Vreemdelingenrecht

Beroep inreisverbod – belangenafweging – beroep ongegrond.

Rechtbank Den Haag, 25 maart 2026

Zaakgegevens

Op 25 maart 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
25 maart 2026
Datum publicatie
25 maart 2026
Zaaknummer
NL26.12393
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:6479
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Beroep inreisverbod – belangenafweging – beroep ongegrond.

Uitspraak

uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar]

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.12393

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. V. Senczuk),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. J.S.W. Boorsma).

Procesverloop

Bij besluit van 23 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Partijen hebben ingestemd met schriftelijke behandeling, gelet op hetgeen besproken ter zitting van 2 maart 2026 van eisers beroep tegen de maatregel van bewaring (NL26.10274).

De rechtbank heeft het onderzoek op 18 maart 2026 gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Turkse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [1966] .

2. Eiser voert aan dat de minister bij het nemen van het besluit geen zorgvuldige belangenafweging heeft gemaakt. Uit het besluit volgt niet dat alle omstandigheden kenbaar zijn betrokken door de minister. Eiser verblijft namelijk al langdurig in Nederland, heeft zakelijke belangen in Nederland en heeft recent een aanvraag voor een verblijfsvergunning onder de beperking niet-tijdelijke humanitaire gronden ingediend ter bescherming van en het kunnen blijven uitoefenen van zijn opgebouwde privéleven in Nederland ex. artikel 8 EVRM. Gelet op het vorenstaande had de minister volgens eiser van het opleggen van het inreisverbod moeten afzien.

3. De rechtbank stelt voorop dat – gelet op het terugkeerbesluit dat op 16 november 2018 aan eiser is opgelegd – de minister op grond van artikel 66a van de Vreemdelingenwet (Vw) een inreisverbod aan eiser mocht opleggen. In artikel 11, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn, is bepaald dat de duur van het inreisverbod wordt bepaald volgens alle relevante omstandigheden van het geval. Bij het opleggen van een inreisverbod moet de minister dus kenbaar een individuele belangenafweging maken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister voldoende gemotiveerd waarom in eisers geval een inreisverbod van twee jaar passend is. Hierbij is onder meer relevant dat de minister bij de oplegging van het terugkeerbesluit een afweging heeft gemaakt van eisers’ individuele omstandigheden, daaronder begrepen zijn zakelijke belangen en familie- en gezinsleven.

Eiser heeft daar tevergeefs rechtsmiddelen tegen aangewend. Bij de oplegging van onderhavig inreisverbod heeft de minister wederom eisers familie- en gezinsleven en zijn zakelijke belangen voldoende kenbaar meegenomen, onder verwijzing naar de afweging die eerder is gemaakt. Verder zijn er door eiser geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren gebracht waardoor de minister had moeten afzien van het inreisverbod. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie

4. Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.

Deze uitspraak zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl en is uitgesproken en bekendgemaakt op:

25 maart 2026

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.