Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:1981

Op 6 February 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL25.40154, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:1981. De plaats van zitting was Groningen.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL25.40154
Datum uitspraak:
6 February 2026
Datum publicatie:
6 February 2026

Indicatie

Asiel - Turkije - intrekking reguliere verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd - de minister was bevoegd om de verblijfsvergunning in te trekken - artikel 8 EVRM - belangenafweging met betrekking tot het mogelijke gezinsleven en het privéleven - deugdelijke belangenafweging gemaakt - herhaaldelijk strafbare feiten gepleegd -openbare orde - aan de positieve gedragsverandering in detentie komt beperkte betekenis toe, nu dit onvoldoende zegt over het toekomstige gedrag in de samenleving - dat het recidiverisico als laag-gemiddeld wordt ingeschat leidt niet tot een ander oordeel - van het gedrag van eiser gaat nog steeds een actueel gevaar uit - het privéleven van eiser is onvoldoende om de belangenafweging in zijn voordeel uit te laten vallen - voldoende motivering dat eiser door zijn persoonlijke gedrag een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt - zwaar inreisverbod voor duur van tien jaar - beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.40154

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,

van Turkse nationaliteit,

V-nummer: [nummer] ,

(gemachtigde: mr. S. Petkovic),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. J.D. Albarda).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van eisers reguliere verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Eiser moet terugkeren naar Turkije en heeft een zwaar inreisverbod voor de duur van tien jaar opgelegd gekregen. Eiser is het niet eens met dit besluit. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt het beroep.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de intrekking van de reguliere verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, het terugkeerbesluit en het zware inreisverbod in stand kunnen blijven. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond.

Procesverloop

Procesverloop

2. Met het besluit van 18 januari 2024 (primaire besluit) heeft de minister de verleende verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd ingetrokken. (Voetnoot 1) Eiser moet Nederland onmiddellijk verlaten. Ook wordt aan eiser een zwaar inreisverbod (Voetnoot 2) opgelegd. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt.

2.1.

Met het besluit van 5 augustus 2025 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

2.2.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

2.3.

De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op zitting gesloten.

Overwegingen

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de minister eisers reguliere verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd heeft mogen intrekken en of aan eiser een terugkeerbesluit en een zwaar inreisverbod mochten worden opgelegd. Zij doet dat mede aan de hand van de beroepsgronden van eiser.

3.1.

De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Achtergrond

4. Eiser is in Nederland geboren en heeft steeds rechtmatig in Nederland verbleven. Hij is op enig moment in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. Eiser heeft in de periode van 22 april 2004 tot 8 april 2018 meerdere misdrijven en strafbare feiten gepleegd. Hij is herhaaldelijk veroordeeld tot onherroepelijk geworden gevangenisstraffen, wegens onder andere (gekwalificeerde) diefstal en verduistering, bedreiging (via internet), voorbereiding van moord, wapenbezit, drugscriminaliteit en medeplegen van (een poging tot) doodslag. Op 3 februari 2021 is eiser door het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf jaar voor het medeplegen van (een poging tot) doodslag.

4.1.

Met het bestreden besluit heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat het persoonlijk gedrag van eiser een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving (het Unierechtelijk openbare orde-criterium). De minister blijft daarom bij zijn besluit om de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd in te trekken (Voetnoot 3) en om aan eiser een inreisverbod voor de duur van tien jaar op te leggen. (Voetnoot 4) Aan de besluitvorming heeft de minister ten grondslag gelegd dat eiser sinds zijn verblijf in Nederland een groot aantal misdrijven heeft gepleegd waarvoor hij onherroepelijk is veroordeeld tot gevangenisstraffen. In de persoonlijke omstandigheden van eiser heeft de minister geen reden gezien om af te zien van zijn besluit. Het bestreden besluit is volgens de minister niet in strijd met het recht op bescherming van het familie- of gezinsleven, dan wel het privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. (Voetnoot 5)

4.2.

Eiser kan zich hiermee niet verenigen. De rechtbank gaat hierna in op zijn beroepsgronden.

Toetsingskader

5. Op grond van artikel 22, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw kan de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 20, worden ingetrokken indien de houder daarvan bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd.

5.1.

In artikel 3.98, eerste lid, van het Vb (Voetnoot 6) is bepaald dat de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd onder omstandigheden kan worden ingetrokken. De vreemdeling moet dan zijn veroordeeld wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis tot een gevangenisstraf, een taakstraf of de maatregel, bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht. De totale duur van de straffen of maatregelen moet verder ten minste gelijk zijn aan de norm, bedoeld in artikel 3.86, tweede, derde dan wel vijfde lid, van het Vb.

5.2.

In artikel 3.98, tweede lid, van het Vb is bepaald dat de artikelen 3.86 en 3.87 van het Vb van overeenkomstige toepassing zijn.

5.3.

In artikel 3.86, vierde lid, van het Vb is bepaald dat de aanvraag kan worden afgewezen indien de vreemdeling wegens ten minste drie misdrijven bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis een gevangenisstraf of jeugddetentie, een taakstraf of een maatregel als bedoeld in artikel 37a, 38m of 77h, vierde lid, onder a of b, van het Wetboek van Strafrecht is opgelegd, bij onherroepelijke strafbeschikking een taakstraf is opgelegd en de totale duur van de onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelten van die straffen en maatregelen ten minste gelijk is aan de in het vijfde lid bedoelde norm.

5.4.

In artikel 3.86, vijfde lid, van het Vb is bepaald dat de in het vierde lid van dat artikel bedoelde norm bij een verblijfsduur van ten minste 15 jaar, 14 maanden bedraagt.

5.5.

In artikel 3.86, tiende lid, van de Vb is bepaald dat in afwijking van de voorgaande leden de aanvraag niet wordt afgewezen bij een verblijfsduur van tien jaren, tenzij er sprake is van:

a. een misdrijf als bedoeld in artikel 22b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht;

b. een misdrijf uit de Opiumwet waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaar of meer is gesteld.

De intrekking van de verblijfsvergunning

6. De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft betwist dat de minister de glijdende schaal, zoals neergelegd in artikel 3.86 van het Vb, juist heeft toegepast. De minister was in beginsel dan ook bevoegd om op grond van artikel 3.98 van het Vb de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd in te trekken.

Artikel 8 van het EVRM  (Voetnoot 7)

7. Partijen verschillen wel van mening over de vraag of de minister van de hiervoor genoemde bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

8. Eiser voert aan dat de minister niet tot intrekking van zijn verblijfsvergunning heeft kunnen besluiten omdat sprake is van inmenging in zijn familie- en gezinsleven en zijn privéleven. Volgens eiser heeft de minister de persoonlijke omstandigheden onvoldoende bij de beoordeling betrokken. Eiser heeft altijd bij zijn ouders gewoond en heeft zowel met zijn ouders als met zijn broers en zussen een hele nauwe familieband. Daarnaast heeft hij al jarenlang een relatie met zijn vriendin en hebben zij samen toekomstplannen. Uit het reclasseringsadvies van 31 januari 2024 volgt dat eiser goed gedrag laat zien in de PI (Voetnoot 8). Eiser werkt daar en heeft verschillende cursussen gevolgd. Hij heeft zich in detentie dan ook goed weten te ontwikkelen. De reclassering schat het recidiverisico daarnaast in op laag-gemiddeld. De minister gaat eraan voorbij dat de inschatting op algemene recidive binnen

2 jaar 24-30% is en het risico op geweldsrecidive binnen 2 jaar maar 11-13%. Dit zijn zeer lage percentages. Eiser stelt dan ook dat er geen sprake is van een actuele bedreiging. Eiser stelt verder dat hij sinds zijn geboorte rechtmatig in Nederland verblijft en privéleven heeft opgebouwd in Nederland. De banden met Nederland zijn daarom sterk. Volgens eiser heeft hij geen banden met Turkije. Hij heeft een begrafenis in Turkije bijgewoond en is verder enkel als toerist in Turkije geweest. De minister heeft de verklaringen van de broer tijdens zijn asielprocedure niet bij de beoordeling kunnen betrekken.

9. Bij de beoordeling of het besluit in strijd is met artikel 8 van het EVRM moet de rechtbank eerst beoordelen of de minister alle belangen heeft meegenomen en daarbij is uitgegaan van de juiste feiten. Bij een belangenafweging waarin openbare-ordeaspecten een rol spelen, moeten de in de arresten van het EHRM (Voetnoot 9) van 2 augustus 2001 (Voetnoot 10), Boultif tegen Zwitserland, en van 18 oktober 2006 (Voetnoot 11), Üner tegen Nederland, benoemde criteria worden betrokken. Hiertoe behoren onder meer de aard en de ernst van het gepleegde misdrijf, de gedragingen van de betrokken vreemdeling gedurende die tijd en de hechtheid van de sociale, culturele en familiebanden van de betrokken vreemdeling met het gastland en het land van herkomst.

10. De rechtbank stelt vast dat de minister heeft geconcludeerd dat geen sprake is van familieleven dat kan worden gezien als een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. De minister heeft verder geconcludeerd dat eiser niet heeft onderbouwd dat sprake is van gezinsleven tussen eiser en zijn vriendin. Omdat er mogelijk wel sprake is van gezinsleven, heeft de minister een belangenafweging gemaakt met betrekking tot het mogelijke gezinsleven en het privéleven.

11. De rechtbank is van oordeel dat de minister kenbaar alle door eiser naar voren gebrachte feiten en omstandigheden heeft gewogen en deugdelijk heeft gemotiveerd dat er geen sprake is van familieleven tussen eiser en zijn familie. Hierbij is door de minister betrokken dat eiser en zijn familieleden allen volwassen zijn en niet op verblijfsrecht in hetzelfde land zijn aangewezen om contact te onderhouden. Verder is eisers moeder hulpbehoevend, maar er is hulpverlening en er zijn broers en zussen in haar nabijheid. Daarbij is eiser door een langdurige detentie geruime tijd niet beschikbaar. Door eiser zijn geen andere omstandigheden onderbouwd die gezien kunnen worden als een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie, zodat geen sprake is van een beschermenswaardig familieleven.

12. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat de inmenging in het mogelijke gezinsleven tussen eiser en zijn vriendin gerechtvaardigd is in het belang van de openbare orde. Door de minister zijn alle relevante omstandigheden bij de beoordeling betrokken. Zo is betrokken dat eiser en zijn vriendin nooit hebben samengewoond en er een zwakke onderbouwing is van de relatie zelf en de duur daarvan. Verder is betrokken dat de vriendin van eiser bij het aangaan van de relatie wist dat eiser lange tijd in detentie moest zitten. Daarbij spreekt de vriendin van eiser Koerdisch en Turks en kan zij zich in Turkije verstaanbaar maken. Omdat de vriendin van eiser de Koerdische afkomst heeft, pas recent de Nederlandse nationaliteit heeft en daarvoor de Turkse nationaliteit heeft wordt ervan uitgegaan dat de vriendin ook een band heeft met Turkije en mogelijk weinig problemen zal ondervinden om samen met eiser een gezinsleven in Turkije op te bouwen. Dit onderdeel weegt daarom maar licht in het voordeel van eiser. De minister heeft verder bij de beoordeling betrokken dat eiser een sterke band heeft met Nederland, omdat eisers familie en vriendin hier wonen. Deze band wordt echter afgezwakt door de detentie periodes. Niet is gebleken dat eiser zich positief heeft ingezet voor de Nederlandse maatschappij. Eiser heeft de openbare orde geschonden en was, toen hij in de gevangenis zat, geen deelnemer van de maatschappij. De band met Nederland wordt daarom slechts sterk in het voordeel van eiser gewogen. De minister heeft verder kunnen overwegen dat eiser de Turkse taal spreekt, in Turkije is geweest en dat voorstelbaar is dat er ook familie in Turkije woont. Er wordt dan ook uitgegaan van een band met Turkije, mede gelet op de verklaringen van eiser, en dat weegt in het nadeel van eiser. Daarnaast is niet ten onrechte overwogen dat van eiser, gelet op zijn leeftijd, verwacht kan worden dat hij zich bij terugkeer staande kan houden, al dan niet met hulp van familieleden. De minister heeft verder meegewogen dat eiser 24 misdrijven heeft gepleegd in de periode van 22 november 2004 tot 8 april 2018 en dat eiser na zijn invrijheidstelling herhaaldelijk strafbare feiten heeft gepleegd, waarbij de ernst en aard van de strafbare feiten steeds zwaarder werden. In het vonnis van de meervoudige strafkamer wordt benadrukt dat eiser en zijn medeverdachte met hun gedragingen het slachtoffer zijn kostbaarste bezit, het leven, hebben ontnomen. Hiermee hebben eiser en zijn mededaders onherstelbaar leed aan de nabestaanden van het slachtoffer toegebracht. Het feit dat eiser ouder is geworden heeft de minister niet tot een ander oordeel hoeven leiden, omdat eiser vaker is veroordeeld en dat heeft hem er niet van weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan de positieve gedragsverandering in detentie komt verder slechts beperkte betekenis toe, nu dit onvoldoende zegt over het toekomstige gedrag in de samenleving. Dat het recidiverisico als laag-gemiddeld wordt ingeschat heeft evenmin aanleiding hoeven zijn om tot een ander oordeel te komen. De minister heeft, gelet op het voorgaande, namelijk kunnen overwegen dat van het gedrag van eiser nog steeds een actueel gevaar uitgaat.

13. De minister heeft verder deugdelijk gemotiveerd dat het privéleven van eiser onvoldoende is om de belangenafweging in het voordeel van eiser uit te laten vallen. De minister heeft in het voordeel van eiser meegewogen dat hij in Nederland is geboren en getogen. Door eiser is niet onderbouwd dat hij een opleiding heeft gevolgd, dan wel werk heeft gehad of als vrijwilliger actief is geweest, dus er wordt geen band met Nederland aangenomen voor wat betreft deze aspecten. De band met Nederland ziet op het hebben van familie, vrienden en een gestelde vriendin waarmee mogelijk gezinsleven is en dit weegt ook in het voordeel van eiser. Dat eiser in detentie goed bezig is en goed gedrag vertoont is positief en werkt eveneens in het voordeel van eiser. De minister heeft kunnen concluderen dat, alles overwegende, het privéleven onvoldoende is om de belangenafweging in het voordeel van eiser uit te laten vallen. De verklaring die door eiser op zitting is voorgelezen leidt niet tot andere conclusie dan hiervoor is overwogen.

14. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat de minister niet ten onrechte de belangenafweging van artikel 8 van het EVRM in het nadeel van eiser heeft laten uitvallen.

Actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving

15. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte concludeert dat het persoonlijk gedrag van eiser een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de Nederlandse samenleving.

16. Op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw in samenhang met artikel 62, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw kan aan de vreemdeling een inreisverbod worden opgelegd wanneer deze geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft en een gevaar vormt voor de openbare orde. Uit artikel 6.5a, vijfde lid, aanhef en onder b, van het Vb volgt dat dit inreisverbod kan worden opgelegd voor de duur van tien jaar wanneer de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of veiligheid. Dit kan blijken uit een veroordeling tot een vrijheidsstraf vanwege een misdrijf waartegen meer dan zes jaar gevangenisstraf is bedreigd.

17. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser is veroordeeld voor een zeer ernstig geweldsdelict. In geschil is of de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een actuele, ernstige en werkelijke bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving.

18. Voor de beoordeling of hiervan sprake is moet de minister alle feitelijke en juridische gegevens betrekken die zien op de situatie van een vreemdeling in relatie met het door die vreemdeling gepleegde strafbare feit, zoals onder meer de aard en ernst van dat strafbare feit en het tijdsverloop sinds het plegen daarvan. Steunen op een algemene praktijk of een vermoeden volstaat daarom niet. Verder moet de minister bij zijn beoordeling in acht nemen dat de hiervoor bedoelde feitelijke en juridische gegevens niet noodzakelijkerwijs beperkt zijn tot de gegevens die de strafrechter heeft beoordeeld. Ook moet de minister bezien of de vreemdeling sinds het gepleegde strafbare feit een positieve gedragsverandering heeft doorgemaakt. (Voetnoot 12)

19. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat eiser door zijn persoonlijke gedrag een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. De minister heeft hierbij van belang kunnen achten dat eiser herhaaldelijk is veroordeeld voor verschillende strafbare feiten. In totaal is aan eiser ruim veertien jaar (vervangende) detentie opgelegd. Eiser is desondanks opnieuw gedetineerd geraakt en heeft niet kunnen aantonen dat hij zijn leven duurzaam heeft gebeterd. De omstandigheid dat eiser in detentie positief gedrag vertoont, zich inzet voor zijn resocialisatie door het volgen van cursussen en in het reclasseringsadvies wordt gesproken over een laag-gemiddeld recidiverisico heeft voor de minister geen aanleiding voor een ander oordeel hoeven zijn, omdat aan gedrag in detentie volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (Voetnoot 13) slechts beperkte waarde toekomt. Het positieve gedrag van eiser in detentie zegt namelijk onvoldoende over het gedrag buiten detentie.

20. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister kenbaar alle omstandigheden bij de beoordeling van het zwaar inreisverbod heeft betrokken en de beslissing deugdelijk heeft gemotiveerd.

Conclusie en gevolgen

21. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de intrekking van de verblijfsvergunning en het inreisverbod voor tien jaar gehandhaafd blijven. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Ruiter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoot

Voetnoot 1

Op grond van artikel 22, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

Voetnoot 2

Op grond van artikel 6.5a, vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000, in samenhang met artikel 66a, zevende lid, aanhef en onder c, van de Vw.

Voetnoot 3

Op grond van artikel 22, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw.

Voetnoot 4

Op grond van artikel 66a, zevende lid, van de Vw.

Voetnoot 5

Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele Vrijheden.

Voetnoot 6

Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).

Voetnoot 7

Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Voetnoot 8

Penitentiaire inrichting.

Voetnoot 9

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

Voetnoot 10

ECLI:CE:ECHR:2001:0802JUD005427300.

Voetnoot 11

ECLI:CE:ECHR:2006:1018JUD004641099.

Voetnoot 12

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2409.

Voetnoot 13

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 7 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:73, onder 2.4.