Vreemdelingenrecht

Syrië / bedreigingen niet geloofwaardig geacht / vrees algemene situatie / ongegrond

Rechtbank Den Haag, 3 november 2026

Zaakgegevens

Op 3 november 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Groningen
Datum uitspraak
3 november 2026
Datum publicatie
3 november 2026
Zaaknummer
NL26.3404
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:32308
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Syrië / bedreigingen niet geloofwaardig geacht / vrees algemene situatie / ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.3404


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. A.P.E.M. Pover)

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. N. Mikolajczyk).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij heeft de Syrische nationaliteit is geboren op [geboortedatum] . De minister heeft met het bestreden besluit van 24 december 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.

2.1.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep op 25 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij niet kan terugkeren naar Syrië vanwege de algemene situatie daar. Syrië is nog altijd niet veilig en er heerst veel onrust en chaos. Eiser vreest bij terugkeer ontvoerd of vermoord te worden. Daarnaast heeft hij verklaard bedreigd te zijn door de broers van zijn ex-echtgenote. Zij hebben hem in twee telefoongesprekken verteld dat ze hem iets aan willen doen omdat hij hun zus zwart heeft gemaakt en zo de eer van de familie heeft geschonden.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

- eisers identiteit, nationaliteit en herkomst;

- zijn vrees voor de algemene situatie in Syrië;

- de ondervonden bedreigingen door de broers van zijn ex-echtgenote.

4.1.

De minister stelt zich op het standpunt dat de bedreigingen door de broers van de ex-echtgenote niet geloofwaardig worden geacht omdat eiser de scheiding niet met documenten heeft onderbouwd en ook geen pogingen heeft ondernomen om die alsnog te bemachtigen. Daarnaast heeft eiser niet kunnen vertellen wanneer hij precies gescheiden is of welke rechtbank de uitspraak heeft gedaan. Ook heeft eiser onsamenhangend verklaard over het moment waarop de bedreigingen plaatsvonden. Het eerste asielmotief acht de minister geloofwaardig. Het tweede asielmotief is niet getoetst op geloofwaardigheid omdat het een vrees betreft. De omstandigheid dat eiser uit Syrië komt is op zichzelf onvoldoende om hem als vluchteling aan te merken of om een risico op ernstige schade aan te nemen omdat hij geen concrete aanknopingspunten heeft kunnen geven waaruit blijkt dat hij persoonlijk ontvoerd of vermoord kan gaan worden. Daarnaast heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Syrië een reëel risico loopt op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld. De minister neemt namelijk voor heel Syrië aan dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. In dat geval dient eiser aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk te maken dat hij wel een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Hier is eiser niet in geslaagd.

Zienswijze herhaald en ingelast

5. De enkele verwijzing naar de zienswijze en het verzoek om die als herhaald en ingelast te beschouwen is onvoldoende om te kunnen worden aangemerkt als een beroepsgrond waarop de rechtbank moet ingaan. De rechtbank stelt vast dat de minister hierop in het bestreden besluit een uitgebreide motivering heeft gegeven. Het is aan eiser om in beroep concreet aan te geven waarom de reactie van de minister op de zienswijze volgens hem niet juist of niet toereikend is. De rechtbank zal zich dan ook richten op wat eiser in beroep heeft aangevoerd.

Bedreigingen door de broers

6. Eiser heeft aangevoerd dat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat hij geen documenten van de scheiding kan overleggen ter onderbouwing van de bedreigingen door de broers van zijn ex-echtgenote. Het gaat immers om bedreigingen die het gevolg zijn van de scheiding en niet om de scheiding zelf en documenten van de scheiding onderbouwen die bedreigingen niet. Daarnaast heeft eiser voldoende zijn best gedaan om de bedreigingen en de echtscheiding in een tijdlijn te plaatsen. De echtscheiding moet hebben plaatsgevonden in 2023 en de bedreigingen hebben daarna in 2023 of 2024 plaatsgehad. Daarbij merkt eiser op dat de door de minister gehanteerde terminologie voor meerdere uitleg vatbaar is en de termen ‘echtscheidingsprocedure’, ‘echtscheiding’ en echtscheiding bij de rechtbank’ daarom voor verwarring kan hebben gezorgd. Dat eiser niet in Italië maar pas in Nederland asiel heeft aangevraagd mag een onjuiste beslissing zijn geweest maar raakt niet de geloofwaardigheid van zijn relaas. Dit standpunt van de minister kan geen standhouden.

7. De rechtbank is van oordeel dat de minister de door eiser gestelde bedreigingen door de broers van zijn ex-echtgenote naar aanleiding van de scheiding niet geloofwaardig heeft hoeven achten. Dit in de eerste plaats omdat eiser dit asielmotief niet met documenten heeft weten te onderbouwen. Dat een echtscheidingsakte de bedreigingen op zich niet onderbouwt volgt te rechtbank, maar zij onderbouwt wel de gebeurtenis die volgens eiser aanleiding was voor de bedreigingen en zou daarom een begin van bewijs hebben gevormd van de bedreigingen terwijl nu niet eens is aangetoond dat er überhaupt een scheiding heeft plaatsgevonden. Vervolgens is eiser er naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd de bedreigingen door middel van zijn verklaringen geloofwaardig te maken nu de minister terecht heeft gesteld dat het aan eiser is om een duidelijk tijdlijn te schetsen. Van welke termen hij zich daarbij bedient is aan hem, maar te constateren valt dat nog steeds onduidelijk is wanneer de bedreigingen ongeveer hebben plaatsgevonden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister van eiser mogen verwachten dat hij hier meer duidelijkheid over kan verschaffen.

Vrees voor de algemene situatie in Syrië

8. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister ten onrechte zijn vrees voor willekeurig geweld in de regio rond As Suweiyda niet aannemelijk heeft geacht evenals de omstandigheid dat hij bij terugkeer reëel risico loopt op ernstige schade als gevolg van risicoverhogende omstandigheden. Ter onderbouwing heeft eiser gewezen op een publicatie van de non-gouvernementele organisatie Christian Solidarity Worldwide (CSW) en een publicatie van Shafaq News. De rechtbank stelt vast dat eiser in de zienswijze ook heeft gewezen op de publicatie van CSW en dat de minister hier in het bestreden besluit gemotiveerd op heeft gereageerd.

9. De rechtbank overweegt dat de meervoudige kamer van deze zittingsplaats al heeft geoordeeld geen aanleiding te zien voor het oordeel dat de minister de situatie in Syrië ten onrechte kwalificeert als een 15c-situatie in de laagste gradatie. Eiser heeft verklaard afkomstig te zijn uit Zakiya, in de provincie Rif-Damascus, dat ligt in de regio rondom As Suweiyda. In het bestreden besluit en het daarin ingelaste voornemen heeft de minister toegelicht dat de laagste gradatie ook geldt voor de provincie Rif-Damascus. In het verweerschrift heeft de minister verwezen naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 19 mei 2026. De rechtbank verwijst in dit kader ook naar de uitspraak van deze zittingsplaats van 7 oktober 2026, waarin is geoordeeld dat de enkele aanwezigheid in de provincie Rif-Damascus niet leidt tot een reëel risico op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld. De rechtbank sluit hierbij aan. Met wat eiser heeft aangevoerd, is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat de minister niet mag uitgaan van een 15c-situatie in de laagste gradatie.

9.1.

De rechtbank oordeelt verder dat eiser geen persoonlijke omstandigheden heeft aangevoerd die maken dat er, ondanks het lagere niveau van willekeurig geweld, in zijn individuele geval toch sprake is van een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer als gevolg van willekeurig geweld.

Conclusie en gevolgen

10. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.

Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. P.C.J. Lindeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vreemdelingenwet 2000. Art. 15, aanhef en onder c van de Kwalificatierichtlijn. Nu opgenomen in artikel 15, aanhef en onder c van de Kwalificatieverordening. Zie Rb. Den Haag, zittingsplaats Groningen, 9 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:23466. ECLI:RBDHA:2026:12595. ECLI:NL:RBDHA:2026:30768.