Vreemdelingenrecht

Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag…

Rechtbank Den Haag, 3 november 2026

Zaakgegevens

Op 3 november 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Haarlem
Datum uitspraak
3 november 2026
Datum publicatie
3 november 2026
Zaaknummer
NL26.55474
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:32275
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag. Verweerder heeft eisers asielaanvraag niet in behandeling genomen omdat hij vindt dat Italië hiervoor verantwoordelijk is. Eiser wil graag dat Nederland zijn asielaanvraag behandelt. Hij stelt dat ten aanzien van Italië (nog steeds) niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Uit overgelegde landeninformatie blijkt volgens hem namelijk dat de opvangproblematiek in Italië nog steeds niet is opgelost.

De rechtbank volgt eiser niet. De rechtbank is van oordeel dat eiser geen objectieve informatie heeft overgelegd die maakt dat verweerder niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Dat de Italiaanse minister van Binnenlandse Zaken heeft gezegd dat hij geen opvangplekken reserveert voor personen die in het kader van de Asiel- en Migratiebeheerverordening (hierna: AMBV) - en voorheen in het kader van de Dublinverordening - terugkeren, maakt dit niet anders. Nederland reserveert namelijk van tevoren ook geen opvangplekken voor die groep. Op grond van het arrest A.B. en anderen tegen Finland[1] is dit ook niet verplicht. Verder blijkt uit door verweerder overgelegde stukken dat er in principe genoeg opvangplekken in Italië beschikbaar zijn. Uit eisers verklaringen blijkt tot slot ook niet dat er voor hem geen opvang beschikbaar is (geweest) in Italië.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder daarom terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië. Het beroep is ongegrond. Eiser kan worden overgedragen aan Italië.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.55474


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [#]

(gemachtigde: mr. T.J.J.M. Wijngaard),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Kamphuis).

Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag. Verweerder heeft eisers asielaanvraag niet in behandeling genomen omdat hij vindt dat Italië hiervoor verantwoordelijk is. Eiser wil graag dat Nederland zijn asielaanvraag behandelt. Hij stelt dat ten aanzien van Italië (nog steeds) niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Uit overgelegde landeninformatie blijkt volgens hem namelijk dat de opvangproblematiek in Italië nog steeds niet is opgelost.

1.1.

De rechtbank volgt eiser niet. De rechtbank is van oordeel dat eiser geen objectieve informatie heeft overgelegd die maakt dat verweerder niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Dat de Italiaanse minister van Binnenlandse Zaken heeft gezegd dat hij geen opvangplekken reserveert voor personen die in het kader van de Asiel- en Migratiebeheerverordening (hierna: AMBV) - en voorheen in het kader van de Dublinverordening - terugkeren, maakt dit niet anders. Nederland reserveert namelijk van tevoren ook geen opvangplekken voor die groep. Op grond van het arrest A.B. en anderen tegen Finland is dit ook niet verplicht. Verder blijkt uit door verweerder overgelegde stukken dat er in principe genoeg opvangplekken in Italië beschikbaar zijn. Uit eisers verklaringen blijkt tot slot ook niet dat er voor hem geen opvang beschikbaar is (geweest) in Italië.

1.2.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder daarom terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië. Het beroep is ongegrond. Eiser kan worden overgedragen aan Italië.

Procesverloop


2. Eiser heeft op 7 augustus 2026 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 14 september 2026 deze aanvraag niet in behandeling genomen omdat hij Italië verantwoordelijk acht voor de behandeling van de aanvraag.

2.1.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Ook heeft hij daarbij een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, die ertoe strekt dat hij niet kan worden overgedragen aan Italië totdat op het beroep is beslist.

2.2.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

2.3.

De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 1 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, [naam] als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

2.4.

De rechtbank heeft ter zitting in beide zaken het onderzoek gesloten en vervolgens op dezelfde dag partijen schriftelijk medegedeeld dat zij het onderzoek in beide zaken weer heropent. De rechtbank heeft daarbij aan verweerder gevraagd om een in het verweerschrift ingenomen standpunt nader toe te lichten en daarvoor een termijn gegeven. Vervolgens heeft de gemachtigde van eiser ook een termijn gekregen om hierop te reageren.

2.5.

Partijen hebben gebruik gemaakt van deze mogelijkheid en zij hebben schriftelijk gereageerd.

2.6.

De rechtbank heeft het onderzoek in de procedure van de voorlopige voorziening op 20 oktober 2026 gesloten en de gevraagde voorlopige voorziening toegewezen.

2.7.

De rechtbank heeft het onderzoek in de beroepsprocedure op 2 november 2026 gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Wat is het toepasselijk recht?

3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regels over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die stonden in de Dublinverordening. Vanaf 12 juni 2026 geldt niet meer de Dublinverordening maar de AMBV. In deze zaak dateren de aanvraag en het bestreden besluit van na 12 juni 2026 en heeft verweerder dit besluit dus ook genomen met toepassing van de AMBV. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit daarom op grond van artikel 43, eerste lid, van de AMBV.

Hoe is het bestreden besluit tot stand gekomen?

4. Op grond van de AMBV neemt Nederland een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In Eurodac staat dat eiser op 26 juli 2026 op Lampedusa vingerafdrukken heeft afgestaan en een asielaanvraag heeft ingediend. Daarom heeft verweerder op 17 augustus 2026 een kennisgeving van terugname gestuurd aan de Italiaanse autoriteiten grond van artikel 38, vierde lid, van de AMBV.

4.1.

De Italiaanse autoriteiten hebben niet op het verzoek gereageerd. Nu er niet binnen twee weken is gereageerd op het verzoek, staat dat gelijk aan aanvaarding van het verzoek op grond van artikel 41, vierde lid, van de AMBV. Italië is dus verantwoordelijk voor de asielaanvraag van eiser. Verweerder heeft geen aanleiding gezien om de asielaanvraag onverplicht in behandeling te nemen.

Hoe was de situatie voor 12 juni 2026?

5. Sinds het einde van 2022 heeft verweerder geen vreemdelingen meer overgedragen aan Italië. Eind 2022 hebben de Italiaanse autoriteiten een zogenoemde 'circular letter' aan de overige EU-lidstaten gestuurd, waarin werd verzocht overdrachten aan Italië tijdelijk op te schorten vanwege het gebrek aan opvangfaciliteiten. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in de uitspraak van 26 april 2023 geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Italië niet langer uit mocht gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, omdat vreemdelingen, vanwege het gebrek aan opvangfaciliteiten, bij overdracht een reëel risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest.

6. Zoals al onder 3 is overwogen, is op 12 juni 2026 (met de invoering van het Migratiepact) de AMBV in werking getreden. Tijdens het gesprek tussen de Nederlandse minister van Asiel en Migratie en de Italiaanse minister van Binnenlandse Zaken op 3 juni 2026, heeft de Italiaanse minister bevestigd richting Nederland dat Italië het pact per ingang van 12 juni 2026, waaronder ook de AMBV, volledig zal implementeren en dat Italië asielzoekers adequate opvang zal bieden.

Wat is het standpunt van eiser?

7. Eiser voert aan dat ten aanzien van Italië nog steeds niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Bij overdracht aan Italië zal hij terechtkomen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie, in de zin van het Jawo-arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Hij volgt niet het standpunt van verweerder dat de zogenoemde ‘circular letter’ niet langer van kracht is. Uit diverse informatie blijkt namelijk dat de opvangproblematiek die ten grondslag lag aan voornoemde ‘circular letter’ nog steeds niet is opgelost. Diezelfde problematiek was destijds reden om de

overdrachten aan Italië te staken. Voor zover verweerder het standpunt inneemt dat de opschorting op zichzelf niet voldoende is voor het bestaan van structurele tekortkomingen, merkt eiser op dat uit de beschikbare landeninformatie evenmin de verbeteringen blijken waaruit kan worden afgeleid dat de situatie inmiddels ‘wezenlijk is veranderd’, zoals

verweerder stelt. Eiser verwijst ter onderbouwing naar het rapport van Asylum Information Database, 'Country Report: Italy (2024 Update)', van 30 juli 2025 en naar het rapport van Asylum Information Database, 'Country Report: Italy (2025 Update)', van 29 juli 2026 (hierna: de AIDA-rapporten). In het meest recente AIDA-rapport staat verder ook dat de Italiaanse minister van Binnenlandse Zaken in april 2026 nog heeft aangegeven dat er geen plekken in de opvangvoorzieningen zijn gereserveerd voor Dublinclaimanten. Ter zitting heeft eiser daarnaast aangevoerd dat Italië alleen personen terugneemt die na 12 juni 2026 Italië zijn binnengekomen. Eiser heeft zelf in Italië destijds geen toereikende opvangvoorzieningen ontvangen. De enkele vaststelling dat, uit het meest recente EUAA-rapport volgt dat er ‘belangrijke ontwikkelingen’ plaatsvinden, acht eiser onvoldoende om de eerder breed gerapporteerde structurele tekortkomingen te weerleggen. Daarbij komt dat de verwijzing naar het EUAA-rapport ziet op een algemene beoordeling van de Migratiepact-implementatie, en niet specifiek op de AMBV-claimanten. Eiser verwijst naar het rapport van de Europese Commissie, ‘Communication from the Commission to the European Parliament and the Council’, van 15 juli 2026 (hierna: rapport van de Europese Commissie van 15 juli 2026), waarin is opgenomen dat geen indicaties bestaan dat verandering is gekomen in de opschorting door Italië van overdrachten op basis van de AMBV (voorheen Dublinverordening).

Wat is het standpunt van verweerder?

8. Verweerder stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van Italië wel kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Allereerst wijst hij erop dat de ‘circular letter’ niet langer van kracht is. Daarnaast geldt ook dat het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) heeft geoordeeld dat alleen de brief van december 2022 niet voldoende is om te oordelen dat een vreemdeling niet aan Italië mag worden overgedragen. Een verantwoordelijke lidstaat kan eenzijdig besluiten om overdrachten op te schorten. Maar op basis daarvan kan niet worden vastgesteld dat sprake is van structurele tekortkomingen. In de openbare landeninformatie ziet verweerder evenmin reden om aan te nemen dat sprake is van structurele tekortkomingen. Verweerder verwijst ook naar het rapport van de Europese Commissie van 15 juli 2026 en wijst erop dat de Commissie opmerkt dat het nationale opvangsysteem toereikend lijkt om de personen die op grond van de AMBV worden overgedragen onder te brengen in het landelijke netwerk voor opvangvoorzieningen. In dat kader wijst verweerder op de informatie van de EUAA over de opvangfaciliteiten in Italië in 2025 alsook op het recente rapport van EMN van juli 2026, Asylum and Migration Overview 2025. In beide stukken wordt ingegaan op de algemene opvangcapaciteit en de beschikbare plekken. Uit de AIDA-rapporten over 2024 en 2025 kan verder niet worden opgemaakt dat er in algemene zin systeemfouten zijn in de opvangvoorzieningen en ook niet in het bijzonder voor vreemdelingen die worden overgedragen aan Italië. In beide AIDA-rapporten is opgenomen dat de Italiaanse minister van Binnenlandse Zaken heeft aangegeven dat in het opvangsysteem geen plekken zijn gereserveerd voor Dublinterugkeerders. Daar kan volgens verweerder echter niet de conclusie aan worden verbonden dat sprake is van opvangproblematiek dan wel systeemfouten in de opvang. Verweerder benadrukt verder dat uit het AIDA-rapport van 2026 (update 2025) juist lijkt te volgen dat Dublin-terugkeerders wél toegang hebben tot opvang. Verweerder benoemt daarbij ook dat in Nederland evenmin aparte opvangplekken worden gereserveerd voor deze categorie.

Wat is het juridisch kader?

9. De rechtbank wijst allereerst op het volgende. Eén van de aspecten waarop de beoordeling van het beroep gelet op artikel 43, eerste lid, van de AMBV betrekking kan hebben, is de vraag of eiser bij overdracht een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest) loopt.

9.1.

De Afdeling heeft verder in haar uitspraak van 26 april 2023 het volgende overwogen:

‘3.1. Bij de beoordeling welke lidstaat op grond van de toepasselijke criteria verantwoordelijk is voor behandeling van een door een vreemdeling bij een van de lidstaten ingediend asielverzoek, gaat de staatssecretaris uit van het vermoeden dat de behandeling van een vreemdeling in de aangezochte lidstaat in overeenstemming is met de bepalingen van het EU Handvest, het Vluchtelingenverdrag en het EVRM (zie het arrest van het Hof van Justitie van 19 maart 2019, Jawo, ECLI:EU:C:2019:218, punt 80 en 81). Dat vermoeden is weerlegbaar (zie datzelfde arrest, punt 83-85) en het is aan een vreemdeling om dat te doen. Daarvoor kan hij objectieve informatie over de werking van het asielstelsel van de aangezochte lidstaat overleggen en kan hij feiten stellen of verklaringen afleggen over zijn ervaringen in de aangezochte lidstaat die aanknopingspunten bieden dat de asielprocedure en/of opvangvoorzieningen in die lidstaat systeemfouten bevatten. (…)

3.1.1.

Als de vreemdeling onder verwijzing naar objectieve informatie betoogt dat de staatssecretaris niet meer van het vermoeden kan uitgaan dat de aangezochte lidstaat aan zijn internationale verplichtingen zal voldoen, is het aan de staatssecretaris om te motiveren dat hij nog altijd van dat vermoeden mag uitgaan (vergelijk het arrest van het Hof van 16 februari 2017, C.K., ECLI:EU:C:2017:127, punt 75-77).

3.1.2.

Dat kan de staatssecretaris doen door de door de vreemdeling aan de objectieve informatie ontleende feiten gemotiveerd te betwisten of door gemotiveerd uit te leggen waarom hij tot een andere waardering van de door de vreemdeling op basis van de overgelegde objectieve informatie gestelde feiten komt. Voor zover tussen de vreemdeling en de staatssecretaris geen verschil bestaat in de waardering van de objectieve informatie, kan de staatssecretaris daarnaast motiveren waarom de systeemfouten in de asielprocedure en/of opvangvoorzieningen in de aangezochte lidstaat niet fundamenteel zijn of, zo dat wel het geval is, deze tekortkomingen niet de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken in de zin van het arrest Jawo, punt 91-93.’

9.2.

Verder is in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2024 het volgende overwogen: ‘Uit deze rechtspraak volgt dat, zoals aangevoerd door de Europese Commissie en alle regeringen die bij het Hof opmerkingen hebben ingediend, het bestaan van systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen die de verzoeker blootstellen aan een ernstig risico op onmenselijke of vernederende behandelingen, niet kan worden afgeleid uit het enkele feit dat de verantwoordelijke lidstaat eenzijdig en in strijd met de verplichtingen die krachtens het gemeenschappelijk Europees asielstelsel op hem rusten, de opschorting heeft aangekondigd van alle overdrachten naar zijn grondgebied van personen die om internationale bescherming verzoeken en bijgevolg van de procedures voor de overname en terugname van die verzoekers. Integendeel, het bestaan van dergelijke systeemfouten en een dergelijk risico kan pas worden vastgesteld na een concrete analyse op basis van objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens.’

9.3.

Uit het arrest X van het Hof, punt 77, volgt dat de lidstaten, los van de in aanmerking neming van de door de vreemdeling verstrekte informatie, gehouden zijn een verzoeker niet aan de verantwoordelijke lidstaat over te dragen wanneer zij niet onkundig kunnen zijn van het feit dat de structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor personen die om internationale bescherming in deze lidstaat verzoeken ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat de asielzoeker een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest. Aldus kan niet worden uitgesloten dat de lidstaat die met het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat is belast, uit eigen beweging rekening zal moeten houden met relevante informatie waarvan hij kennis heeft om te beslissen over de toepassing van artikel 3, lid 2, tweede alinea, van de Dublin III-verordening.

9.4.

Voornoemde jurisprudentie is onverkort van toepassing onder de AMBV.

Wat is de bewijslastverdeling?

10. Eiser heeft aangevoerd dat het na voornoemde uitspraak van de Afdeling van 2023 op de weg van verweerder ligt om te motiveren dat wél weer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De rechtbank volgt eiser daarin niet en motiveert dat als volgt.

10.1.

Uit het ook door de Afdeling aangehaalde arrest Jawo, volgt dat het allereerst aan eiser is om bewijzen te overleggen dat er een risico op schending van artikel 4 van het Handvest bestaat. Wel moet verweerder – los van de door eiser verstrekte informatie – uit eigen beweging rekening houden met relevante en objectieve informatie waarvan hij kennis heeft, om te beslissen over de toepassing van artikel 16, derde lid, van de AMBV (zie het al genoemde arrest X, punt 77).

10.2.

Anders dan eiser stelt, kan de rechtbank bij haar beoordeling dus niet onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 2023 als uitgangspunt nemen dat verweerder niet van het vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Die interpretatie van eiser vindt geen steun in de regelgeving of in het arrest Jawo. De rechtbank moet namelijk beoordelen of eiser voldoende bewijzen heeft overgelegd die aanknopingspunten bieden dat de asielprocedure en/of opvangvoorzieningen in die lidstaat systeemfouten bevatten. Als eiser die bewijzen heeft overgelegd, dient de rechtbank aan de hand van objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens, vast te stellen of sprake is van tekortkomingen die hetzij structureel of fundamenteel zijn, hetzij bepaalde groepen van personen raken. Daarin betrekt de rechtbank ook hetgeen eiser en verweerder naar voren hebben gebracht.

Kan ten aanzien van Italië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden uitgegaan?

11. De rechtbank is van oordeel dat eiser er niet in is geslaagd om bewijzen te overleggen dat een risico op schending van artikel 4 van het Handvest bestaat. Eiser heeft namelijk geen objectieve informatie overgelegd die aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat de opvangvoorzieningen in Italië systeemfouten bevat. De rechtbank motiveert dat als volgt.

11.1.

Ten eerste heeft eiser onder verwijzing naar het meest recente AIDA-rapport betoogd dat hij geen toegang heeft tot opvangvoorzieningen. In dat rapport is daarover opgenomen dat de Italiaanse minister van Binnenlandse Zaken in april 2026 heeft gesteld dat hij geen plekken voor Dublinterugkeerders reserveert. Verweerder heeft daar tegenover gesteld dat Nederland dat ook niet doet. Die handelswijze is aan te merken als efficiënt omgaan met de beschikbare opvangcapaciteit. Verweerder heeft hierbij toegelicht dat het niet reserveren van opvangplekken (voor AMBV-terugkeerders) ermee te maken heeft dat niet altijd vaststaat wanneer de overdracht in de individuele zaak in de tijd zal plaatsvinden en of de vreemdeling na overdracht nog wel recht heeft op opvang, dan wel hier zelf nog daadwerkelijk aanspraak op wil maken. Ook is het nog niet zeker of het overdrachtsbesluit in de verzoekende lidstaat de toets in rechte zal doorstaan of dat zich individuele overdrachtsbeletselen zullen voordoen.
De rechtbank begrijpt het standpunt van verweerder zo dat de omstandigheid dat geen plekken worden gereserveerd voor AMBV-terugkeerders niet betekent dat deze plekken niet kunnen worden vergeven aan AMBV-terugkeerders, maar dat het niet efficiënt is om deze van tevoren vrij te houden. De rechtbank volgt verweerder in dat standpunt. Verweerder heeft er daarbij ook terecht op gewezen dat uit het arrest A.B. en anderen tegen Finland volgt dat de Italiaanse autoriteiten – om redenen van efficiëntie – geen specifieke opvangplekken hoeven te reserveren voor Dublinclaimanten. Eisers beroepsgrond slaagt niet.

11.2.

De rechtbank volgt verweerder verder in zijn standpunt dat uit de beschikbare gegevens blijkt dat sprake is van voldoende opvangcapaciteit in Italië. Verweerder heeft in het verweerschrift aan de hand van een jaarverslag van het Italiaanse ministerie van Buitenlandse Zaken toegelicht dat er eind 2025 150.961 opvangplekken beschikbaar waren en dat het aantal beschikbare opvangplekken per jaar groeit. Verder heeft verweerder aan de hand van wekelijks gepubliceerde cijfers door de Italiaanse overheid toegelicht dat er op 30 september 2026 126.163 migranten in de opvang zaten. Daaruit leidt de rechtbank af, net als verweerder, dat er op dit moment geen gebrek aan opvangcapaciteit is. De rechtbank leest eenzelfde standpunt terug in het rapport van de Europese Commissie van 15 juli 2026. Hierin is namelijk ook opgenomen dat de organisatie van het nationale opvangsysteem toereikend lijkt om personen die in het kader van het AMBV worden overgebracht, onder te brengen in het bestaande landelijke netwerk van opvangvoorzieningen. Uit het rapport van de Europese Commissie van 15 juli 2026 volgt verder dat er nog de mogelijkheid is om de opvangcapaciteit op te schalen indien dat nodig is (als het aantal overbrengingen vanuit de AMBV toeneemt waardoor de huidige opvangcapaciteit niet meer zou volstaan).

11.3.

Ten tweede stelt eiser zich op het standpunt dat niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan omdat de Italiaanse autoriteiten nog niet meewerken aan AMBV-overdrachten. De rechtbank volgt echter het standpunt van verweerder, onder verwijzing naar het hiervoor genoemde arrest Tudmur en het arrest Daraa. De enkele omstandigheid dat (recente) overdrachten zijn geweigerd, is op zichzelf niet voldoende om tot het oordeel te komen dat bij overdracht een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling bestaat, zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest. Daarvoor moet sprake zijn van enig ander element waaruit blijkt dat sprake is van systeemfouten die resulteren in zo’n reëel risico. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank van andere elementen niet is gebleken. De rechtbank overweegt nog dat de stelling van eiser dat Italië enkel meewerkt aan AMBV-overdrachten van mensen die na 12 juni 2026 in Italië zijn aangekomen – nog los van de vraag of deze stelling juist is – eiser niet kan baten, omdat uit Eurodac volgt dat eiser pas op 26 juli 2026 (dus na 12 juni 2026) op Lampedusa aankwam. Ook deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

11.4.

Tot slot maakt ook eisers stelling dat hij eerder geen adequate opvang heeft ontvangen in Italië, het oordeel van de rechtbank niet anders. Ter zitting heeft eiser namelijk verklaard dat hij geen gebruik heeft gemaakt van de opvang omdat hij het daar onveilig achtte. Daarmee is – ongeacht dat het naar is dat eiser dit zo heeft ervaren – niet gebleken dat er geen opvang in Italië beschikbaar was voor eiser. Ook is niet gebleken dat eiser over de omstandigheden in de opvang niet zou kunnen klagen bij de Italiaanse autoriteiten.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser kan worden overgedragen aan Italië. Eiser krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Mons, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Poortier, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Verordening (EU) 2024/1351. Verordening (EU) nr. 604/2013. Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 20 april 2021, ECLI:CE:ECHR:2021:0420DEC004110019, r.o. 36. NL26.55475. ECLI:NL:RVS:2023:1655. Zie Informatiebericht 2026/25 Hervatten overdrachten aan Italië in het kader van de Asiel en migratiebeheer verordening en de brief van de minister aan de Tweede Kamer, van 22 juni 2026, met kenmerk 7996176, Kamerstukken II 32 317, nr. 1014. Arrest van het Hof van Justitie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218 (Jawo). Zie pagina 8. European Union Agency for Asylum. In de zaak RL en QS tegen Duitsland (Tudmur), C-185/24 en C-189/24, ECLI:EU:C:2024:1036. Arrest X van het Hof van Justitie van de Europese Unie, 29 februari 2024 ECLI:EU:C:2024:195. ECLI:EU:C:2019:218, r.o. 90. Voorheen artikel 3, tweede lid, tweede alinea, van de Dublinverordening. Inmiddels: AMBV-claimanten. https://www.interno.gov.it/sites/default/files/2026-06/relazione_performance_2025.pdf. https://libertaciviliimmigrazione.dlci.interno.gov.it/sites/default/files/2026-09/Cruscotto%20statistico%20giornaliero%2030-09-2026.pdf. DO tegen Bondsrepubliek Duitsland (Daraa), C-458/24, ECLI:EU:C:2026:146, r.o. 35.