Vreemdelingenrecht

Dublin, buiten zitting, Duitsland, ongegrond.

Rechtbank Den Haag, 29 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 29 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Groningen
Datum uitspraak
29 oktober 2026
Datum publicatie
29 oktober 2026
Zaaknummer
NL26.32548
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:31781
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Dublin, buiten zitting, Duitsland, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.32548


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen


[naam] , eiser,

v-nummer: [v-nummer] ,

alias:

[naam] ,

(gemachtigde: mr. F. van Dijk),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 10 juni 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.

1.1.

De rechtbank doet uitspraak zonder zitting.

1.2.

Op het verzoek tot treffen van een voorlopige voorziening wordt apart beslist.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.

3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het besluit van de minister in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Totstandkoming van het besluit

4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Met ingang van 12 juni 2026 gelden de regels die zijn neergelegd in de AMbV.

4.1.

Welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat vóór 12 juni 2026 is geregistreerd, wordt bepaald volgens in de Dublinverordening vastgelegde criteria.

4.2.

Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland op 29 april 2026 bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek op 5 mei 2026 aanvaard op grond van artikel 18, eerste lid en onder d, van de Dublinverordening.

Zienswijze herhaald en ingelast

5. Eiser stelt allereerst dat de zienswijze van 13 mei 2026 als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.

6. De rechtbank overweegt dat deze stelling onvoldoende is om te kunnen aanmerken als een beroepsgrond waar de rechtbank over moet beslissen. De minister is in het besluit ingegaan op de zienswijze van eiser. De rechtbank zal daarom de stellingen in de zienswijze waarvan eiser in beroep niet concreet heeft aangegeven waarom de reactie van de minister daarop volgens hem niet juist of niet toereikend is, niet bespreken.

Interstatelijk vertrouwensbeginsel

7. Eiser stelt dat zijn verklaringen niet zijn beoordeeld bij de toetsing van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en de beschikking daarom in strijd is met de bewijslastverdeling. Eiser verwijst hiervoor naar een uitspraak van de Afdeling van
4 september 2024. Eiser stelt te hebben verklaard dat hij in Duitsland jarenlang dakloos is geweest en dat de kans groot is dat hij in Duitsland weer dakloos zal raken. Ook hebben de Duitse autoriteiten eiser reeds gevraagd om Duitsland te verlaten. Eiser stelt dat de minister deze verklaringen, zowel in het voornemen als in de beschikking, niet inhoudelijk heeft beoordeeld. Volgens eiser had de minister volgens voornoemde uitspraak moeten beoordelen of deze verklaringen, in het licht van de hem bekende informatie over de opvangsituatie voor definitief afgewezen asielzoekers in Duitsland, aanknopingspunten vormden voor het oordeel dat na overdracht een reëel risico op zeer verregaande materiële deprivatie bestaat. Daarnaast wijst eiser erop dat het feit dat hij zich hierover niet heeft beklaagd bij de Duitse autoriteiten, niet relevant is voor de vraag of de minister aan zijn vergewisplicht heeft voldaan. Eiser verwijst hiervoor naar een uitspraak van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 12 december 2023. De rechtbank oordeelde dat de verwijzing naar het klachtrecht geen afdoende motivering is wanneer de vreemdeling stelt door de autoriteiten zelf te zijn achtergesteld.

8. De rechtbank stelt voorop dat de minister in zijn algemeenheid ten aanzien van Duitsland mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan ervan worden uitgegaan dat eiser bij overdracht aan Duitsland geen risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Het is aan eiser om dat vermoeden te weerleggen.

8.1.

De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat het voornemen en de beschikking onzorgvuldig tot stand zijn gekomen, omdat eisers verklaringen hierin niet specifiek zijn beoordeeld. Het voornemen en de beschikking voldoen aan de daaraan gestelde vereisten, omdat ze dragende overwegingen bevatten. Zo heeft de minister gemotiveerd waarom Duitsland verantwoordelijk is voor de asielaanvraag. Bovendien is aangegeven dat er geen reden is om aan te nemen dat Duitsland zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Het enkele feit dat niet alle afzonderlijke bezwaren van eiser tegen een overdracht aan Duitsland in het voornemen en de beschikking zijn betrokken kan dan ook, op zichzelf, niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De rechtbank verwijst in dat kader naar de uitspraken van de Afdeling van 23 november 2023 en 11 april 2025 en ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om hiervan af te wijken. De verwijzing van eiser naar de uitspraak van 12 december 2023 treft daarom ook geen doel.

8.2.

Eiser heeft daarnaast geen objectieve en actuele informatie overgelegd, waarmee hij onderbouwt dat hij in Duitsland ernstige moeilijkheden heeft gehad of zal ervaren. De stelling van eiser dat hij dakloos is geweest in Duitsland en mogelijk weer dakloos zal raken, doet hier niet aan af. Nederland mag ervan uit gaan dat eiser hiervoor in Duitsland bescherming kan vragen aan de Duitse autoriteiten. Eiser is er niet in geslaagd om aan te tonen dat de Duitse autoriteiten hem niet kunnen of willen beschermen. Ook is niet gebleken dat klagen voor eiser bij voorbaat geen zin heeft of niet mogelijk is.

Artikel 17 Dublinverordening

9. Daarnaast is eiser het oneens met het feit dat de minister stelt dat eiser onvoldoende heeft gemotiveerd dat er structurele tekortkomingen zijn in de asielprocedure en opvang in Duitsland. Volgens eiser dient de minister op grond van haar eigen beleid ook haar discretionaire bevoegdheid te gebruiken bij bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de verantwoordelijke lidstaat van onevenredige hardheid getuigt. Eiser heeft gewezen op zijn dakloosheid, dat hij geen garantie heeft op opvang bij terugname en dat hij geen sociaal vangnet heeft in Duitsland. De beschikking beperkt zich volgens eiser tot de structurele-tekortkomingen-toets en gaat niet in op de individuele-hardheid toets. Eiser verwijst hiervoor naar een uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 12 december 2024. Hierin oordeelde de rechtbank dat de minister onvoldoende had gemotiveerd dat hij geen aanleiding heeft hoeven zien om de asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich te trekken. De rechtbank verwierp hierbij het standpunt van de minister dat persoonlijke ervaringen in de lidstaat alleen relevant zijn bij het interstatelijk vertrouwensbeginsel en niet bij artikel 17 van de Dublinverordening. Daarnaast verwijst eiser naar een andere uitspraak van de rechtbank Den Haag van 7 december 2023. Hierin oordeelde de rechtbank dat de minister de argumenten in onderlinge samenhang moet beoordelen en betrekken bij zijn motivering indien hij geen gebruik maakt van deze bevoegdheid en dat een standaard-tekstblok dat niet te relateren is aan de verklaringen van de vreemdeling, onzorgvuldig is. Daarnaast wijst eiser op het Jawo-arrest waarin volgens eiser uitdrukkelijk ruimte wordt gelaten voor de situatie dat iemand wegens bijzondere kwetsbaarheid in een toestand van zeer verregaande materiele deprivatie kan terechtkomen.

9.1.

Daarnaast stelt eiser dat de minister zijn procedurele positie na overdracht als een sub-d-terugkeerder niet heeft onderzocht. Eiser stelt dat de verwijzing naar het indienen van een ‘Folgeantrag’ als waarborg onvoldoende is onderzocht. De minister had volgens eiser moeten beoordelen of de combinatie van 1) een definitieve afwijzing in Duitsland 2) de onzekerheid over de ontvankelijkheid van een ‘Folgeantrag’ en 3) het concrete risico op uitzetting naar Nigeria, waar eiser stelt vervolging te vrezen vanwege betrokkenheid bij de Biafra-beweging, aanleiding had moeten vormen voor toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening. Volgens eiser is de eerdere dakloosheid een concrete aanwijzing dat het opnieuw aanvragen van asiel geen effectieve waarborg biedt tegen materiële deprivatie. De verordening verplicht Duitsland volgens eiser niet tot een nieuwe inhoudelijke behandeling en de Opvangrichtlijn garandeert opvangvoorzieningen enkel aan verzoekers. Een definitief afgewezen persoon is in beginsel geen verzoeker volgens eiser. Eiser verwijst hierbij naar een uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 12 oktober 2023.

9.2.

Ook stelt eiser zich op het standpunt dat er onvoldoende gevraagd is tijdens het aanmeldgehoor naar eisers persoonlijke omstandigheden en de reden dat hij asiel wil aanvragen. Dat is volgens eiser in strijd met artikel 5 van de Dublinverordening. Eiser verwijst daarvoor naar een uitspraak van de Afdeling van 4 september 2024 en naar een uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 7 december 2023. Volgens eiser moet de minister zich van feiten en omstandigheden vergewissen om te kunnen bepalen of hij op grond van zijn beleid toepassing moet geven aan zijn bevoegdheid om de asielaanvraag onverplicht te behandelen. Volgens eiser heeft de minister dit niet gedaan.

10. De rechtbank overweegt allereerst dat op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, in samenhang met paragraaf C2/5 van de Vc 2000, de minister een asielaanvraag onverplicht aan zich trekt als bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. In genoemde paragraaf staat verder dat de minister terughoudend gebruik maakt van deze bevoegdheid wanneer Nederland op grond van de Dublinverordening niet gehouden is de aanvraag te behandelen. De rechtbank stelt vast dat de minister bij de toepassing van deze bevoegdheid beoordelingsruimte heeft, zodat zij terughoudend toetst of de minister gebruik had moeten maken van deze bevoegdheid.

10.1.

Uitgaande van die terughoudende toets is de rechtbank van oordeel dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eisers omstandigheden geen aanleiding vormen om zijn asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening onverplicht in behandeling te nemen. De door eiser aangevoerde omstandigheden met betrekking tot opvang zijn niet zodanig bijzonder en individueel dat de minister daarin aanleiding had moeten zien om vanwege onevenredige hardheid af te zien van overdracht aan Duitsland. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn stelling dat er in het aanmeldgehoor onvoldoende gevraagd is naar eisers persoonlijke omstandigheden. Daarbij komt dat eiser deze omstandigheden niet met stukken heeft onderbouwd. Bovendien wijst de minister terecht op de mogelijkheid dat eiser zich, indien zich onverhoopt problemen voordoen in Duitsland, kan wenden tot de Duitse autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Duitse autoriteiten hem hierbij niet kunnen of willen helpen.

Discrepantie in de grondslagen

11. Daarnaast stelt eiser dat er discrepantie is tussen de grondslagen. In het voornemen werd gesproken over artikel 18, eerste lid, onder b, van de Dublinverordening en Duitsland heeft het verzoek geaccepteerd op grond van artikel 18, eerste lid 1, onder d van de Dublinverordening. Er is vervolgens niet gemotiveerd waarom het voornemen een onjuiste grondslag bevatte. Eiser stelt dat daarom sprake is van een motiveringsgebrek als bedoeld in art. 3:46 van de Awb. Daarnaast stelt eiser dat hij op het verkeerde been is gezet omdat artikel 18, eerste lid, onder b, van de Dublinverordening betekent dat hij nog in procedure zou zitten terwijl er in werkelijkheid sprake is van een definitieve afwijzing zoals bedoeld in sub d van dat artikel. Eiser stelt dat hij daarom niet adequaat heeft kunnen reageren op de werkelijke juridische grondslag en de daaraan verbonden consequenties.

12. De rechtbank overweegt als volgt. Ten tijde van het voornemen was er nog geen claimakkoord tot stand gekomen. De minister was ten tijde van het voornemen dus nog niet op de hoogte van het feit dat Duitsland het verzoek zou accepteren op een andere grondslag. De rechtbank is van oordeel dat geen rechtsregel zich ertegen verzet dat de minister een voornemen uitbrengt voordat een claimakkoord daadwerkelijk tot stand is gekomen. Ook had eiser de mogelijkheid om in zijn zienswijze tegen de grondslag op te komen. Eiser heeft in zijn zienswijze van 13 mei 2026 het verschil in grondslag ook benoemd door de verschillende grondslagen te markeren, maar is hier verder niet op ingegaan. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.

Non-refoulement

13. Ook stelt eiser dat het beginsel van non-refoulement onvoldoende is beoordeeld. De minister stelt dat eiser in Duitsland moet vertellen waarom hij bang is voor refoulement naar Nigeria. De minister erkent vervolgens volgens eiser dat Duitsland maatregelen neemt zodat eiser vertrekt naar Nigeria, maar heeft niet onderzocht of die uitzetting een risico op schending van non-refoulement oplevert.

14. De rechtbank overweegt dat de minister, zoals hiervoor is overwogen, mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Duitsland. De rechtbank komt daarom niet toe aan een nadere beoordeling van deze beroepsgrond over indirect refoulement in het kader van verschillen in beschermingsbeleid. Zoals hiervoor is overwogen kan ten aanzien van Duitsland nog altijd worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank onderzoekt daarom niet of er bij overdracht aan Duitsland een risico is op indirect refoulement.

Standaard voornemen

15. Tot slot stelt eiser dat het standaardvoornemen van 1 mei 2026 hem de mogelijkheid heeft ontnomen om adequaat te reageren op de specifieke overwegingen van de minister omtrent zijn individuele situatie. Eiser stelt dat, nu het voornemen dat niet ingaat op de individuele omstandigheden, het hem de mogelijkheid ontneemt om gericht te reageren. De beschikking reageert op het argument dat de persoonlijke omstandigheden onvoldoende naar voren hebben kunnen komen met de zin ‘overwogen wordt dat hiermee rekening wordt gehouden.’ Eiser stelt dat verdere motivering ontbreekt en dat de beschikking niet voldoet aan de eisen van 3:46 van de Awb.

16. De rechtbank overweegt dat een voornemen een voorbereidingshandeling is. Het is namelijk een mededeling van feitelijke aard. Een voornemen is daarmee niet op enig rechtsgevolg gericht. Verder overweegt de rechtbank dat, hoewel de verklaringen van eiser in het voornemen niet kenbaar zijn betrokken, eiser in de gelegenheid is gesteld om door middel van een zienswijze te reageren op het voornemen. Eiser heeft hier ook gebruik van gemaakt. Vervolgens heeft de minister alle bezwaren die eiser naar voren heeft gebracht tijdens het aanmeldgehoor en in de zienswijze inhoudelijk beoordeeld. Er is geen grond voor het oordeel dat deze handelswijze onzorgvuldig is. Door eiser is niet uitgelegd hoe hij door deze handelswijze in zijn belangen is geschaad. Hoewel de verklaringen van eiser dus niet kenbaar zijn meegenomen bij het opstellen van het voornemen, leidt dit niet tot vernietiging van het bestreden besluit.


Conclusie en gevolgen

17. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van

mr. N. Wetterauw, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht. Dit verzoek staat geregistreerd onder zaaknummer: NL26.32549. Verordening (EU) 2024/1351 betreffende Asiel- en migratiebeheer. Verordening (EU) nr. 604/2013. Artikel 84 lid 2 van de AMbV (overgangsmaatregelen). Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. ECLI:NL:RVS:2024:3455. ECLI:NL:RBDHA:2023:19122. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 februari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:588) en 8 oktober 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:4770) waarbij de uitspraak van de zittingsplaats Roermond (ECLI:NL:RBLIM:2025:8989) is bevestigd. ECLI:NL:RVS:2023:4348. ECLI:NL:RVS:2025:1642. ECLI:NL:RBDHA:2024:22406. ECLI:NL:RBDHA:2023:19122. ECLI:NL:RBDHA:2023:15458. ECLI:NL:RVS:2024:3455. ECLI:NL:RBDHA:2023:19122. Vreemdelingencirculaire 2000. Algemene wet bestuursrecht. Zie ook de uitspraken van rechtbank Den Haag van 11 juli 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:7720 en 1 april 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:3019. Zie ook de uitspraak van het Hof van Justitie van 30 november 2023, ECLI:EU:C:2023:934. ECLI:NL:RBDHA:2023:19122.