Vreemdelingenrecht

Eiseres heeft geen objectieve informatie overgelegd die aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat de…

Rechtbank Den Haag, 3 november 2026

Zaakgegevens

Op 3 november 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Haarlem
Datum uitspraak
3 november 2026
Datum publicatie
3 november 2026
Zaaknummer
NL26.52326
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:32277
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Eiseres heeft geen objectieve informatie overgelegd die aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat de opvangvoorzieningen in Italië systeemfouten bevatten en dat verweerder niet meer mag uitgaan van het vermoeden dat Italië zal voldoen aan zijn internationale verplichtingen.

Dat de Italiaanse minister van Binnenlandse Zaken heeft gezegd dat hij geen opvangplekken reserveert voor vreemdelingen die in het kader van de Asiel- en Migratiebeheerverordening (AMBV) worden overgebracht naar Italië, maakt dat oordeel niet anders omdat de verplichting daartoe ontbreekt.

De rechtbank is van oordeel dat uit de door verweerder overgelegde cijfers blijkt dat er in principe genoeg opvangplekken in Italië beschikbaar zijn voor personen die in het kader van AMBV worden overgebracht naar Italië. Ook kan het aantal opvangplekken worden opgeschaald indien nodig.

Beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.52326


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [#] , eiseres

(gemachtigde: mr. G.J. van Kammen),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. F. Gieskes).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Verweerder heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiseres heeft geen objectieve informatie overgelegd die aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat de opvangvoorzieningen in Italië systeemfouten bevatten en dat verweerder niet meer mag uitgaan van het vermoeden dat Italië zal voldoen aan zijn internationale verplichtingen. Dat de Italiaanse minister van Binnenlandse Zaken heeft gezegd dat hij geen opvangplekken reserveert voor vreemdelingen die in het kader van de Asiel- en Migratiebeheerverordening (AMBV) worden overgebracht naar Italië, maakt dat oordeel niet anders. Nederland reserveert namelijk van tevoren ook geen opvangplekken voor personen die in dat kader terugkeren. Op grond van het arrest A.B. en anderen tegen Finland is dit ook niet verplicht. De rechtbank is van oordeel dat uit de door verweerder overgelegde cijfers blijkt dat er in principe genoeg opvangplekken in Italië beschikbaar zijn voor personen die in het kader van AMBV worden overgebracht naar Italië. Ook kan het aantal opvangplekken worden opgeschaald indien nodig.

Dit betekent dat eiseres ongelijk krijgt. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 15 juli 2026 een asielaanvraag als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) ingediend. Zij stelt de Eritrese nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] . Verweerder heeft met het bestreden besluit van 31 augustus 2026 deze aanvraag niet in behandeling genomen omdat Italië daarvoor verantwoordelijk is.

2.1.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Gelijktijdig met het instellen van het beroep heeft eiseres een verzoek om voorlopige voorziening gedaan, zodat zij niet zal worden uitgezet totdat op het beroep is beslist.

2.2.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

2.3.

De rechtbank/voorzieningenrechter heeft het beroep en het verzoek op 29 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiseres en haar gemachtigde zijn – zonder bericht – niet verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek na de behandeling ter zitting gesloten.

2.4.

De rechtbank heeft op 2 oktober 2026 het onderzoek heropend en partijen in de gelegenheid gesteld tot een nadere reactie. Het verzoek om een voorlopige voorziening is bij uitspraak van 2 oktober 2026 toegewezen.

2.5.

Verweerder heeft op 6 oktober 2026 gereageerd en eiseres op 8 oktober 2026. Partijen hebben toestemming verleend dat er geen nadere zitting hoeft te worden gehouden. Hierna heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het besluit

3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regels over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die stonden in de Dublinverordening. Vanaf 12 juni 2026 geldt niet meer de Dublinverordening maar de AMBV. In deze zaak dateren de aanvraag en het bestreden besluit van na 12 juni 2026 en heeft verweerder dit besluit dus ook genomen met toepassing van de AMBV. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit daarom op grond van artikel 43, eerste lid, van de AMBV.

3.1.

Op grond van de AMBV neemt Nederland een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland Italië op 5 augustus 2026 gevraagd eiseres over te nemen omdat uit Eurodac is gebleken dat eiseres op 22 juni 2026 via Italië het grondgebied van de lidstaten is ingereisd terwijl dit niet mocht. Eiseres deed dit binnen 20 maanden voordat zij in Nederland asiel heeft aangevraagd. Op 17 augustus 2026 is Italië akkoord gegaan volgens artikel 33, eerste lid, van de AMBV.

Standpunten van partijen

4. Eiseres voert aan dat ten aanzien van Italië nog steeds niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De opvangproblematiek is nog aanwezig.

Eiseres verwijst naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg van 1 september 2026. De rechtbank overweegt in die uitspraak dat weliswaar sprake is van een gewijzigde juridische situatie door de AMBV, maar dat daarmee de problemen rond de opvangvoorzieningen niet automatisch zijn opgelost. Daarbij achtte de rechtbank van belang dat uit het AIDA-rapport van juli 2026 volgt dat de Italiaanse minister in april 2026 nog heeft aangegeven dat geen opvangplaatsen voor AMBV-terugkeerders waren gereserveerd. De enkele latere mededeling dat Italië het Asiel- en Migratiepact zal naleven en adequate opvang zal bieden, vond de rechtbank onvoldoende.

Eiseres verwijst in dit verband ook naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Bosch van 4 september 2026. De ‘Declaration of Intent’ bevat volgens de rechtbank geen concrete toezegging dat Italië feitelijk weer meewerkt aan overdrachten. Evenmin bevat deze concrete afspraken over de opvang van AMBV-terugkeerders. Ook ontbreekt informatie waaruit blijkt dat de eerdere circular letter daadwerkelijk is ingetrokken of dat de daarin genoemde opvangproblemen zijn opgelost. Dat raakt rechtstreeks aan de motivering in het bestreden besluit. Een politieke toezegging dat adequate opvang zal worden geboden is nog geen bewijs dat die opvang feitelijk aanwezig en toegankelijk is. De rechtbank Den Bosch heeft daarbij ook gewezen op het rapport van de Europese Commissie van juli 2026. Daaruit blijkt dat Italië in de eerste periode na toepassing van het nieuwe Migratiepact overdrachtsverzoeken wel stilzwijgend accepteerde, maar dat de feitelijke overdrachten nog steeds niet waren hervat. Uit deze uitspraak volgt volgens eiseres dat niet duidelijk is of zij na overdracht opvang zal krijgen en niet in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie terecht zou komen.

Eiseres verwijst ook naar het AIDA-rapport van juli 2026. Dit rapport bevestigt dat de (opvang)problematiek niet kan worden beschouwd als opgelost. De zittingsplaats Den Bosch wijst er in voornoemde uitspraak op dat de Italiaanse minister van Binnenlandse Zaken in april 2026 nog heeft verklaard dat het Italiaanse opvangsysteem geen plaatsen reserveerde voor AMBV-terugkeerders. Concrete aanwijzingen dat dit na 12 juni 2026 wezenlijk is gewijzigd, ontbreken volgens de rechtbank Den Bosch. Een beroep op de arresten Tudmur en Daraa neemt de onderzoeksplicht van verweerder niet weg, aldus eiseres. Verweerder had daarnaast de verklaringen en individuele omstandigheden van eiseres afzonderlijk en in samenhang met de algemene situatie moeten beoordelen.

4.1.

Eiseres voert naar aanleiding van het verzoek van de rechtbank te reageren op cijfers uit de openbare bron Reception-Italy van 10 september 2025 en de door verweerder bij het verweerschrift ingebrachte cijfers met betrekking tot de opvang nog het volgende naar voren. Het enkele bestaan van een bepaalde theoretische opvangcapaciteit betekent niet dat alle plaatsen daadwerkelijk beschikbaar, operationeel en toegankelijk zijn voor iedere categorie asielzoekers. Niet kan daaruit worden afgeleid dat personen die op grond van de AMBV aan Italië worden overgedragen daadwerkelijk in de opvang zullen worden opgenomen.

Uit de gegevens van de European Union Agency for Asylum (EUAA), laatstelijk bijgewerkt op 10 september 2025, volgt onder meer dat verweerder bij zijn vergelijking van de totale capaciteit onvoldoende rekening houdt met verschillen in de gehanteerde categorieën. De gestelde capaciteitsgroei kan daarom niet zonder nadere toelichting in de door verweerder voorgestane omvang worden aangenomen. Voor zover verweerder verwijst naar de door het Italiaanse ministerie van Binnenlandse Zaken gepubliceerde cijfers van 30 september 2026 is het zo dat het Italiaanse statistische overzicht van 30 september 2026 uitsluitend vermeldt hoeveel personen in de verschillende opvangvormen aanwezig zijn. Het overzicht bevat geen actuele opgave van de op diezelfde datum beschikbare capaciteit en het hanteert verschillende peildata.

Voorts is niet duidelijk of eiseres als AMBV-terugkeerder na overdracht daadwerkelijk (weer) toegang krijgt tot (gereserveerde) opvang en de voorzieningen die noodzakelijk zijn om in haar elementaire levensbehoeften te kunnen voorzien. Eiseres verwijst hiervoor ook naar het AIDA-rapport van juli 2026.

5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat de situatie in Italië wezenlijk is gewijzigd ten opzichte van de situatie die aan de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 26 april 2023 ten grondslag lag. Bij de huidige stand van zaken bestaat er volgens verweerder geen reëel risico dat een vreemdeling na overdracht in een situatie van een zeer verregaande materiële deprivatie terecht komt, zoals bedoeld in het arrest Jawo van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof). Verweerder heeft daarbij verwezen naar een toezegging van de Italiaanse minister dat Italië de AMBV volledig zal implementeren en adequate opvang zal bieden en het rapport van de European Union Agency for Asylum (hierna: de EUAA) van juni 2026 waarin geen informatie is opgenomen
waaruit blijkt dat eiseres in Italië geen opvang zou kunnen krijgen, of sprake is van andere serieuze problemen. Dat volgt ook niet uit het AIDA-rapport van juni 2025.

5.1.

In zijn nadere reactie heeft verweerder aangegeven dat de openbare bron Reception-Italy deels betrokken is bij het rapport van de EUAA van juni 2026 over de opvangfaciliteiten in Italië in 2025. Dit rapport is genoemd in het aan de rechtbank toegezonden hoger beroepschrift van 24 september 2026, gericht tegen de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 10 september 2026. In dit hoger beroepschrift is verder gewezen op het recente rapport van EMN van juli 2026, Asylum and Migration Overview 2025, als ook op de meest recente cijfers over de aanwezige migranten in de opvang in Italië.

Verweerder merkt voorts op dat nergens in de aangehaalde openbare bron Reception-Italy gesproken wordt over structurele overbevolking van de verschillende opvangcentra. Verder kunnen hieruit ook geen fundamentele systeemfouten worden herleid voor wat betreft de toekenning van materiële opvangvoorzieningen, in het geval een vreemdeling in Italië daar recht op heeft. De cijfers laten zien dat van een (structureel) tekort aan opvangplekken geen sprake is. Uit cijfers van het officiële jaarverslag van het Italiaanse Ministerie van Binnenlandse Zaken 'Relazione sulla performance' blijkt dat eind 2025 er een totale opvangcapaciteit was van 150.961. Hetgeen een groei is van het aantal opvangplekken ten aanzien van de cijfers die volgen uit de openbare bron van september 2025.

Gelet op de recente informatie kan dus niet worden aangenomen dat er op dit moment sprake is van structurele en fundamentele opvangproblematiek in Italië, en zeer zeker niet dat zich na overdracht een reëel en voorzienbaar risico op schending van artikel 4 van het EU Handvest zal voordoen wegens het opvangsysteem in Italië. Dat het nationale opvangsysteem in Italië toereikend is om personen die op grond van de AMBV worden overgedragen onder te brengen in het landelijke netwerk voor opvangvoorzieningen, wordt met vorenstaande recente informatie nogmaals onderschreven. Verweerder wijst er voorts nog op dat in het eerder genoemde rapport van de Europese Commissie van juli 2026
staat aangegeven dat in het geval van toename van het aantal overdrachten een uitbreiding van de opvangcapaciteit mogelijk is.

Toetsingskader

6. Bij de beoordeling welke lidstaat op grond van de toepasselijke criteria verantwoordelijk is voor behandeling van een door een vreemdeling bij een van de lidstaten ingediend asielverzoek, gaat verweerder uit van het vermoeden dat de behandeling van een vreemdeling in de aangezochte lidstaat in overeenstemming is met de bepalingen van het EU Handvest, het Vluchtelingenverdrag en het EVRM (zie het arrest van het Hof van Justitie van 19 maart 2019, Jawo, punt 80 en 81). Dat heet het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dat vermoeden is weerlegbaar (zie datzelfde arrest, punt 83-85) en het is aan eiseres om dat te doen. Daarvoor kan zij objectieve informatie over de werking van het asielstelsel van de aangezochte lidstaat overleggen en kan zij feiten stellen of verklaringen afleggen over haar ervaringen in de aangezochte lidstaat die aanknopingspunten bieden dat de asielprocedure en/of opvangvoorzieningen in die lidstaat systeemfouten bevatten.

6.1.

Als eiseres onder verwijzing naar objectieve informatie betoogt dat verweerder niet meer van het vermoeden kan uitgaan dat de aangezochte lidstaat aan zijn internationale verplichtingen zal voldoen, mag verweerder die gegevens niet buiten beschouwing laten en is het aan verweerder om te motiveren dat hij nog altijd van dat vermoeden mag uitgaan (vergelijk het arrest van het Hof van 16 februari 2017, C.K., ECLI:EU:C:2017:127, punt 75-77).

6.2.

Dat kan verweerder doen door de door eiseres aan de objectieve informatie ontleende feiten gemotiveerd te betwisten of door gemotiveerd uit te leggen waarom hij tot een andere waardering van de door eiseres op basis van de overgelegde objectieve informatie gestelde feiten komt. Verweerder moet niet alleen door eiseres aan de objectieve informatie ontleende en gestelde feiten in aanmerking nemen, maar ook uit eigen beweging rekening houden met relevante en objectieve informatie waarvan hij kennis heeft. Voor zover tussen eiseres en verweerder geen verschil bestaat in de waardering van de objectieve informatie, kan verweerder daarnaast motiveren waarom de systeemfouten in de asielprocedure en/of opvangvoorzieningen in de aangezochte lidstaat niet fundamenteel zijn of, zo dat wel het geval is, deze tekortkomingen niet de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken in de zin van het arrest Jawo, punt 91-93.

6.3.

Als verweerder er vooralsnog niet in slaagt om deugdelijk te motiveren dat hij nog altijd van het vermoeden mag uitgaan en hij niet het asielverzoek aan zich wil trekken, is hij gehouden nader onderzoek te doen in de aangezochte lidstaat (zie het arrest van het EHRM van 21 januari 2011, M.S.S. tegen België en Griekenland, ECLI:CE:ECHR:2011:0121JUD003069609, paragraaf 359).

6.4.

Wanneer de rechterlijke instantie waarbij een beroep tegen een overdrachtsbesluit wordt ingesteld, over door de betrokken persoon overgelegde bewijzen beschikt dat een dergelijk risico bestaat, is deze rechter dan ook ertoe gehouden om op basis van objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens en afgemeten aan het beschermingscriterium van de door het Unierecht gewaarborgde grondrechten, te oordelen of er sprake is van tekortkomingen die hetzij structureel of fundamenteel zijn, hetzij bepaalde groepen van personen raken (zie naar analogie arrest van 5 april 2016, Aranyosi en Căldăraru, C-404/15 en C-659/15 PPU, EU:C:2016:198, punt 89, Jawo, punt 83, 84 en 90).

6.5.

Uit het arrest X van het Hof, punt 77 volgt dat de lidstaten, los van de in aanmerking neming van de door de verzoeker verstrekte informatie, gehouden zijn een verzoeker niet aan de verantwoordelijke lidstaat over te dragen wanneer zij niet onkundig kunnen zijn van het feit dat de structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor personen die om internationale bescherming in deze lidstaat verzoeken ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat de asielzoeker een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest. Aldus kan niet worden uitgesloten dat de lidstaat die met het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat is belast, uit eigen beweging rekening zal moeten houden met relevante informatie waarvan hij kennis heeft om te beslissen over de toepassing van artikel 3, lid 2, tweede alinea, van de Dublin III-verordening.

6.6

Uit de arresten Tudmur en Daara van het Hof, punt 32-39 en 62-63 volgt dat alleen „systeemfouten” die „resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het [Handvest]” het onmogelijk maken een persoon die om internationale bescherming verzoekt aan de verantwoordelijke lidstaat over te dragen en vereisen dat het onderzoek van de criteria van hoofdstuk III van die verordening wordt voortgezet om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is.

Aan de eerste voorwaarde, betreffende het bestaan van „systeemfouten”, is voldaan wanneer de betrokken tekortkomingen voortduren en zij betrekking hebben op de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor personen die om internationale bescherming verzoeken in het algemeen of, op zijn minst, op bepaalde groepen van personen die om internationale bescherming verzoeken in hun geheel. Deze tekortkomingen moeten bovendien bijzonder verregaand zijn, wat afhangt van alle gegevens van de zaak.

Aan de tweede voorwaarde, namelijk het bestaan van een risico van onmenselijke en vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest, is voldaan wanneer dergelijke systeemfouten voor de betrokkene het risico inhouden dat hij in de lidstaat die als verantwoordelijke is aangewezen, wordt blootgesteld aan behandelingen die in strijd zijn met dat artikel 4 van het Handvest.

Bij gebreke van enig ander element waaruit blijkt dat er sprake is van systeemfouten die resulteren in een dergelijk risico, moet worden geoordeeld dat in een situatie waarin de lidstaat die op grond van de criteria van hoofdstuk III van de Dublin III-verordening als verantwoordelijke lidstaat is aangewezen, de overname en terugname van personen die om internationale bescherming verzoeken eenzijdig heeft opgeschort, niet is voldaan aan de cumulatieve toepassingsvoorwaarden van artikel 3, lid 2, tweede alinea, van die verordening. In een dergelijk geval hoeft de lidstaat die met het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat is belast, dus niet op basis van die bepaling de criteria van hoofdstuk III van die verordening verder te onderzoeken noch wordt hij op grond van artikel 3, lid 2, derde alinea, van die verordening zelf de verantwoordelijke lidstaat. De rechtbank is van oordeel dat voornoemde Hof jurisprudentie die gebaseerd is op de Dublinverordening eveneens van toepassing is onder de AMBV.

Wat is de bewijslastverdeling?

7. De rechtbank is van oordeel dat uit het arrest Jawo volgt dat het allereerst aan eiseres is om bewijzen te overleggen dat er een risico op schending van artikel 4 van het Handvest bestaat.

Verder moet verweerder – los van de door eiser verstrekte informatie – uit eigen beweging rekening houden met relevante en objectieve informatie waarvan hij kennis heeft, om te beslissen over de toepassing van artikel 16, derde lid, van de AMBV (zie het al genoemde arrest X, punt 77).

Anders dan eiseres stelt, kan de rechtbank bij haar beoordeling dus niet onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 2023 als uitgangspunt nemen dat verweerder niet van het vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Naar het oordeel van de rechtbank vindt die interpretatie van eiseres geen steun in de regelgeving of in het arrest Jawo.

De rechtbank moet beoordelen of eiseres voldoende bewijzen heeft overgelegd die aanknopingspunten bieden dat de asielprocedure en/of opvangvoorzieningen in die lidstaat systeemfouten bevatten. Ook moet de rechtbank de door verweerder ingebrachte relevante informatie betrekken bij haar beoordeling. De rechtbank dient vervolgens op grond van het arrest Jawo aan de hand van objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens, vast te stellen of sprake is van tekortkomingen die hetzij structureel of fundamenteel zijn, hetzij bepaalde groepen van personen raken.

Kan ten aanzien van Italië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden uitgegaan?

8. De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van Italië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Zij motiveert dat als volgt.

8.1.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres er niet in is geslaagd om bewijzen te overleggen dat er een risico op schending van artikel 4 van het Handvest bestaat.

Eiseres heeft geen objectieve informatie overgelegd die aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat de opvangvoorzieningen in Italië systeemfouten bevatten en dat verweerder niet meer mag uitgaan van het vermoeden dat Italië zal voldoen aan zijn internationale verplichtingen. Voor zover eiseres onder verwijzing naar het AIDA-rapport van juli 2026 (pagina 102) heeft gesteld dat de Italiaanse minister in april 2026 aangaf dat er geen plaatsen gereserveerd zijn voor AMBV-terugkeerders, heeft verweerder zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat een dergelijke handelwijze is aan te merken als efficiënt omgaan met de beschikbare opvangcapaciteit. Verweerder merkt op dat in Nederland evenmin aparte opvangplekken worden gereserveerd voor deze categorie. Het staat immers niet altijd vast wanneer de overdracht in de individuele zaak in de tijd zal geschieden en of de vreemdeling na overdracht nog wel recht op opvang heeft, dan wel hier zelf nog daadwerkelijk aanspraak op wil maken. Ook is het ongewis of het overdrachtsbesluit in de verzoekende lidstaat de toets in rechte zal doorstaan of dat zich individuele overdrachtsbeletselen mogelijk zullen voordoen. Verweerder heeft aangegeven dat AMBV-terugkeerders na overdracht in de algemene asielprocedure terechtkomen en dezelfde rechten hebben als asielzoekers die op reguliere wijze binnenkomen in de normale opvang. Er hoeven voor AMBV-terugkeerders daarom geen plekken te worden gereserveerd. Verweerder heeft er daarbij ook terecht op gewezen dat uit het arrest A.B. en anderen tegen Finland volgt dat de Italiaanse autoriteiten – om redenen van efficiëntie – geen specifieke opvangplekken hoeven te reserveren voor AMBV-terugkeerders. De rechtbank acht het in dat licht begrijpelijk dat Italië geen opvangplekken van tevoren vrijhoudt voor AMBV-terugkeerders en acht dit geen systeemfout in de opvangvoorzieningen in Italië.

8.2.

De rechtbank betrekt bij haar beoordeling dat verweerder aan de hand van een jaarverslag van het Italiaanse ministerie van Buitenlandse Zaken heeft toegelicht dat er eind 2025 150.961 opvangplekken, verdeeld over verschillende soorten locaties, beschikbaar waren en dat het aantal beschikbare opvangplekken per jaar groeit. Verder heeft verweerder aan de hand van wekelijks gepubliceerde cijfers door de Italiaanse overheid toegelicht dat er op 30 september 2026 126.163 migranten in de opvang zaten. Daaruit leidt de rechtbank af, net als verweerder, dat er op dit moment geen gebrek aan opvangcapaciteit is. De rechtbank leest eenzelfde standpunt terug in het rapport van de Europese Commissie van 15 juli 2026. Hierin is namelijk ook opgenomen dat de organisatie van het nationale opvangsysteem toereikend lijkt om personen die in het kader van het AMBV worden overgebracht, onder te brengen in het bestaande landelijke netwerk van opvangvoorzieningen. Voor zover eiseres zich op het standpunt heeft gesteld dat bij de opvangcapaciteit van 150.961 onvoldoende rekening is gehouden met de verschillen in opvangvormen en dat de wekelijks gepubliceerde cijfers van 30 september 2026 geen actuele weergave bevat van de op diezelfde dag beschikbare opvangcapaciteit, brengt dat de rechtbank niet tot een ander oordeel. Het is aan eiseres om objectieve informatie aan te dragen waaruit systeemfouten volgen en eiseres heeft deze stellingen onvoldoende onderbouwd. Niet is gebleken dat er bij een specifieke opvangvorm of locatie een capaciteitsgebrek is of dat de opvangcapaciteit sinds eind 2025 is gedaald. Bovendien volgt uit het rapport van de Europese Commissie van 15 juli 2026 dat er de mogelijkheid is om de opvangcapaciteit op te schalen indien dat nodig is (als het aantal overbrengingen vanuit de AMBV toeneemt waardoor de huidige opvangcapaciteit niet meer volstaat).

8.3.

Ten tweede stelt eiseres zich op het standpunt dat niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan omdat de Italiaanse autoriteiten nog niet meewerken aan AMBV-overdrachten. De rechtbank volgt echter, onder verwijzing naar het hiervoor genoemde arrest Tudmur en het arrest Daraa, het standpunt van verweerder. De enkele omstandigheid dat (recente) overdrachten zijn geweigerd, is op zichzelf niet voldoende om tot het oordeel te komen dat bij overdracht een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling bestaat, zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest. Daarvoor moet sprake zijn van enig ander element waaruit blijkt dat sprake is van systeemfouten die resulteren in zo’n reëel risico. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank van andere elementen niet is gebleken.

8.4.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder de omstandigheid dat eiseres een broer in Nederland heeft wonen, voldoende bij de beoordeling heeft betrokken. Verweerder stelt terecht dat eiseres de gestelde familieband met haar broer niet heeft onderbouwd. Bovendien is de AMBV, net als de Dublinverordening was, geen middel om gezinshereniging te krijgen.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond.

9.1.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Broekhof, rechter, in aanwezigheid van A.J. Vervoordeldonk, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 2 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Verordening (EU) 2024/1351, voorheen Dublinverordening (EU) nr. 604/2013 . Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 20 april 2021, ECLI:CE:ECHR:2021:0420DEC004110019, r.o. 36. NL26.52327. Verordening (EU) nr. 604/2013. ECLI:NL:RBDHA:2026:25154. AIDA-IT_2025-Update.pdf Dublinterugkeerders / Dublinclaimanten / AMBV-terugkeerders: personen die op grond van thans de AMBV worden overgedragen. ECLI:NL:RBDHA:2026:25614. Eind 2022 hebben de Italiaanse autoriteiten een zogenoemde 'circular letter' aan de overige EU-lidstaten gestuurd, waarin werd verzocht overdrachten aan Italië tijdelijk op te schorten vanwege het gebrek aan opvangfaciliteiten. ‘Communication from the Commission to the European Parliament and the Council’, van 15 juli 2026. ‘Communication from the Commission to the European Parliament and the Council’, van 15 juli 2026. Arrest van 19 december 2024, C-185/24 en C-189/24, EU:C:2024:1036 (Tudmur), randnummer 42 en arrest van 5 maart 2026, C-458-24, EU:C:2026L146 (Daraa). Reception - Italy | DIP EUAA (https://dip.euaa.europa.eu/countries/italy/reception-italy) ECLI:NL:RVS:2023:1655. Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218. https://dip.euaa.europa.eu/countries/italy/reception-italy#section-2912. ECLI:NL:RBDHA:2026:26804. Relazione sulla performance | Ministero dell‘Interno (https://www.interno.gov.it/it/amministrazione-trasparente/performance/relazione-sulla-performance) Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Zie ook ECLI:NL:RVS:2024:3455. Arrest X van het Hof van Justitie van de Europese Unie, 29 februari 2024 ECLI:EU:C:2024:195. ECLI:EU:C:2019:218, r.o. 90. Voorheen artikel 3, tweede lid, tweede alinea, van de Dublinverordening. Zie in dit verband onder meer ook het arrest van het Hof van mei 2016, M.R. and Others v. Finland en A.B. e.a. tegen Finland van 20 april 2021. (EHRM, app. no. 41100/19, ECLI:CE:ECHR:2021:0420DEC004110019.) Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 20 april 2021, ECLI:CE:ECHR:2021:0420DEC004110019, r.o. 36. https://www.interno.gov.it/sites/default/files/2026-06/relazione_performance_2025.pdf. https://libertaciviliimmigrazione.dlci.interno.gov.it/sites/default/files/2026-09/Cruscotto%20statistico%20giornaliero%2030-09-2026.pdf. Centri di Prima Accoglienza (CPA), de Centri di Accoglienza Straordinaria (CAS) en het Sistema diAccoglienza e lntegrazione (SAl) en hotspotplaatsen. DO tegen Bondsrepubliek Duitsland (Daraa), C-458/24, ECLI:EU:C:2026:146, r.o. 35.