Vreemdelingenrecht

Beroep gegrond. AMBV Italië. Ten onrechte geen persoonlijk onderhoud gevoerd. Onvoldoende rekening gehouden…

Rechtbank Den Haag, 28 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 28 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
28 oktober 2026
Datum publicatie
29 oktober 2026
Zaaknummer
NL26.45555 en NL26.45556
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:31817
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Beroep gegrond. AMBV Italië. Ten onrechte geen persoonlijk onderhoud gevoerd. Onvoldoende rekening gehouden met belangen van minderjarige kinderen. Minister heeft niet aannemelijk gemaakt dat ten aanzien van Italië weer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummers: NL26.45555 (beroep) en NL26.45556 (voorlopige voorziening)

V-nummers: [V-nummer], [V-nummer] en [V-nummer]


uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiseres], eiseres/verzoekster (eiseres),

mede voor haar minderjarige kinderen [kind 1] en [kind 2]

(gemachtigde: mr. A.A. Hardoar),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. J. Raaijmakers).

Samenvatting

1.1.

Deze uitspraak gaat over het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. De minister heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen omdat Italië op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMBV) verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

1.2.

De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep gegrond is. De minister heeft niet deugdelijk onderzocht en gemotiveerd of voor Italië weer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, mede gelet op de kwetsbare positie van eiseres en haar minderjarige kinderen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2.1.

Eiseres stelt van Nigeriaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1983. Eiseres heeft op 23 juni 2026 een asielaanvraag als bedoeld in artikel 28 van de
Vw 2000 ingediend. De aanvraag is ook ingediend voor haar minderjarige kind [kind 1]. Hij is geboren op [geboortedag] 2024. Ten tijde van de aanvraag was eiseres zwanger van haar tweede kind.

2.2.

Met het bestreden besluit van 3 augustus 2026 heeft de minister deze aanvraag niet in behandeling genomen, omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van deze asielaanvraag volgens de AMBV.

2.3.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Zij heeft ook de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.

2.4.

Op [geboortedag] 2026 is eiseres bevallen van haar dochter [kind 2].

2.5.

De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 20 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, A. Madu als tolk in de Pidgin-Engelse taal en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

3.1.

De rechtbank beoordeelt of de minister de asielaanvraag van eiseres terecht niet in behandeling heeft genomen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

3.2.

De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de AMBV. Op grond van de AMBV neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Italië een verzoek om kennisgeving inzake terugname gedaan. Italië heeft in eerste instantie niet gereageerd, maar later de kennisgeving alsnog bevestigd.

Persoonlijk onderhoud

4.1.

Eiseres voert aan dat het bestreden besluit gebrekkig is voorbereid, omdat eiseres voorafgaand het overdrachtsbesluit niet persoonlijk is gehoord over de bepaling van de verantwoordelijke lidstaat en haar individuele bezwaren tegen overdracht aan Italië. Dit gebrek is des te ernstiger, omdat eiseres in de brief van 29 juni 2026 werd geïnformeerd over een overdracht aan Griekenland, in plaats van aan Italië.

4.2.

Artikel 22 van de AMBV bepaalt dat lidstaten voor het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat een persoonlijk onderhoud voeren met een verzoeker, als het gaat om overnameverzoeken. In het geval van eiseres gaat het echter om een terugnameverzoek. Uit WI 2026/17 volgt dat de algemene regel is dat in zaken die gaan om een terugnameverzoek niet wordt gehoord. Dat neemt echter niet weg dat de minister het besluit, waarin eiseres wordt geïnformeerd dat zij wordt overgedragen aan Italië (het overdrachtsbesluit), zorgvuldig moet voorbereiden. Dat vloeit voort uit het algemene zorgvuldigheidsbeginsel. Daarbij moet eiseres daadwerkelijk in de gelegenheid worden gesteld eventuele bezwaren tegen die overdracht naar voren te brengen.

4.3.

De rechtbank is van oordeel dat in dit geval niet kan worden gezegd dat eiseres voldoende gelegenheid heeft gehad om haar bezwaren naar voren te brengen. In de brief van 29 juni 2026, waarin eiseres de mogelijkheid werd geboden om redenen te geven waarom zij niet zou moeten worden overgedragen, noemde de minister Griekenland nog als mogelijk verantwoordelijke lidstaat voor de behandeling van de asielaanvraag. Voor zover de minister hierover heeft gesteld dat het voor eiseres wel duidelijk kon zijn dat zij zou worden overgedragen aan Italië, omdat uit de overige stukken volgde dat Italië verantwoordelijk was, volgt de rechtbank de minister niet. De brief van 29 juni 2026 was namelijk de brief waarin aan eiseres werd uitgelegd hoe zij aan kon geven waarom zij niet zou moeten worden overgedragen aan een andere lidstaat. Nu in die brief het verkeerde land werd genoemd, kan niet gezegd worden dat zij voldoende gelegenheid heeft gehad om bezwaren tegen de overdracht aan Italië naar voren te brengen. Bovendien waren er in dit geval naar het oordeel van de rechtbank ook andere aanknopingspunten voor de minister om eiseres te horen. Eiseres is namelijk een alleenstaande moeder. Ten tijde van het besluit was haar zoon [kind 1] één jaar en was zij zwanger van haar tweede kind.

Belang van de minderjarige kinderen

5.1.

Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte geen kenbare individuele beoordeling heeft gedaan van het belang van haar minderjarige kinderen. Dat had de minister wel moeten doen, op grond van artikel 23 van de AMBV. Er ontbreekt volgens eiseres een beoordeling van de volgende punten: de daadwerkelijke opvang- en huisvestingssituatie van eiseres en haar minderjarige kinderen na overdracht, de vraag op welke verblijfsrechtelijke titel de kinderen in Italië zullen verblijven, de samenhang tussen de verblijfsstatus van de moeder en die van de kinderen, de daadwerkelijke toegang van de kinderen tot passende voorzieningen, de behoefte van kinderen van deze leeftijd aan stabiliteit en continuïteit, en de vraag of de concrete aankomstregeling in Italië geschikt is voor een alleenstaande moeder met twee jonge kinderen. Het enkele feit dat eiseres en haar kinderen samen worden overgedragen, beantwoordt de vragen over deze punten niet.

5.2.

De rechtbank volgt eiseres in deze beroepsgrond. Uit artikel 23 van de AMBV volgt namelijk dat bij alle procedures waarin de verordening voorziet, het belang van het kind de eerste overweging vormt voor de lidstaten. Dat vloeit ook voort uit artikel 3 van het IVRK. Uit het besluit blijkt echter op geen enkele wijze hoe de minister rekening heeft gehouden met de belangen van de minderjarige kinderen. Eiseres heeft er terecht op gewezen dat een beoordeling ontbreekt van de punten die zij noemt. Eiseres heeft er ook terecht op gewezen dat het enkele feit dat eiseres en haar kinderen samen worden overgedragen, de vragen over deze punten niet beantwoordt. Naar het oordeel van de rechtbank had de minister een kenbare individuele beoordeling moeten maken van het belang van de minderjarige kinderen en deze in kaart moeten brengen in het besluit.

Interstatelijk vertrouwensbeginsel

6.1.

Eiseres voert aan dat de minister niet kan volstaan met een verwijzing naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Volgens eiseres kan ten aanzien van Italië namelijk niet worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, omdat geen feitelijke verbetering in de opvangvoorzieningen merkbaar is na de inwerkingtreding van het
Asiel- en Migratiepact (AMP).

6.2.

De rechtbank overweegt als volgt. Het uitgangspunt is dat de minister, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, ervan mag uitgaan dat een andere lidstaat zijn internationale verplichtingen nakomt tegenover een vreemdeling die op grond van voorheen de Dublinverordening en thans de AMBV wordt overgedragen. Dit beginsel betekent dat lidstaten erop mogen vertrouwen dat de andere lidstaten de vreemdeling in overeenstemming met het EVRM, het Vluchtelingenverdrag en het Unierecht zullen behandelen.

6.3.

De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in de uitspraken van 26 april 2023 echter geoordeeld dat op basis van berichtgeving van de Italiaanse autoriteiten sprake is van objectieve informatie die aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat de opvangvoorzieningen in Italië systeemfouten bevatten. Daarom heeft de Afdeling geoordeeld dat de minister, zonder nader onderzoek, ten aanzien van Italië niet langer mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit de berichtgeving van de Italiaanse autoriteiten volgt namelijk dat er in Italië vanwege de hoge asielinstroom een gebrek aan beschikbare opvangfaciliteiten bestaat, dat ertoe heeft geleid dat de Italiaanse autoriteiten de lidstaten hebben verzocht overdrachten aan Italië tijdelijk op te schorten. De Afdeling heeft overwogen dat uit die berichtgeving niet zonder meer volgt dat de Italiaanse autoriteiten onverschillig staan tegenover de situatie van vreemdelingen, maar dat daarmee wel een reëel risico bestaat dat vreemdelingen buiten hun eigen wil en keuzes om bij overdracht aan Italië in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie terechtkomen zoals bedoeld in het arrest Jawo van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof).

6.4.

De minister stelt zich op het standpunt dat hij ten aanzien van Italië inmiddels weer mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Volgens de minister is de situatie in Italië wezenlijk veranderd. De minister wijst in dat verband op een gesprek dat hij heeft gehad met de Italiaanse minister van Binnenlandse Zaken, waarin is besproken dat Italië medewerking gaat verlenen aan het AMP. Dit is opgenomen in een brief van de minister aan de Tweede Kamer. Ook wijst de minister op een rapport van de Europese Commissie van 15 juli 2026. Verder wijst de minister op een rapport van het EUAA van juni 2026, een AIDA-rapport van juni 2025 en informatie van de UNCHR. Uit deze informatie volgt volgens de minister niet dat eiseres in Italië geen opvang kan krijgen of dat in Italië sprake is van andere serieuze problemen.

6.5.

De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat ten aanzien van Italië inmiddels weer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er geen concrete indicaties dat de situatie in Italië in betekenisvolle mate gewijzigd is. Het door de minister aangehaalde AIDA-rapport geeft geen eenduidig beeld waaruit zonder meer volgt dat de opvangsituatie voor personen die in het kader van de AMB naar Italië worden overgedragen (wezenlijk) is verbeterd. Uit het rapport blijkt onder meer dat het Italiaanse ministerie van Binnenlandse Zaken in april 2026 aan de maatschappelijke organisatie Associazione per gli Studi Giuridici sull’Immigrazione (ASGI) heeft meegedeeld dat het opvangsysteem geen voor deze groep gereserveerde plaatsen heeft. Ook blijkt uit het rapport dat prioriteit wordt gegeven aan personen die na een reddingsoperatie op zee in Italië aankomen en dat de toegang tot de opvang van andere groepen, waaronder (destijds nog) Dublin-terugkeerders, afhankelijk is van de beschikbaarheid van niet-gereserveerde plaatsen. Uit het rapport volgt ook dat dit tot gevolg heeft dat Dublin-terugkeerders niet altijd opvang krijgen. De bestuursrechter in Toscane heeft in dat kader geoordeeld dat Dublin-terugkeerders weliswaar recht hebben op opvang, maar dat een wachttijd van 180 dagen voordat daadwerkelijk toegang tot de opvang wordt verkregen, acceptabel moet worden geacht. Het rapport schetst vervolgens nog verschillende andere problemen en concludeert dat het aantal plekken in de reguliere opvang ver onder de behoefte blijft.

6.6.

Ook de door de minister aangehaalde informatie van EUAA en UNHCR biedt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende concrete informatie over de feitelijke beschikbaarheid van opvang voor personen die op grond van de AMBV aan Italië worden overgedragen. Voor zover deze bronnen algemene informatie bevatten over het Italiaanse opvangstelsel, kan daaruit niet zonder meer worden afgeleid dat voor deze specifieke groep voldoende opvangplekken beschikbaar zijn. De minister heeft onvoldoende inzichtelijk gemaakt welke concrete passages uit deze bronnen zijn gebruikt en hoe daaruit volgt dat eiseres en haar kinderen na overdracht daadwerkelijk toegang zullen hebben tot passende opvang.

6.7

Het hiervoor geconstateerde gebrek aan onderzoek en motivering weegt in deze zaak des te zwaarder vanwege de omstandigheid dat het gaat om een alleenstaande moeder met twee minderjarige kinderen. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft in het arrest Tarakhel namelijk benadrukt dat bij de overdracht van gezinnen met kinderen en andere kwetsbare personen moet worden beoordeeld of de opvangomstandigheden in de verantwoordelijke lidstaat aansluiten bij hun bijzondere behoeften. Daaruit volgt niet dat iedere overdracht van een gezin met kinderen zonder individuele garantie verboden is. Wel kan de kwetsbaarheid van de betrokkenen ertoe leiden dat aanvullende waarborgen nodig zijn wanneer de beschikbare informatie onvoldoende zekerheid biedt over de opvang na overdracht.

6.8.

Zoals hiervoor overwogen, blijkt uit het AIDA-rapport dat er een tekort aan opvangplaatsen is, dat voor asielzoekers die aan Italië worden overgedragen geen opvangplaatsen zijn gereserveerd, dat toegang tot opvang mede afhankelijk is van de beschikbaarheid van niet-gereserveerde plaatsen en dat volgens een Italiaanse rechter een wachttijd van 180 dagen acceptabel is. Voor kwetsbare personen bestaat volgens het rapport onder voorwaarden toegang tot opvangvoorzieningen, maar ook daarbij geldt dat een plaats beschikbaar moet zijn. Tegen deze achtergrond heeft de minister onvoldoende onderzocht en gemotiveerd welke opvang voor eiseres en haar minderjarige kinderen bij aankomst in Italië daadwerkelijk beschikbaar zal zijn. De enkele verwijzing naar de algemene capaciteit van het Italiaanse opvangsysteem en naar de toezeggingen van de Italiaanse autoriteiten is daarvoor onvoldoende. Nu het hier gaat om een alleenstaande moeder met twee jonge kinderen en de beschikbare informatie geen zekerheid biedt dat bij overdracht daadwerkelijk passende opvang beschikbaar is, had de minister moeten onderzoeken of aanvullende, individuele garanties van de Italiaanse autoriteiten nodig waren en, zo ja, deze moeten verkrijgen voordat hij de aanvraag van eiseres niet in behandeling nam. Gelet op het ontbreken van voldoende actuele informatie over de feitelijke opvangmogelijkheden voor over te dragen asielzoekers en de kwetsbaarheid van eiseres en haar minderjarige kinderen, heeft de minister onvoldoende gemotiveerd dat overdracht geen reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 4 van het EU Handvest oplevert. Het bestreden besluit is daarom onvoldoende zorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd.

6.9.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat weer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië.

Conclusie en gevolgen

7.1.

Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking meer. De rechtbank ziet geen reden om zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.

7.2.

Omdat de rechtbank op het beroep beslist, heeft eiseres geen belang meer bij een beslissing op haar verzoek om een voorlopige voorziening. Dit verzoek wordt daarom afgewezen.

7.3.

Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift en een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL26.45555:

  • verklaart het beroep gegrond;

  • vernietigt het bestreden besluit van 3 augustus 2026;

  • draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak.

De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL26.45556:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

De rechtbank/voorzieningenrechter, in beide zaken:

- veroordeelt de minister tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van
mr.I.G.A. Karregat, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Verordening EU nr. 2024/1351. Vreemdelingenwet 2000. Dit staat in artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000. In artikel 22 van de AMBV wordt namelijk verwezen naar artikel 39 van de AMBV, dat gaat over overnameverzoeken. Werkinstructie 2026/17 De AMbV procedure. Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind. Verordening EU nr. 2013/604. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. ECLI:NL:RVS:2023:1654 en ECLI:NL:RVS:2023:1655. Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218. Brief van 22 juni 2026, met kenmerk 7996176, Kamerstukken II 32 317, nr. 1014. Communication from the Commission to the European Parliament and the Council van 15 juli 2026. European Union Agency for Asylum. Asylum Information Database. De Vluchtelingenorganisatie van de Verenigde Naties. Zie pagina 102: ‘In April 2026, replying to ASGI’s information request, the Ministry of Interior stated that the accommodation system does not have places reserved for Dublin returnees.’ Zie pagina 156: ‘Moreover, Law 187/2024, formalizing an already existing practice, introduced a priority criterion for access to reception facilities for people rescued at sea.’ Zie pagina 156: ‘making access to the reception system of all other people (arrived by land, autonomous disembarkations, Dublin returnees, etc.) is subject to the availability of non reserved places.’ Zie pagina 156 en 157: ‘Consequently, the Court found that a waiting period of up to 180 days to access reception measures is reasonable and not open to challenge. ASGI appealed the ruling to the Council of State, and the case is pending as of June 2026.’ Zie pagina 160: ‘As a result, the number of places in the ordinary reception system remains far below actual needs.’ En pagina 179: ‘Are there instances of asylum seekers not having access to reception accommodation because of a shortage of places? X Yes.’ Zie de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 4 november 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712. Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.