Vreemdelingenrecht
Ambv – Italië – interstatelijk vertrouwensbeginsel – beroep ongegrond.
Rechtbank Den Haag, 28 oktober 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:31954 · Rechtbank Den Haag · 28 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-31954
Zaakgegevens
Op 28 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Datum uitspraak
- 28 oktober 2026
- Datum publicatie
- 30 oktober 2026
- Zaaknummer
- NL26.52515
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:31954
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Ambv – Italië – interstatelijk vertrouwensbeginsel – beroep ongegrond.
Uitspraak
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL26.52515
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer], eiser (gemachtigde: mr. M.B. van den Toorn-Volkers),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. C.H.H.P.M. Kelderman).
Procesverloop
Met het bestreden besluit van 31 augustus 2026 heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Italië daarvoor verantwoordelijk is.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft op 8 oktober 2026 een verweerschrift met bijlagen ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 9 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen.
De rechtbank heeft aan het einde van de zitting het onderzoek niet gesloten en eiser in de gelegenheid gesteld om een reactie in te dienen op de door verweerder op 8 oktober 2026 ingediende stukken.
Eiser heeft op 11 oktober 2026 een reactie ingediend.
De rechtbank heeft op 19 oktober 2026 het onderzoek gesloten, nadat partijen binnen een door de rechtbank gestelde termijn niet kenbaar hebben gemaakt dat zij gehoord willen worden op een nadere zitting.
Beoordeling door de rechtbank
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1992 en de Algerijnse nationaliteit te hebben. Op 29 juli 2026 heeft hij een asielaanvraag ingediend in Nederland.
2. Uit het Eurodac-systeem is gebleken dat Italië moet bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielaanvraag. Verweerder heeft de autoriteiten van Italië hiervan kennisgegeven. De Italiaanse autoriteiten hebben op 17 augustus 2026 de kennisgeving bevestigd. Vervolgens heeft verweerder in het bestreden besluit eisers asielaanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw,omdat Italië daarvoor verantwoordelijk is op grond van artikel 38, vierde lid, eerste alinea, van de Ambv.
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat ten aanzien van Italië kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In Italië is namelijk sprake van ernstige, regelmatige en langdurige tekortkomingen, waardoor bij overdracht een reëel risico bestaat op een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest. Eiser wijst hierbij op een uitspraak van de Afdelingvan 26 april 2023, diverse nieuwsartikelen, een uitspraak van deze zittingsplaats van 1 september 2026en twee brieven van verweerder waaruit volgt dat verweerder verzoeken aan Italië met betrekking tot de Ambv intrekt.
4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van Italië wel degelijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. In zijn verweerschrift verwijst verweerder onder meer naar een rapport van de Europese Commissie van 15 juli 2026, een jaarverslag van het Italiaanse ministerie van Binnenlandse Zaken over 2025 en een rapportage van UNHCR van 17 september 2026. Volgens verweerder volgt uit deze informatie dat er voldoende opvangcapaciteit is en dat die capaciteit ook toeneemt.
De rechtbank oordeelt als volgt. Interstatelijk vertrouwensbeginsel
5. Het uitgangspunt is dat verweerder bij de toepassing van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag uitgaan dat een andere lidstaat zijn verplichtingen uit het Unierecht nakomt. Dit uitgangspunt is ten aanzien van Italië echter niet onverkort van toepassing. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 26 april 2023 geoordeeld dat verweerder zich, gelet op de destijds bestaande situatie, niet zonder nader onderzoek op het interstatelijk vertrouwensbeginsel kon beroepen bij overdrachten aan Italië. Daarbij heeft de Afdeling betekenis toegekend aan het gebrek aan beschikbare opvangfaciliteiten en aan het verzoek van de Italiaanse autoriteiten voor de tijdelijke opschorting van overdrachten. Uit de berichtgeving van de Italiaanse autoriteiten volgt weliswaar niet zonder meer onverschilligheid tegenover de situatie van vreemdelingen, maar wel dat er een reëel risico bestaat dat vreemdelingen buiten hun eigen wil en keuzes om bij overdracht aan Italië in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie terechtkomen zoals bedoeld in het arrest Jawo.Het is daarom aan verweerder om aannemelijk te maken dat de omstandigheden inmiddels zodanig zijn gewijzigd dat weer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië kan worden uitgegaan.
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat de situatie in Italië in betekenisvolle mate is gewijzigd. De rechtbank verwijst hiervoor allereerst naar de uitspraken van 1 september en 8 oktober 2026van deze rechtbank en zittingsplaats. Daarin is geoordeeld dat verweerder er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat ten aanzien van Italië weer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De rechtbank heeft bij deze uitspraak het rapport van de Europese Commissie en het jaarverslag van het Italiaanse ministerie van Binnenlandse Zaken betrokken.
7. Uit de informatie waar verweerder in deze procedure naar heeft verwezen, waaronder van UNHCR, blijkt geen wezenlijk ander beeld dan de informatie de rechtbank reeds bij de eerdere uitspraken heeft betrokken. De informatie van UNHCR heeft niet concreet betrekking op de situatie van terugkeerders op grond van de Ambv, terwijl dat wel de situatie is die ter beoordeling voorligt. Bovendien, als de uitleg van verweerder op die cijfers wordt gevolgd, zou Italië in 2023 voldoende opvangcapaciteit hebben gehad, terwijl vaststaat dat dit niet het geval was. Derhalve volgt de rechtbank, zonder verdere concrete toelichting en onderbouwing door verweerder, verweerder niet in zijn standpunt dat daaruit blijkt dat Italië over voldoende opvangcapaciteit beschikt. Daarnaast stelt verweerder weliswaar terecht dat in de mededeling van de Europese Commissie staat dat de opvangcapaciteit toereikend lijkt en dat uit informatie van de Italiaanse overheid volgt dat het aantal beschikbare plekken is gestegen ten opzichte van eerdere jaren, maar dat betekent niet dat deze opvang voor eiser als Ambv-terugkeerder ook toegankelijk zal zijn. Dit kan juist betwijfeld worden op basis van de mededeling van de Europese Commissie dat er geen indicaties zijn dat de situatie in Italië zoals die was onder de Dublinverordening is gewijzigd. Verweerder heeft verder geen objectieve informatie overgelegd waaruit blijkt dat opvang zal worden geboden aan asielzoekers die worden overgedragen in het kader van de Ambv. De algemene mondelinge toezegging van de Italiaanse minister over het bieden van adequate opvang is onvoldoende om daarvan uit te kunnen gaan, met name in het licht van nieuwsberichten en andere informatie van na die datum die melden dat Italië onvoldoende opvangvoorzieningen beschikbaar heeft.
8. De rechtbank is gelet op het bovenstaande van oordeel dat verweerder onvoldoende zorgvuldig onderzoek heeft gedaan en onvoldoende heeft gemotiveerd dat de situatie in Italië dermate is veranderd dat wel weer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eisers beroepsgrond slaagt.
Conclusie
9. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit genomen is in strijd is met de artikelen 3:42 en 3:46 van de Awb.Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. Gelet op de aard van de geconstateerde gebreken ziet de rechtbank geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
10. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak.
11. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934 omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend Deze proceshandeling levert een punt op zoals bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht met een waarde per punt van € 934, vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond,
- vernietigt het bestreden besluit van 31 augustus 2026;
- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 934 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan op 29 oktober 2026 door mr. A.J. de Danschutter, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.