Vreemdelingenrecht

Artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Gemachtigde van eiser heeft schriftelijk beroepsgronden…

Rechtbank Den Haag, 29 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 29 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Roermond
Datum uitspraak
29 oktober 2026
Datum publicatie
29 oktober 2026
Zaaknummer
NL26.63284
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:31777
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.

Gemachtigde van eiser heeft schriftelijk beroepsgronden ingediend waarbij gebruik is gemaakt van AI.

Om die reden en omdat het een omvangrijk stuk betreft (16 pagina’s) waar verweerder pas tijdens de zitting kennis van heeft kunnen nemen, zal de rechtbank de bespreking van het beroep beperken tot de vijf hoofdgronden zoals die ook tijdens de zitting zijn benoemd en toegelicht. De rechtbank merkt hierbij op dat AI vooral het juridisch kader heeft benoemd en dat het beroepschrift weliswaar omvangrijk maakt maar dat het toetsingskader verder niet in geschil is.

Het rechtsmiddel tegen het asielbesluit is buiten de termijn om opschortende werking te verkrijgen ingediend. Eiser valt onder de werkingssfeer van richtlijn 2008/115 en heeft op dit moment ook geen procedureel rechtmatig verblijf. Verweerder is verplicht om eiser te verwijderen en is, op dit moment, ook bevoegd om dat te doen. Dit betekent dat verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw mocht opleggen.

Beroep ongegrond. Verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.63284


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] (V-nummer: [V-nummer] ), eiser

(gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. R.P.G. van Bel).

Procesverloop

1. Met het bestreden besluit van 19 oktober 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

1.1.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

1.2.

De rechtbank heeft het beroep op 27 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

2. Eiser heeft op 24 oktober 2023 voor het eerst asiel aangevraagd in Nederland en die aanvraag is afgewezen bij besluit van 7 juli 2025. Dit besluit omvat een terugkeerbesluit. Op 10 juni 2026 heeft de rechtbank het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard. Op 17 juli 2026 is het hoger beroep ongegrond verklaard. Eiser heeft op 28 juli 2026 een herhaalde asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 3 augustus 2026 is deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard en daarbij is verwezen naar het eerder opgelegde terugkeerbesluit. Op 13 augustus 2026 is aan eiser een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd, als bedoeld in artikel 56, eerste lid van de Vw. Eiser heeft op 20 augustus 2026 beroep ingesteld tegen het besluit van 3 augustus 2026 en heeft verzocht om een voorlopige voorziening.

3. Verweerder heeft vervolgens op 19 oktober 2026 aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat een onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.

4. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;
j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

Het beroepschrift

5. De gemachtigde van eiser heeft kort voor de zitting schriftelijk beroepsgronden ingediend en heeft daarbij, naar eigen zeggen, gebruik gemaakt van Artificial Intelligence (AI). Om die reden en omdat het een omvangrijk stuk betreft (16 pagina’s) waar verweerder pas tijdens de zitting kennis van heeft kunnen nemen, zal de rechtbank de bespreking van het beroep beperken tot de vijf hoofdgronden zoals die ook tijdens de zitting zijn benoemd en toegelicht. De rechtbank merkt hierbij op dat AI vooral het juridisch kader heeft benoemd en dat het beroepschrift weliswaar omvangrijk maakt maar dat het toetsingskader verder niet in geschil is.

De gronden van de maatregel

6. Eiser stelt zich op het standpunt dat het onderduikrisico niet individueel is gemotiveerd en dat de maatregel feitelijke onjuistheden en standaardteksten bevat. Eiser bestrijdt de gronden a, p, q, r en s.

7. De rechtbank stelt vast dat eiser de tegengeworpen gronden b, c, h en j niet heeft bestreden. Ook de rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist zijn en terecht aan de maatregel van vreemdelingenbewaring ten grondslag zijn gelegd. Deze gronden samen kunnen, mede gelet op de toelichting daarbij, de maatregel al dragen, omdat daaruit het onderduikrisico voortvloeit. Aan een bespreking van de overige gronden komt de rechtbank daarom niet meer toe.

8. De rechtbank volgt eiser niet in het standpunt dat in de maatregel een individuele beoordeling ontbreekt en dat de maatregel daarom onrechtmatig is. De feitelijke juistheid van de gronden b, c, h en j is door eiser niet betwist. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat de toelichting bij deze gronden in de maatregel ook niet enkel uit standaardtekstblokken, maar ook uit persoonlijke informatie van eiser. Bovendien staat de terugkeerverplichting die eiser heeft op grond van het asielbesluit van 7 juli 2025 inmiddels in rechte vast. Naar het oordeel van de rechtbank kan daar geen onduidelijkheid over bestaan. Dat het asielbesluit van 3 augustus 2026 (waarin wordt verwezen naar de eerder opgelegde terugkeerverplichting) nog niet in rechte vaststaat, leidt niet tot een ander oordeel. Eiser valt dus onder de werkingssfeer van richtlijn 2008/115 en moet, behoudens indien sprake is van opschortende werking van het terugkeerbesluit, terugkeren naar zijn land van herkomst.

Lichter middel & belangenafweging

9. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder het lichter middel heeft getoetst aan de onjuiste maatstaf van zelfstandig vertrek en niet heeft onderzocht of een lichter middel de beschikbaarheid van eiser voor de uitzetting voldoende waarborgt. Bovendien heeft verweerder geen bijzondere aandacht besteed aan de psychische toestand van eiser. Bij afweging van alle betrokken belangen is de maatregel van vreemdelingenbewaring niet gerechtvaardigd. Eiser heeft tijdens de zitting toegelicht dat hij het mentaal zwaar heeft in detentie en dat hij nooit de intentie heeft gehad om te vluchten. Hij heeft meegewerkt met de IND en hij heeft nooit een meldplicht gemist. Hij hoopt dat hij zal worden vrijgelaten en wil graag contact opnemen met zijn zoon in Egypte.

10. De rechtbank oordeelt hierover als volgt. De grond van eiser dat verweerder een verkeerde maatstaf hanteert slaagt niet. Eiser heeft een vertrekplicht en als hij hieraan niet voldoet moet verweerder eiser verwijderen. Verweerder mag eiser met dit doel alleen in bewaring stellen als de maatregel noodzakelijk, proportioneel en evenredig is. De noodzaak kan ontbreken als met een lichter middel ook het feitelijke vertrek kan worden voorbereid en uitgevoerd. Eiser is met die reden en bij wijze van lichter middel in de VBL geplaatst. Eiser was dus op dat moment ook verplicht om vanuit de VBL aan zijn vertrek te werken. Eiser heeft hiertoe echter geen inspanningen geleverd. Vanzelfsprekend mag eiser ook een opvolgende asielaanvraag indienen. Als die aanvraag wordt afgewezen en dat besluit is door de rechter gecontroleerd en eiser verricht dan wederom geen inspanningen om te vertrekken, mag verweerder dus concluderen dat oplegging van de maatregel noodzakelijk is omdat een lichter middel niet tot vertrek heeft geleid en eiser ook niet aannemelijk maakt dat dit nu anders zal zijn. In tegendeel, eiser volhardt, ook ter zitting, in zijn standpunt dat hij niet kan en daarom niet zal terugkeren naar zijn land van herkomst. Anders dan eiser stelt, is het de maatstaf dus niet of eiser zich beschikbaar houdt voor de verwijdering maar of eiser zonder oplegging van de maatregel ook zal vertrekken. Anders dan eiser stelt blijkt uit het onttrekkingsrisico bovendien dat verweerder ook ten aanzien van eiser niet hoeft uit te gaan van het beschikbaar zijn ter fine van verwijdering.

Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregel dan de inbewaringstelling doeltreffend kan worden toegepast. Voorop staat daarbij dat uit de gronden b, c, h en j die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd en de toelichting hierop het onderduikrisico volgt. Verweerder heeft bij zijn beoordeling ook mogen betrekken dat minder dwingende maatregelen zoals een meldplicht, het voeren van vertrekgesprekken en oplegging van een artikel 56 Vw-maatregel niet hebben geleid tot het (zelfstandig) vertrek van eiser. Eiser heeft ook aangegeven dat hij niet wil terugkeren naar Egypte. Verder heeft verweerder bij zijn besluitvorming de medische (psychische) omstandigheden van eiser voldoende betrokken. Eiser heeft tijdens het bewaringsgehoor verklaard dat hij psychisch ziek is en last heeft van spanning en hartkloppingen. Aan eiser is medegedeeld dat, als hij in bewaring wordt gesteld, hij een intake zal krijgen bij de medische dienst en dat hij daar gedurende zijn verblijf in detentie terecht kan voor medische klachten. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat er voldoende aandacht is geweest voor zijn medische situatie. Niet is gebleken vervolgens dat eiser in het detentiecentrum niet de zorg krijgt die hij nodig heeft of dat de detentie voor hem onevenredig bezwarend is. Verder is daarbij van belang dat de medische zorg die in het detentiecentrum beschikbaar is gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Eiser kan klagen bij het detentiecentrum als hij in het detentiecentrum problemen ervaart of vindt dat hij daar niet de juiste zorg krijgt. Dat eiser mentale problemen ervaart betekent niet dat het alleen al daarom voor hem onevenredig bezwarend is om in detentie te verblijven of aanleiding hadden moeten zijn voor toepassing van een lichter middel. Er zijn tot slot geen andere feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die aanleiding hadden moeten zijn voor een lichter middel dan bewaring. Verweerder heeft al deze omstandigheden meegewogen en de stelling van eiser dat verweerder het lichter middel heeft getoetst aan de onjuiste maatstaf, volgt de rechtbank dan ook niet.

Non-refoulement toets

11. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder zijn verklaringen tijdens de lopende beroepsprocedure onvoldoende heeft betrokken bij de toetsing aan het non-refoulementbeginsel.

12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het (actuele) risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM in de maatregel voldoende betrokken. Dat is gedaan op pagina 8 en pagina 9. Ook is hier al aan getoetst in de asielbesluiten van 7 juli 2025 en 3 augustus 2026. Tijdens de zitting heeft de rechtbank expliciet gevraagd of er nieuwe, actuele informatie is sinds de uitspraak in hoger beroep van 17 juli 2026, waarbij het besluit van 7 juli 2025 in rechte is komen vast te staan. Eiser heeft echter geen risico’s dan wel feiten of omstandigheden aangedragen of concreet gemaakt waaruit volgt dat de situatie nu anders is dan zoals die eerder is beoordeeld. De rechtbank overweegt dan ook dat, nu er niets nieuws is gesteld of gebleken ten opzichte van de eerdere asielprocedures daarover, er geen aanleiding bestond voor een actuele(re) beoordeling van het refoulementrisico in de bewaringsmaatregel dan wel voor het oordeel dat een refoulement-risico in eisers geval aan de maatregel in de weg staat.

Zicht op uitzetting

13. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij tijdig beroep en een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening heeft ingediend tegen het asielbesluit van 3 augustus 2026 en dat hij niet mag worden uitgezet zolang daarop nog niet is beslist. Volgens eiser heeft verweerder dit ten onrechte niet onderkend en heeft de bewaring opgelegd met het oog op een uitzetting die niet mag plaatsvinden. De maatregel van vreemdelingenbewaring mist zicht op uitzetting en is onevenredig.

14. De rechtbank overweegt dat de beoordeling of al dan niet tijdig een rechtsmiddel is aangewend, dan wel verschoonbaar te laat, buiten de omvang van de bewaringsprocedure valt. Eiser heeft het beroep en het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening pas op 20 augustus 2026 ingediend. In beginsel is dit buiten de termijn van een week (10 augustus 2026), zoals ook staat vermeld in het besluit zelf. Verweerder mocht dat ook als uitgangspunt nemen. Omdat eiser niet tijdig een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening heeft ingediend, mocht hij de uitspraak van de voorzieningenrechter en dus ook zijn beroep niet in Nederland afwachten. Dit betekent dat verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw mocht opleggen. Voor zover eiser zich hiermee op het standpunt heeft willen stellen dat de grondslag van de maatregel onjuist is, slaagt dit ook niet. Eiser valt onder de werkingssfeer van richtlijn 2008/115 en heeft op dit moment ook geen procedureel rechtmatig verblijf. Dat betekent dat het instellen van het rechtsmiddel geen opschortende werking heeft en eiser zelf moet terugkeren naar zijn land van herkomst en, indien hij dit niet doet, verweerder verplicht is om eiser te verwijderen. Voor zover eiser stelt dat hij niet begrijpt waarom verweerder juist nu overgaat tot de inbewaringstelling, overweegt de rechtbank dat dit niet tot een andere conclusie leidt. Ook indien verweerder niet actiever is geweest om eiser te verwijderen, betekent dat namelijk niet dat eiser hierdoor rechtmatig verblijf krijgt. Verweerder is verplicht om eiser te verwijderen en is, op dit moment, ook bevoegd om dat te doen. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling ter zitting dat hij een meewerkende houding inneemt. Eiser is immers zeer stellig in zijn houding dat hij niet terug zal keren en dat hij daarom ook niet zal meewerken aan een presentatie. Eiser geeft hiervoor als reden dat hij vreest in een met artikel 3 EVRM-strijdige situatie te geraken. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen heeft eiser geen andere feiten en omstandigheden aangedragen dan die zijn beoordeeld in de meest recente uitspraak. Dat betekent niet dat eiser niet kan vrezen, maar er is reeds vastgesteld dat deze vrees niet tot een reëel en voorzienbaar refoulementrisico leidt. Voor zover eiser bedoelt dat zicht op uitzetting ontbreekt omdat hij niet zal meewerken, slaagt dit ook niet. Eiser is verplicht om mee te werken omdat hij een vertrekplicht heeft. Het meewerken zal veeleer er voor zorgen dat de bewaring langer zal duren. Indien eiser wel meewerkt aan een presentatie en er vervolgens geen LP wordt afgegeven, ontstaat wellicht een andere situatie. Dat de bewaring onevenredig is omdat eiser geen procedureel rechtmatig verblijf heeft verkregen omdat hij niet tijdig een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend snijdt geen hout. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting uitgelegd waarom het rechtsmiddel buiten de termijn om opschortende werking te verkrijgen is ingediend. Zoals hiervoor overwogen moet eiser daardoor vertrekken, verweerder eiser daardoor verwijderen en verweerder kan dat alleen door eiser in bewaring te stellen. Deze gevolgen van het niet tijdig gebruik maken van de mogelijkheid om opschortende werking te verkrijgen zijn dus een gevolg van eigen handelen. Indien de rechtbank dit onevenredig zou vinden wordt de rechtsmiddelentermijn in elk besluit zinledig en kan een rechtszoekende zijn vertrek frustreren. Dat de gevolgen van het niet tijdig aanwenden van een rechtsmiddel voor eiser groter dan gemiddeld zijn is niet gesteld en blijkt ook nergens uit.

Ambtshalve toets & conclusie

15. De rechtbank heeft tot slot ambtshalve de overige aspecten die de rechtmatigheid van de maatregel betreffen beoordeeld en concludeert dat de vreemdelingenbewaring in de te toetsen periode niet onrechtmatig is geweest.

16. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van

mr. F.A.E. van de Venne, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 29 oktober 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Vreemdelingenwet 2000. Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw.