Vreemdelingenrecht

HTL/COa, artikel 56 Vw, verkeerde datum HTL-oplegging, kennelijke verschrijving, alsnog GZA-akkoord…

Rechtbank Den Haag, 30 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 30 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Groningen
Datum uitspraak
30 oktober 2026
Datum publicatie
30 oktober 2026
Zaaknummer
AWB 26/14795 en NL26.51243
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:31921
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

HTL/COa, artikel 56 Vw, verkeerde datum HTL-oplegging, kennelijke verschrijving, alsnog GZA-akkoord overgelegd, eiser heeft incident niet betwist, seponering strafzaak, zorgvuldige belangenafweging, wettelijke grondslag, beroepen ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 26/14795 en NL26.51243


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen


[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,

van Syrische nationaliteit,

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. M. Rasul),

en

het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COa,

alsmede

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. I. van Es).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank twee beroepen. Het eerste beroep is gericht tegen het besluit van het COa van 21 augustus 2026. In dat besluit heeft het COa besloten om eiser per 1 juli 2026 in de HTL in Hoogeveen te plaatsen (hierna: het plaatsingsbesluit). Het tweede beroep van eiser richt zich tegen het besluit van de minister van dezelfde datum om hem een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 56 van de Vw op te leggen (hierna: de vrijheidsbeperkende maatregel). De rechtbank merkt het beroep ook aan als een verzoek om schadevergoeding.

1.1.

Eiser heeft op 2 september 2026 beroepsgronden ingediend.

1.2.

De rechtbank heeft de beroepen op 20 oktober 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. De minister en het COa hebben zich gezamenlijk laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek in beide zaken op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt, dat het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen en dat eiser ook geen vergoeding krijgt van zijn proceskosten. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Het beroep gericht tegen het plaatsingsbesluit

De feitelijke verslaglegging van het incident

3. Het COa heeft in het plaatsingsbesluit uitgebreid verslag gedaan van het incident dat ten grondslag ligt aan het besluit. Kort samengevat komt dit op het volgende neer. Op

12 april 2026 is op de kamer van eiser het brandalarm afgegaan. Vervolgens is eisers kamer geopend en kwam er een zwarte rookwalm in de gang. Geconstateerd is dat er een brandhaard op de vloer voor het bed aanwezig was. Het betrof twee schoenen die beide afzonderlijk in brand stonden, elk met een eigen brandhaard. Beide schoenen waren gepositioneerd met de neus naar de muur en de vlammen reikten ongeveer een half meter hoog. Door de brandontwikkeling was aanzienlijke rook in de gang waarneembaar. Zo steeg zwarte rook op richting het plafond en verspreidde zich terug de kamer en de gang in. Een ontruiming was noodzakelijk om de veiligheid van de bewoners en medewerkers te waarborgen. Tijdens het incident was eiser aanvankelijk niet zichtbaar aanwezig voor het BHV-team. Het COa-personeel heeft aangifte tegen eiser gedaan voor brandstichting, nu het incident zich heeft voorgedaan op een eenpersoonskamer waar alleen eiser de sleutel van had en dus als enige de mogelijkheid had om de kamer te betreden en verlaten.

Wat vindt eiser?

4. Eiser voert allereerst aan dat een GZA-akkoord ontbreekt. Gelet hierop zijn zowel het plaatsingsbesluit als de vrijheidsbeperkende maatregel vanaf het moment van opleggen onrechtmatig en heeft eiser dan ook recht op een schadevergoeding. Zonder GZA-documenten is het niet mogelijk om te beoordelen of in het medische advies rekening is gehouden met alle relevante persoonlijke omstandigheden van eiser. Eiser is van mening dat het COa aanvullend onderzoek had moeten verrichten. Ter ondersteuning verwijst eiser naar een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 27 december 2023. Ook betoogt eiser dat niet is gebleken dat het afwegingskader, zoals geformuleerd in het maatregelenbeleid, is toegepast. Er is dan ook geen deugdelijke inschatting gemaakt van welke maatregel het meeste effect zal hebben op de gedragsverandering van eiser. Gelet hierop had geen HTL-maatregel opgelegd mogen worden. Verder merkt eiser op dat hij voor het incident is aangehouden door de politie en dat deze zaak is geseponeerd. Het is dan ook onbegrijpelijk dat desondanks aan hem een HTL-maatregel is opgelegd. Ook voert eiser aan dat de minister niet voldoende heeft gemotiveerd waarom in deze zaak niet is gekozen voor een lichter middel. De standaardoverweging dat een lagere maatregel niet in verhouding zou staan tot de ernst van het incident, acht eiser daartoe onvoldoende. In dat kader verwijst hij naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 16 mei 2024. Eiser meent dat wel degelijk gekozen had moeten worden voor een lichter middel, omdat het incident dateert van ruim vier maanden geleden.

Ook betoogt eiser dat zowel het plaatsingsbesluit als de HTL-maatregel niet over een voldoende wettelijke basis beschikken. Daarnaast wijst eiser erop dat binnen de HTL onbevoegd geweld wordt toegepast. Ook het recht op privéleven, zoals gewaarborgd in artikel 8 van het EVRM, wordt geschonden. Dit komt door de ingrijpende beperkingen op zijn vrijheid en privacy, waaronder voortdurend cameratoezicht, een streng dagprogramma, ernstige beperkingen van de fysieke vrijheid, verplichte gesprekken, het niet (onbeperkt) mogen ontvangen van bezoek en de meldplicht die twee keer per dag moet worden nageleefd. Eiser verwijst in dat kader naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond van 19 april 2023.

Oordeel van de rechtbank

5. Allereerst merkt de rechtbank het volgende op. In het COa-besluit van

21 augustus 2026 staat vermeld dat de HTL-maatregel per 1 juli 2026 is opgelegd. In zowel het verweerschrift als op de zitting is toegelicht dat sprake is van een kennelijke verschrijving en dat de datum van onderhavige HTL-plaatsing 21 augustus 2026 moet zijn. De rechtbank is van oordeel dat deze kennelijke verschrijving geen gevolgen heeft voor het plaatsingsbesluit. Van een rechtmatigheidsgebrek is daarom geen sprake, als gevolg waarvan ook de vraag naar een mogelijke toepassing van artikel 6:22 van de Awb niet aan de orde is.

6. De rechtbank stelt vast dat er (alsnog) een GZA-akkoord is overgelegd en dat dit akkoord is gegeven voordat eiser werd geplaatst in de HTL. De verwijzing van eiser naar de uitspraak van 27 december 2023 gaat daarom niet op.

7. De rechtbank acht op basis van de feitelijke verslaglegging van het incident voldoende aannemelijk dat de gedragingen, zoals deze door het COa zijn omschreven, zich hebben voorgedaan. De rechtbank acht hierbij van belang dat de verslaglegging concreet is beschreven. Daar komt bij dat eiser het in de verslaglegging beschreven incident niet heeft betwist. De rechtbank is verder van oordeel dat het COa, zich op juiste wijze baserend op het Maatregelenbeleid, het incident terecht heeft gekwalificeerd als een incident met een zeer grote impact. Het ging immers om een situatie waarin brand in een eenpersoonskamer zorgde voor direct rook- en brandgevaar voor zowel de bewoners en medewerkers. Dit alles maakt dat het gedrag van eiser een zeer grote impact heeft gehad op de veiligheid, leefbaarheid en beheersbaarheid van de locatie betreffende bewoners en het COa-personeel.

8. De beroepsgrond dat eiser voor het incident ook strafrechtelijk is aangehouden en dat deze zaak is geseponeerd, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat het COa geen HTL-maatregel mocht opleggen. Het strafrecht kent immers een ander toetsingskader dan het bestuursrecht.

9. De rechtbank stelt vast dat uit het bestreden besluit blijkt dat er een zorgvuldige belangenafweging heeft plaatsgevonden bij de keuze om eiser in de HTL te plaatsen. Eiser is meerdere keren negatief in beeld geweest bij het COa, waaronder meerdere keren voor verbale en fysieke agressie en geweld tegen personen, voor het overtreden van huisregels en meerdere keren voor verzuim van de meldplicht. Gelet op het onderhavige incident en het onveranderde gedrag van eiser, heeft het COa naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding hoeven zien een lichter middel aan eiser op te leggen. De verwijzing van eiser naar de uitspraak van deze rechtbank van 16 mei 2024 gaat niet op, omdat het hier niet over gelijke gevallen gaat. In voornoemde uitspraak ging het om een vreemdeling die al twee jaar in de opvang van het COa verbleef en nooit incidenten van enige betekenis had veroorzaakt. De beroepsgrond van eiser slaagt dan ook niet.

10. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat plaatsing in de HTL en het opleggen van vrijheidsbeperkende maatregel een onvoldoende wettelijke grondslag heeft. De rechtbank stelt voorop dat deze rechtbank en zittingsplaats hierover al eerder een oordeel heeft gegeven. De rechtbank verwees in voorgenoemde uitspraak naar de uitspraak van de Afdeling van 11 september 2024. In hetgeen eiser naar voren heeft gebracht ziet de rechtbank geen aanknopingspunten om hiervan af te wijken.

11. Het beroep tegen het plaatsingsbesluit is ongegrond.

Vrijheidsbeperkende maatregel

12. Omdat het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel volledig steunt op het plaatsingsbesluit en dat beroep ongegrond wordt verklaard, oordeelt de rechtbank dat het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel ook ongegrond moet worden verklaard. De rechtbank zal het verzoek tot schadevergoeding afwijzen.

Conclusie en gevolgen

13. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het COa het besluit tot plaatsing in de HTL en de minister de vrijheidsbeperkende maatregel mochten nemen.

14. Eisers verzoek om schadevergoeding wordt gezien het voorgaande afgewezen. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart de beroepen ongegrond;

  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, op 30 oktober 2026 en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep gericht tegen het plaatsingsbesluit, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep gericht tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, staat geen rechtsmiddel open.

Zaaknummer AWB 26/14795. Handhaving- en Toezichtlocatie. Op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder h en i, en artikel 11, eerste lid van de Regelingen verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005. Zaaknummer NL26.51243. Vreemdelingenwet 2000. ECLI:NL:RBDHA:2023:20662. ECLI:NL:RBDHA:2024:7426 ECLI:NL:RBDHA:2023:5603. Algemene wet bestuursrecht. Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, 19 september 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:17327), r.o. 5.2. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. ECLI:NL:RVS:2024:3564.