 oktober 2026
Zaaknummer
NL26.57831
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:31547
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vreemdelingenbewaring. Verlengingsbesluit, gronden maatregel, lichter middel, zicht op uitzetting, ambtshalve toetsing. Ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.57831


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 oktober 2026 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [x] , eiser

(gemachtigde: mr. H. Loth),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 28 september 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

2.1.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep op 6 oktober 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Kan de maatregel tevens worden aangemerkt als een verlengingsbesluit?

3. Eiser voert aan dat ten onrechte geen verlengingsbesluit is genomen.

3.1.

Uit het arrest Aroja volgt onder meer, en voor zover hier van belang, dat de maximale duur van bewaring ter uitvoering van één en hetzelfde terugkeerbesluit in zijn totaliteit niet meer dan achttien maanden mag bedragen. Daarbij moeten alle afzonderlijke periodes van bewaring die in het kader van datzelfde terugkeerbesluit zijn opgelegd, bij elkaar worden opgeteld.

3.2.

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser in het verleden meermaals in vreemdelingenbewaring heeft gezeten in Nederland en dat de toegestane zes maanden (180 dagen) al voor het opleggen van de huidige maatregel waren verstreken, ter uitvoering van hetzelfde terugkeerbesluit (van 23 april 2013). De vraag is of de huidige maatregel tevens kan worden aangemerkt als een verlengingsbesluit.

3.3.

In artikel 59, vijfde lid, van de Vw 2000 is bepaald dat de bewaring (in beginsel) niet langer duurt dan zes maanden. In artikel 59, zesde lid, van de Vw 2000 is vervolgens bepaald dat die bewaring ten hoogste met nog eens twaalf maanden kan worden verlengd indien de uitzetting, alle redelijke inspanningen ten spijt, wellicht meer tijd zal vergen, op grond dat de vreemdeling niet meewerkt aan zijn uitzetting of de daartoe benodigde documentatie uit derde landen nog ontbreekt.

3.4.

In de maatregel staat onder het kopje ‘Verlengingsbesluit’ het volgende vermeld:

“Door de vreemdeling zijn geen omstandigheden aangevoerd die zouden moeten leiden tot het afzien van opleggen van het verlengingsbesluit. De DTenV is nog in afwachting van vervangende reisdocumentatie ten behoeve van uw verwijdering.”

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister met bovenstaande toelichting (dat de DTenV in afwachting is van vervangende reisdocumentatie) voldoende gemotiveerd dat aan de voorwaarden voor de verlenging is voldaan. Daarnaast heeft de minister in de maatregel afdoende gemotiveerd dat er nog voldoende gronden voor de vreemdelingenbewaring zijn, dat de vreemdelingenbewaring voor eiser niet onevenredig bezwarend is en dat er zicht op uitzetting bestaat. Hiermee wordt voldaan aan alle uit de Terugkeerrichtlijn en het arrest Mahdi voortvloeiende vereisten voor het nemen van een verlengingsbesluit. Eisers betoog – dat onvoldoende duidelijk is welke uitzettingshandelingen nog moeten worden verricht en dat niet duidelijk is dat de uitzetting op korte termijn zal plaatsvinden – slaagt niet. In het verslag van het vertrekgesprek van 2 oktober 2026 is opgenomen dat de minister in afwachting is van de afgifte van een laissez-passer (nu eisers nationaliteit is bevestigd) en dat daarna een vlucht zal worden geboekt naar Somalië. Op zitting heeft de minister toegelicht dat deze vlucht waarschijnlijk deze maand al kan plaatsvinden.

3.5.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van vreemdelingenbewaring tevens kan worden aangemerkt als een verlengingsbesluit. De beroepsgrond slaagt niet.

Kunnen de gronden de maatregel van vreemdelingenbewaring dragen?

4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd, omdat het onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.

In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
g. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van de Vw 2000 dan wel toepassing is gegeven aan artikel 67a van de Wet, of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van die wet;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

4.1.

De rechtbank stelt vast dat de minister tijdens de zitting grond g heeft laten vallen.

4.2.

Eiser heeft gronden a en c betwist. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister grond c terecht tegengeworpen, omdat deze feitelijk juist is. Eiser heeft zijn identiteit en nationaliteit namelijk niet met officiële documenten aangetoond en heeft tijdens het gehoor verklaard zich hiertoe niet te hebben ingespannen. Dat – zoals eiser betoogt – zijn nationaliteit inmiddels is bevestigd door de Somalische autoriteiten, maakt dit niet anders. Eiser heeft immers nog steeds geen document overgelegd ter staving van zijn identiteit. Ook is grond r feitelijk juist, omdat eiser niet op een gesteld adres staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP). Uit vaste rechtspraak volgt dat slechts sprake is van een vaste woon- of verblijfplaats als de vreemdeling op een gesteld adres is ingeschreven in de BRP. Daarnaast heeft de minister bij deze grond voldoende gemotiveerd waarom hieruit een onderduikrisico voortvloeit, door te stellen dat eiser hierdoor niet beschikbaar is voor de verwijderingsprocedure.

4.3.

Gronden c en r zijn voldoende om de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 te kunnen dragen. Wat eiser tegen de overige gronden heeft aangevoerd kan daar niet aan afdoen en behoeft daarom geen bespreking.

Had moeten worden volstaan met een lichter middel?

5. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met een lichter middel. De motivering is te algemeen geformuleerd en niet toegespitst op eisers situatie. Zo heeft eiser tijdens het gehoor verklaard een zus te hebben die in Nederland woont. Hier is de minister onvoldoende op ingegaan.

5.1.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in de maatregel voldoende gemotiveerd waarom vreemdelingenbewaring noodzakelijk is en waarom niet met een minder dwingende maatregel kon worden volstaan. Het is vaste rechtspraak dat de minister bij de motivering van het lichter middel in beginsel mag volstaan met een verwijzing naar de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd. Uit de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden volgt dat sprake is van een onderduikrisico. Zoals onder 4.3 overwogen, zijn er voldoende gronden die de maatregel van vreemdelingenbewaring kunnen dragen. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat in de maatregel voldoende is betrokken dat eiser een zus heeft die rechtmatig verblijf heeft in Nederland. In de maatregel is opgenomen dat tijdens het gehoor niet is gebleken van een bijzondere afhankelijkheidsrelatie die de gebruikelijke banden tussen familieleden overstijgt. Bovendien heeft eiser de familierechtelijke relatie op geen enkele manier onderbouwd. De minister was in dit geval niet gehouden om een lichter middel op te leggen. De beroepsgrond slaagt niet.

Ontbreekt het zicht op uitzetting?

6. Eiser betoogt dat uit de maatregel niet blijkt dat een actuele beoordeling van een mogelijke schending van het beginsel van non-refoulement is gemaakt door de minister, terwijl dat wel noodzakelijk is, en heeft daarbij verwezen naar het arrest Adrar van het Hof van Justitie van 4 september 2025. Ook is niet zorgvuldig gekeken naar eisers individuele omstandigheden. Eiser is namelijk verwesterd en heeft geen netwerk in Somalië. Daarnaast ontbreekt actuele landeninformatie.

6.1.

De rechtbank begrijpt het betoog van eiser zo, dat hij zich primair op het standpunt stelt dat de minister in de maatregel een onvoldoende zorgvuldige refoulementbeoordeling heeft gemaakt. Subsidiair stelt eiser dat, indien de rechtbank tot het oordeel komt dat de refoulementbeoordeling voldoende zorgvuldig is geweest, hetgeen hij tijdens de zitting heeft gesteld, moet leiden tot het oordeel dat het verbod van non-refoulement zich alsnog tegen de uitzetting verzet.

6.2.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bij uitspraak van 12 februari 2026 verduidelijkt wat de gevolgen van het arrest Adrar zijn voor de nationale rechter die de rechtmatigheid van de bewaring van een vreemdeling met het oog op diens uitzetting moet toetsen. Uit deze uitspraak volgt onder meer dat, als een vreemdeling eerder een asielprocedure heeft doorlopen en de minister besluit om deze vreemdeling op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring te stellen, de minister in de maatregel van bewaring moet motiveren dat en waarom hij van oordeel is dat wat een vreemdeling tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft aangevoerd geen gewijzigde omstandigheden of nieuwe elementen zijn, zodat er geen zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat een vreemdeling in zijn of haar land van bestemming een reëel risico zal lopen op een behandeling verboden door artikel 4 en artikel 19, tweede lid, van het EU Handvest.

6.3.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het gehoor dat concrete vragen zijn gesteld die zien op het zicht op uitzetting. Aan eiser is namelijk gevraagd of, na het besluit van 5 september 2024 (waarmee zijn asielaanvraag is afgewezen als kennelijk ongegrond), er iets veranderd is aan zijn situatie. Hierop heeft eiser geantwoord dat dit niet het geval is. Ook volgt uit zowel het gehoor als uit de maatregel dat contact is opgenomen met de IND voor een refoulementbeoordeling. Uit deze refoulement-toets is niet gebleken dat er zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat eiser bij terugkeer naar Somalië een reëel risico loopt. Hiermee heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank in de maatregel van vreemdelingenbewaring een voldoende beoordeling van het beginsel van non-refoulement gemaakt.

6.4.

Wat betreft eisers betoog dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar actuele landeninformatie, omdat het meest recente EUAA-rapport over Somalië bijvoorbeeld niet kenbaar is betrokken (de rechtbank begrijpt dat eiser hiermee stelt dat de veiligheidssituatie in Somalië is veranderd) en dat eiser geen netwerk heeft in Somalië, overweegt de rechtbank als volgt.

6.5.

De rechtbank stelt vast dat met het besluit van 5 september 2024 de algehele veiligheidssituatie in Mogadishu is beoordeeld. De rechtbank heeft destijds ook geoordeeld dat de veiligheidssituatie in Mogadishu niet zodanig is dat sprake is van een uitzonderlijke situatie, bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij door individuele elementen een verhoogd risico loopt op ernstige schade.

6.6.

Het landenbeleid zoals dit thans voor Mogadishu geldt, is in overeenstemming met de reeds verrichte beoordeling. Hierin neemt de minister namelijk aan dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Dit betekent dat eiser op grond van individuele omstandigheden en zijn persoonlijke omstandigheden aannemelijk moet maken dat hij een risico loopt op ernstige schade. Uit het gehoor of hetgeen tijdens de zitting naar voren is gebracht, blijkt niet dat de persoonlijke omstandigheden zijn gewijzigd. Daarbij wijst de rechtbank erop dat eiser ook tijdens de vorige procedure erop heeft gewezen dat hij geen netwerk heeft in Somalië en verwesterd is. Voor zover eiser met de verwijzing naar het EUAA-rapport heeft beoogd te betogen dat de veiligheidssituatie inmiddels is verslechterd volgt de rechtbank dit niet. De rechtbank verwijst naar haar uitspraken van 22 mei 2026 en 8 september 2026, waarin is geoordeeld dat uit de meest recente EUAA-rapporten (van oktober 2025 en mei 2026) blijkt dat (nog steeds) sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Mogadishu.

6.7.

Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat het zicht op uitzetting niet ontbreekt. De beroepsgrond slaagt niet.

De ambtshalve toetsing

7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.M. van Kouwen, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000. Hof van Justitie 5 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:148. Dienst Terugkeer en Vertrek. Hof van Justitie 5 juni 2014, ECLI:EU:C:2014:1320. ABRvS 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4460. Zie bijvoorbeeld ABRvS 29 december 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BG9512. ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829. ABRvS 25 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1205. ECLI:EU:C:2025:647. ECLI:EU:C:2025:647 r.o. 7.6. European Union Agency for Asylum. Rb. Den Haag, zp. Arnhem 5 december 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:20957. ECLI:NL:RBDHA:2026:13494. ECLI:NL:RBDHA:2026:26220. Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.