Vreemdelingenrecht
Vreemdelingenbewaring; artikel 50, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw; strafrechtelijke detentie…
Rechtbank Den Haag, 30 oktober 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:31938 · Rechtbank Den Haag · 30 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-31938
Zaakgegevens
Op 30 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Datum uitspraak
- 30 oktober 2026
- Datum publicatie
- 30 oktober 2026
- Zaaknummer
- NL26.63778
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:31938
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vreemdelingenbewaring; artikel 50, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw; strafrechtelijke detentie; voorbereidingshandelingen; inspanningsplicht; belangenafweging; gegrond
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.63778
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. P.H. Hillen),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. C.J. Ohrtmann).
Procesverloop
Met het bestreden besluit van 21 oktober 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 50, eerste lid, aanhef en onder a, Vw en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 28 oktober 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld in Breda. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, [tolk] , de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Hoewel de gemachtigde van eiser eerder had meegedeeld dat eiser zelf zijn verdediging wilde voeren, is hij alsnog ter zitting verschenen om eiser bij te staan.
Overwegingen
1. Eiser voert als enige grond aan dat verweerder zijn inspanningsverplichting heeft geschonden. Eiser is aansluitend op zijn strafrechtelijke detentie in vreemdelingenbewaring gesteld, terwijl verweerder onvoldoende voorbereidingshandelingen heeft verricht om dit te voorkomen. Volgens eiser heeft verweerder tijdens zijn strafrechtelijke detentie geen concrete handelingen gericht op zijn uitzetting verricht. Eiser verwijst hierbij naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 16 september 2026.
2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij aan zijn inspanningsverplichting heeft voldaan. Daarbij wijst verweerder op het gehoor van 29 september 2026, de voorbereiding van het terugkeerbesluit en het inreisverbod en het lichtingsverzoek. Voor zover sprake is van een schending van de inspanningsverplichting, stelt verweerder dat de belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen. Daarbij wijst verweerder op de relatief korte duur van de schending en de bewaring, het voortvarend handelen sinds de inbewaringstelling en de omstandigheid dat eiser onvoldoende heeft meegewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en zijn vertrek.
De rechtbank oordeelt als volgt.
3. Uit de hiervoor al aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 16 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5413, volgt dat bij een strafrechtelijke detentie van meer dan 30 dagen het overdrachtsdossier uiterlijk 30 dagen vóór het einde van de strafrechtelijke detentie bij de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) moet zijn. Verweerder moet vervolgens uiterlijk op de zevende werkdag na de dag waarop DT&V het overdrachtsdossier heeft ontvangen, een eerste voorbereidingshandeling verrichten. De inspanningsverplichting is erop gericht te voorkomen dat een vreemdeling na afloop van zijn strafrechtelijke detentie aansluitend in vreemdelingenbewaring wordt gesteld.
4. De rechtbank leidt uit de maatregel van bewaring af dat eiser sinds 23 augustus 2026 in [plaats] is aangehouden als verdachte van diefstal, dat hij vervolgens twee maanden in strafrechtelijke detentie heeft gezeten en op 21 oktober 2026 aansluitend in vreemdelingenbewaring is gesteld. Er is daarom sprake van een lange strafrechtelijke detentieperiode. Uit het dossier blijkt niet dat verweerder binnen deze termijn concrete handelingen heeft verricht die waren gericht op de daadwerkelijke terugkeer van eiser. Dat eiser op 29 september 2026 is gehoord over het inreisverbod en dat op 30 september 2026 een lichtingsverzoek is gedaan, maakt dit niet anders. Deze handelingen kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangemerkt als voorbereidingshandelingen waarmee verweerder voldoende invulling heeft gegeven aan zijn inspanningsverplichting. Ook de voorbereiding van het terugkeerbesluit en het inreisverbod is daarvoor onvoldoende. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder zijn inspanningsverplichting heeft geschonden.
5. Uit de uitspraak van de Afdeling van 16 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5412, volgt dat een schending van de inspanningsverplichting niet zonder meer betekent dat de daaropvolgende maatregel van bewaring onrechtmatig is. Er moet een belangenafweging plaatsvinden. Daarbij zijn onder meer de duur van de schending, de duur van de vreemdelingenbewaring, de mate waarin verweerder voortvarend handelt, de mogelijkheden om op korte termijn terugkeer te realiseren en de mate waarin de vreemdeling meewerkt aan zijn vertrek van belang.
6. De rechtbank is van oordeel dat de belangenafweging in dit geval in het voordeel van eiser dient uit te vallen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat verweerder gedurende een aanzienlijke periode voorafgaand aan de inbewaringstelling geen concrete voorbereidingshandelingen gericht op de terugkeer van eiser heeft verricht. Pas op 27 oktober 2026 heeft een vertrekgesprek plaatsgevonden en op 28 oktober 2026 is een laissez-passer aangevraagd. Deze handelingen hebben plaatsgevonden nadat eiser op 21 oktober 2026 in vreemdelingenbewaring was gesteld. Hoewel verweerder daarmee tijdens de bewaring handelingen gericht op de uitzetting heeft verricht en de bewaring op het moment van de zitting nog relatief kort duurde, neemt dit niet weg dat verweerder al tijdens de strafrechtelijke detentie voorbereidingen had moeten treffen. Niet is gebleken waarom verweerder daarmee niet eerder heeft kunnen beginnen. Evenmin is gebleken dat de uitzetting van eiser op korte termijn kan worden gerealiseerd.
7. De rechtbank onderkent het zwaarwegende belang van verweerder bij de bewaring en terugkeer van vreemdelingen die geen rechtmatig verblijf hebben. Dit belang weegt in dit geval echter niet op tegen het belang van eiser bij zijn invrijheidstelling. Daarbij is van belang dat verweerder gedurende de strafrechtelijke detentie onvoldoende inspanningen heeft verricht om aansluitende vreemdelingenbewaring te voorkomen, terwijl niet is gebleken dat daarvoor een rechtvaardiging bestond. De omstandigheid dat verweerder inmiddels een vertrekgesprek heeft gevoerd en een laissez-passer heeft aangevraagd, leidt als gezegd niet tot een ander oordeel. De rechtbank is daarom van oordeel dat de belangenafweging in het voordeel van eiser dient uit te vallen. De beroepsgrond slaagt.
8. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel van bewaring is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van vandaag, 30 oktober 2026.
9. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank, indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt, aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor negen dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 1 × € 160,- (verblijf politiecel) en 8 × € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.120,-.
10. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,-. De rechtbank rekent 1 punt voor de kennisgeving en 1 punt voor het verschijnen op de zitting.
Beslissing
De rechtbank:
-
verklaart het beroep gegrond;
-
beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag, 30 oktober 2026;
-
veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.120,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
-
veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan op 30 oktober 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Gasi, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.