Vreemdelingenrecht

De rechtbank volgt eiser erin dat de ingangsdatumverblijfsvergunning de datum van de asielaanvraag moest zijn…

Rechtbank Den Haag, 26 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 26 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26 oktober 2026
Datum publicatie
28 oktober 2026
Zaaknummer
NL26.47271
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:31633
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De rechtbank volgt eiser erin dat de ingangsdatumverblijfsvergunning de datum van de asielaanvraag moest zijn en dat de geldigheidsduur daarvan vijf jaar moest zijn. Hierbij is van belang dat het Unierecht niet dwingend voorschrijft wat de ingangsdatum van een verblijfsvergunning moet zijn. Daarnaast is de onmiddellijke werking van de wetswijziging voor een bepaalde groep statushouders in strijd met het Unierechtelijke rechtszekerheidsbeginsel. Verweerder had daarom aan eiser een verblijfsvergunning moeten verstrekken met als ingangsdatum de datum van zijn asielaanvraag en een geldigheidsduur van vijf jaar.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.47271


uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [nummer] ,

(gemachtigde: mr. P.J. Schüller),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. W.A. Kleingeld).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de ingangsdatum en geldigheidsduur van eisers verblijfsvergunning asiel. Eiser is het niet eens met de ingangsdatum en geldigheidsduur die aan zijn verblijfsvergunning zijn verbonden. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de beslissing op de asielaanvraag.

1.1.

Eiser heeft op 21 juni 2023 een asielaanvraag ingediend. Nadat deze eerst was afgewezen en de rechtbank het beroep daartegen gegrond heeft verklaard, heeft verweerder op 22 juli 2026 de asielaanvraag van eiser ingewilligd, en een verblijfspas toegekend met als ingangsdatum 23 juli 2026, en een geldigheidsduur van drie jaar. Eiser is het echter niet eens met de ingangsdatum van zijn verblijfsvergunning en vindt dat de ingangsdatum veranderd moet worden naar de datum van zijn asielaanvraag. De geldigheidsduur moet volgens eiser geen drie maar vijf jaar bedragen.

1.2.

De rechtbank volgt eiser daarin. Hierbij is van belang dat het Unierecht niet dwingend voorschrijft wat de ingangsdatum van een verblijfsvergunning moet zijn. Daarnaast is de onmiddellijke werking van de wetswijziging voor een bepaalde groep statushouders in strijd met het Unierechtelijke rechtszekerheidsbeginsel. Verweerder had daarom aan eiser een verblijfsvergunning moeten verstrekken met als ingangsdatum de datum van zijn asielaanvraag en een geldigheidsduur van vijf jaar. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij heeft de Egyptische nationaliteit en is geboren op [datum] 1997. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 22 juli 2026 ingewilligd.

2.1.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit voor zover het de ingangsdatum van de verleende vergunning en de duur van de verblijfspas betreft.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep op 13 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser was niet aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

Wat ging er vooraf aan de procedure?

3. Eiser heeft op 21 juni 2023 een asielaanvraag ingediend. Hij heeft daaraan ten grondslag gelegd dat hij gegronde vrees heeft voor vervolging wegens zijn religie en problemen die hij heeft gehad die in verband staan met zijn religie.

3.1.

Verweerder heeft de aanvraag van eiser eerst op 30 december 2024 afgewezen als ongegrond, en aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. In de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem van 22 april 2026, is het beroep tegen dat besluit ongegrond verklaard en is het besluit van 30 december 2024 vernietigd. Verweerder heeft daarna het bestreden besluit genomen.

Het bestreden besluit

4. Verweerder heeft op 22 juli 2026 de asielaanvraag van eiser ingewilligd. Eiser is daarbij erkend als vluchteling. Verweerder heeft een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) verleend, geldig vanaf 23 juli 2026. De ingangsdatum is daarbij de dag na de bekendmaking van het inwilligende besluit, conform het huidige artikel 44, tweede lid, van de Vw. Er is een verblijfspas verstrekt voor de duur van drie jaar.

Heeft eiser procesbelang?

5. Eiser heeft gemotiveerd uiteengezet dat hij belang heeft bij deze procedure. Verweerder heeft dat niet betwist. De rechtbank is ook van oordeel dat eiser belang heeft bij deze procedure omdat hij in een gunstigere positie terecht kan komen. De rechtbank beoordeelt het beroep daarom inhoudelijk.

Schrijft het Unierecht voor wat de ingangsdatum van een verblijfsvergunning moet zijn?

6. Eiser heeft zijn asielaanvraag ingediend vóór de maatregelen van het Asiel- en Migratiepact op 12 juni 2026 toepasselijk werden. Met ingang van dezelfde datum is bij de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel en Migratiepact 2026 (Uitvoeringswet) artikel 44, tweede lid, van de Vw gewijzigd. Op grond van deze bepaling is de ingangsdatum van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in de artikelen 29 tot en met 29d van de Vw voortaan de dag na de bekendmaking van de beschikking. Eiser bestrijdt dat dit in zijn geval de juiste ingangsdatum is. Eiser stelt dat de ingangsdatum van een verblijfsvergunning asiel volgens artikel 13 van de Kwalificatieverordening en de declaratoire werking van een vluchtelingenstatus moet worden vastgesteld op de datum van de asielaanvraag.

6.1.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de datum van erkenning van een vluchtelingenstatus als bedoeld in artikel 13 van de Kwalificatieverordening noodzakelijkerwijs de datum van de verlening van de verblijfstitel volgt, en verwijst daarbij naar artikel 24 van de Kwalificatieverordening. De wetgever en verweerder hebben sinds de inwerkingtreding van de Kwalificatieverordening op 12 juni 2026 geen ruimte meer om gunstigere normen te hanteren, ook niet voor aanvragen die voor die datum zijn gedaan. Verweerder kan dus niet een eerdere ingangsdatum vaststellen dan de toekenning van de vluchtelingenstatus.

6.2

In artikel 13 van de Kwalificatieverordening is bepaald dat de beslissingsautoriteit de vluchtelingenstatus verleent aan een onderdaan van een derde land of staatloze die overeenkomstig de hoofdstukken II en III in aanmerking komt voor erkenning als vluchteling.

6.2.1.

In artikel 24, tweede lid, van de Kwalificatieverordening is bepaald dat zo spoedig mogelijk na de toekenning van de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus en uiterlijk 90 dagen na de kennisgeving van de beslissing om internationale bescherming toe te kennen, een verblijfstitel wordt afgegeven volgens het uniforme model van Verordening (EG) nr. 1030/2002.

6.2.2.

Uit de Kwalificatieverordening blijkt dat de verblijfstitel en de vluchtelingenstatus verschillende begrippen zijn. Uit artikel 3, sub 1, van de Kwalificatieverordening volgt dat onder vluchtelingenstatus wordt verstaan de erkenning door een lidstaat van een onderdaan van een derde land of een staatloze als vluchteling. Onder verblijfstitel wordt verstaan een machtiging op grond waarvan een onderdaan van een derde land of een staatloze op het grondgebied van de lidstaat mag verblijven, zoals volgt uit artikel, 3 sub 12, van de Kwalificatieverordening. De vluchtelingenstatus moet dus worden onderscheiden van het verstrekken van een verblijfstitel aan personen met een dergelijke status.

6.3.

De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt. Artikel 24 van de Kwalificatieverordening ziet op de afgifte van een verblijfstitel, en daaruit blijkt niet dat de datum van de erkenning van de vluchtelingenstatus de verlening van de verblijfstitel volgt. Daarentegen volgt de rechtbank eiser ook niet in zijn stelling dat uit artikel 13 van de Kwalificatieverordening blijkt wat de ingangsdatum van de vluchtelingenstatus moet zijn.
6.4. Dat eiser op grond van de declaratoire werking van de vluchtelingenstatus met ingang van zijn asielaanvraag een verblijfsvergunning zou moeten krijgen, volgt de rechtbank ook niet. Dat de vluchtelingenstatus declaratoire kracht heeft, houdt volgens het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) in dat een vluchteling het recht heeft om als zodanig te worden erkend vanaf de datum waarop hij om toekenning van die status verzoekt. Na de indiening van het verzoek om internationale bescherming komt iedere onderdaan van een derde land of staatloze die voldoet aan de materiële voorwaarden van hoofdstuk III van de Kwalificatierichtlijn (thans Kwalificatieverordening) in aanmerking voor een subjectief recht om erkend te worden als vluchteling, zelfs voordat daarover een formeel besluit is genomen. De formele erkenning van de hoedanigheid van vluchteling door verlening van de vluchtelingenstatus heeft tot gevolg dat een vluchteling (krachtens artikel 3, sub 2, van de Kwalificatieverordening) internationale bescherming geniet en daardoor beschikt over de bijbehorende rechten en voordelen. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit niet dat het declaratoire karakter van de erkenning van de vluchtelingenstatus ook betekent dat met ingang van de datum van de asielaanvraag een verblijfstitel moet worden verleend.

6.5.

De rechtbank oordeelt daarom dat het Unierecht niet dwingend een ingangsdatum van een verblijfsvergunning voorschrijft en dat ook uit het declaratoire karakter van de vluchtelingenstatus niet dwingend volgt wat die ingangsdatum moet zijn.

Is de gewijzigde ingangsdatum in strijd met het Unierechtelijke rechtszekerheidsbeginsel?

7. Eiser stelt dat de gewijzigde ingangsdatum in strijd is met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel. Eiser kon er immers ten tijde van zijn aanvraag op vertrouwen dat de ingangsdatum van zijn asielvergunning de datum van de aanvraag was, nu eiser mocht uitgaan van de in Nederland geldende wetgeving.

7.1.

De rechtbank stelt voorop dat getoetst moet worden aan het Unierechtelijk rechtszekerheidsbeginsel, omdat het Unierecht van toepassing is op de inwilligende beslissing op een asielaanvraag. Het Unierechtelijke rechtszekerheidsbeginsel brengt met zich dat een wettelijke regeling duidelijk en nauwkeurig dient te zijn, en dat de toepassing ervan voor de justitiabelen voorzienbaar dient te zijn. Het brengt dan ook met zich dat een nationale wetgever bij een wetswijziging rekening moet houden met de bijzondere situaties van de door die wetswijziging getroffen particulieren en zo nodig moet voorzien in aanpassingen in de toepassing van de nieuwe regels.

7.2.

De rechtbank komt tot het oordeel dat de onmiddellijke werking van (onder meer) artikel 44, tweede lid, van de Vw niet voorzienbaar was voor een specifieke groep statushouders. Dit geldt in het bijzonder voor statushouders op wier aanvragen gelet op de uiterste beslistermijn van 21 maanden al had moeten zijn beslist voor de inwerkingtreding van het Asiel- en Migratiepact. Daarnaast geldt dit voor statushouders op wier asielaanvragen naar aanleiding van een rechterlijke uitspraak opnieuw moest worden beslist. In beide gevallen had het besluit immers al vóór de inwerkingtreding van de Uitvoeringswet moeten worden genomen, zodat de toepassing van het nieuwe recht voor deze aanvragers in redelijkheid niet voorzienbaar was.

7.3.

In het geval van eiser heeft verweerder de beslistermijn niet gehaald, wat vastgesteld is in de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 25 september 2024. In die uitspraak is het beroep tegen het niet tijdig beslissen gegrond verklaard en heeft de rechtbank verweerder opgedragen binnen acht weken te beslissen op de asielaanvraag van eiser. Verweerder heeft daarna op 30 december 2024 beslist op de asielaanvraag van eiser en dit afgewezen, maar dit besluit is door de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem op 22 april 2026 vernietigd en verweerder is daarbij opgedragen binnen acht weken een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser. Verweerder heeft daarna, zonder aanvullend onderzoek, een inwilligend besluit genomen op 22 juli 2026. In eisers geval is de maximale beslistermijn overschreden, én moest er na een rechterlijke uitspraak opnieuw op zijn aanvraag worden beslist. Voor statushouders zoals eiser was de onmiddellijke toepassing van het recht onvoldoende voorzienbaar. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de onmiddellijke werking van artikel 44, tweede lid, van de huidige Vw voor deze groepen statushouders in strijd is met het Unierechtelijke rechtszekerheidsbeginsel.

7.4.

De rechtbank merkt verder op dat het bovenstaande ook geldt voor de vraag of verweerder met onmiddellijke werking de geldigheidsduur van de verblijfstitel voor deze groep statushouders van vijf jaar naar drie jaar kon vaststellen.

7.5.

De beroepsgrond slaagt. De rechtbank ziet geen aanleiding om de andere beroepsgronden te bespreken.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b van de Algemene wet bestuursrecht zelf een beslissing. De rechtbank draagt verweerder op om per direct aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen op grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw, met als ingangsdatum 21 juni 2023, geldig tot 21 juni 2028.

8.1.

Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.

Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 22 juli 2026;

- draagt verweerder op om per direct aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen op grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw, met als ingangsdatum 21 juni 2023, geldig tot 21 juni 2028;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Battjes, voorzitter, en mr. L.M. Kos en mr. M.A.J. van Beek, leden, in aanwezigheid van mr. A. Molenkamp - Lopar, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

ECLI:NL:RBDHA:2026:9799. Verordening 2024/1347. Zie overweging 22 van de Kwalificatieverordening, voorheen overweging 21 van de Kwalificatierichtlijn. Zie de arresten van het Hof van 1 augustus 2022, XC, ECLI:EU:C:2022:618, punt 46, en van 12 april 2018, A en S, ECLI:EU:C:2018:248, punten 53 en 54. Zie het arrest van het Hof van 14 mei 2019, M, X en X, ECLI:EU:C:2019:403, punten 90 en 91. Zie bijvoorbeeld arrest ‘ANAFE’ van het Hof van 14 juni 2012 (ECLI:EU:C:2012:348). Arrest ‘VEMW e.a.’ van het Hof van 7 juni 2005 (ECLI:EU:C:2005:362). Arrest ‘INTERZERO’ van het Hof van 10 juli 2025 (ECLI:EU:C:2025:569). 25 september 2024.