Vreemdelingenrecht

Vreemdelingenbewaring; artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw; suwinetgegevens; lichter middel…

Rechtbank Den Haag, 30 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 30 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Middelburg
Datum uitspraak
30 oktober 2026
Datum publicatie
30 oktober 2026
Zaaknummer
NL26.63340
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:31939
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vreemdelingenbewaring; artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw; suwinetgegevens; lichter middel; ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.63340


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. P.H. Hillen),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. C.J. Ohrtmann).

Procesverloop

Met het bestreden besluit van 19 oktober 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 28 oktober 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, [tolk] , de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader

1. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid dat vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.

De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring

2. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.

2.1.

In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

3. De rechtbank stelt vast dat de zware gronden a en b die verweerder aan de maatregel van vreemdelingenbewaring ten grondslag heeft gelegd, feitelijk juist zijn. Uit het dossier blijkt dat het verblijfsrecht van eiser bij beschikking van 25 februari 2026 is beëindigd. Deze beschikking is op 26 februari 2026 aan eiser uitgereikt, waarbij hem een vertrektermijn van één maand is gegeven. Eiser had Nederland daarom uiterlijk op 26 maart 2026 moeten verlaten. Dit heeft hij niet gedaan. Ook heeft eiser zijn onrechtmatige verblijf niet gemeld bij de korpschef, waardoor hij zich aan het toezicht heeft onttrokken. Gelet hierop zijn de zware gronden a en b feitelijk juist. Deze gronden zijn reeds voldoende om de maatregel te kunnen dragen. Verweerder heeft daarom terecht aangenomen dat sprake is van een risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.

Lichter middel

4. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte niet heeft volstaan met het opleggen van een lichter middel. Eiser voert daartoe aan dat hij Nederland vrijwillig wil verlaten en daarvoor meerdere keren vliegtickets heeft geboekt. Dat hij de betreffende vluchten niet heeft genomen, is volgens eiser het gevolg van omstandigheden, waaronder het verslapen, het te laat inchecken en het verliezen van zijn telefoon. Verder voert eiser aan dat hij in Nederland heeft gewerkt en verzoekt hij de rechtbank om de door hem gevraagde gegevens uit Suwinet bij de beoordeling te betrekken. Volgens eiser had verweerder onder deze omstandigheden kunnen volstaan met een lichter middel.

5. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Gelet op de gronden die aan de maatregel van vreemdelingenbewaring ten grondslag liggen, bestaat een risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd waarom niet met een lichter middel kan worden volstaan. Daarbij heeft verweerder kunnen betrekken dat eiser sinds februari 2026 in Nederland verblijft en niet uit eigen beweging is vertrokken. Dat eiser stelt meerdere keren vliegtickets te hebben geboekt, maakt dit niet anders. Eiser heeft deze stelling niet met stukken onderbouwd. Bovendien blijkt dat eiser, ondanks de door hem gestelde eerdere pogingen, Nederland niet daadwerkelijk heeft verlaten. De door eiser aangevoerde omstandigheden waarom hij zijn vluchten heeft gemist, doen hieraan niet af. Ook het verzoek om nog Suwinetgegevens bij het oordeel te betrekken leidt niet tot een ander oordeel. Voor zover uit deze gegevens zou blijken dat eiser in Nederland heeft gewerkt, neemt dit het vastgestelde risico op onttrekking aan het toezicht niet weg. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat een lichter middel in het geval van eiser niet doeltreffend kan worden toegepast.

6. De rechtbank ziet, gelet op wat hiervoor is overwogen, dan ook geen aanleiding om het onderzoek te heropenen om eiser in de gelegenheid te stellen de opgevraagde Suwinetgegevens over te leggen. Als gezegd kunnen deze gegevens niet tot een ander oordeel leiden over de rechtmatigheid van de maatregel van vreemdelingenbewaring. De rechtbank wijst het verzoek daarom af.

Ambtshalve toets

7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 30 oktober 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Gasi, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Vreemdelingenwet 2000. Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw. Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Dit volgt uit artikel 59c van de Vw. Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.