Vreemdelingenrecht
Vreemdelingenbewaring; artikel 59a, eerste lid, van de Vw; lichter middel; ongegrond.
Rechtbank Den Haag, 3 november 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:32302 · Rechtbank Den Haag · 3 november 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-32302
Zaakgegevens
Op 3 november 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Datum uitspraak
- 3 november 2026
- Datum publicatie
- 3 november 2026
- Zaaknummer
- NL26.63638
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:32302
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vreemdelingenbewaring; artikel 59a, eerste lid, van de Vw; lichter middel; ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.63638
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. W.P.R. Peeters),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. C.J. Ohrtmann).
Procesverloop
Met het bestreden besluit van 21 oktober 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 28 oktober 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld in Breda. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [persoon] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
1. Verweerder kan de vreemdeling op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening (Ambv) van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van de Asiel- en migratiebeheerverordening. In de Ambv staat dat de lidstaten wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, de lidstaten de betrokken persoon in vreemdelingenbewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover vreemdelingenbewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.
2. Op grond van het Vb kan een vreemdeling in vreemdelingenbewaring worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat als bedoeld in de Ambv indien er een onderduikrisico bestaat of dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
3. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Ambv en een onderduikrisico bestaat.
In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt.
k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Ambv;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. Eiser voert aan dat hij wel degelijk heeft meegewerkt aan zijn overdracht aan Portugal en dat verweerder ten onrechte stelt dat hij niet wil meewerken. Volgens eiser heeft verweerder nagelaten een vlucht te boeken, terwijl hij heeft aangegeven bereid te zijn vrijwillig terug te keren. Verder betwist eiser dat sprake is van een risico op onttrekking aan het toezicht. Volgens hem ontbreekt de noodzaak om hem in bewaring te stellen.
6. De rechtbank is van oordeel dat de gronden a en k feitelijk juist zijn. Wat betreft grond a blijkt uit het dossier dat eiser met een door Portugal afgegeven Schengenvisum naar Nederland is gereisd en hier op 27 april 2026 asiel heeft aangevraagd. Het visum was afgegeven voor toeristische doeleinden en was op dat moment al verlopen. Verweerder heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet op de voorgeschreven wijze Nederland is binnengekomen. Ook grond k is feitelijk juist. Uit het aanmeldgehoor van 22 mei 2026 blijkt dat eiser uitdrukkelijk heeft verklaard niet te willen meewerken aan zijn overdracht aan Portugal. Ook tijdens het vertrekgesprek van 13 oktober 2026 heeft eiser verklaard niet mee te werken omdat hij zijn hoger beroep wil afwachten. De gronden a en k zijn voldoende om de maatregel te kunnen dragen. Daarom kan worden aangenomen dat een onderduikrisico bestaat. De overige gronden behoeven geen bespreking meer.
Lichter middel
7. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet met een lichter middel kon worden volstaan. Hij stelt dat hij steeds bereid is geweest mee te werken aan zijn overdracht en dat hij in het AZC verbleef in afwachting van de uitspraak op zijn hoger beroep. Volgens eiser bestond daarom geen noodzaak om hem in bewaring te stellen.
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft afgezien van het toepassen van een lichter middel. Uit het vertrekgesprek van 13 oktober 2026 blijkt dat eiser onvoldoende bereid is mee te werken aan zijn overdracht. Dat eiser hoger beroep heeft ingesteld tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag, maakt dit niet anders, nu dit geen schorsende werking heeft. Daarbij is sprake van een onderduikrisico en staat de overdracht aan Portugal gepland op 30 oktober 2026.
Ambtshalve toets
9. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank ook anderszins geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 3 november 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Gasi, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.