Vreemdelingenrecht
Rechtbank Den Haag · Eerste aanleg - meervoudig · Vreemdelingenrecht
Rechtbank Den Haag, 5 november 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:32370 · Rechtbank Den Haag · 5 november 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbdha-2026-32370
Zaakgegevens
Op 5 november 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 5 november 2026
- Datum publicatie
- 4 november 2026
- Zaaknummer
- NL26.39434 en NL26.39435
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:32370
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Beroepen ongegrond
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.39434 en NL26.39435
V-nummers: [nummer] en [nummer]
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaken tussen
[eiseres 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2002,
[eiseres 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2005,
beiden van Turkse nationaliteit
hierna samen genoemd: eiseressen
(gemachtigde: mr. E. Arslan),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. A.D. Roëll).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvragen van eiseressen om een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Voorheen konden vreemdelingen deze vergunning aanvragen als zij hieraan voorafgaand vijf jaren rechtmatig verblijf hadden gehad op grond van een asielvergunning voor bepaalde tijd. Op 12 juni 2026 is de wet veranderd en is de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd afgeschaft. Aan eiseressen is daarom een verblijfsdocument voor drie jaar verleend. Eiseressen zijn het hier niet mee eens. Zij stellen dat de wetgever deze wetswijziging onvoldoende heeft gemotiveerd en de nadelige gevolgen hiervan voor hen niet goed genoeg heeft meegewogen bij het opstellen van de wet. De rechtbank oordeelt dat uit de wetsgeschiedenis volgt dat de wetgever de omstandigheden die eiseressen naar voren hebben gebracht, heeft verdisconteerd in zijn afwegingen en de gevolgen daarvan heeft voorzien. Het is een bewuste keuze van de wetgever geweest om de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd af te schaffen. De rechtbank verklaart de beroepen van eiseressen daarom ongegrond en zij krijgen dus geen gelijk.
In deze uitspraak gaat het specifiek over de groep vreemdelingen die een aanvraag heeft ingediend vóór de inwerkingtreding van de wetswijziging, terwijl de geldigheid van de verleende asielvergunning voor bepaalde tijd pas daarna afloopt en de eis van vijf jaar rechtmatig verblijf daardoor pas na 12 juni 2026 wordt bereikt. Deze uitspraak gaat daarmee niet over de groep vreemdelingen die vóór 12 juni 2026 vijf jaar rechtmatig verblijf heeft en hun aanvraag tot een asielvergunning voor onbepaalde tijd heeft ingediend, en op welke aanvraag de minister pas op of na 12 juni 2026 – en daarmee te laat - een besluit neemt. Deze uitspraak gaat ook niet over de groep vreemdelingen voor wie opnieuw op de aanvraag moet worden beslist naar aanleiding van een rechterlijke uitspraak en waarbij het oorspronkelijke afwijzende besluit dateert van vóór 12 juni 2026.
Procesverloop
2. Met de bestreden besluiten van 2 juli 2026 heeft de minister de aanvragen van eiseressen om een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd afgewezen en het verblijfsdocument van eiseressen met drie jaren verlengd.
Hiertegen hebben eiseressen beroep ingesteld. De minister heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. Eiseressen hebben een nader stuk ingediend.
De rechtbank heeft de beroepen op 24 september 2026 op zitting behandeld. [eiseres 2] is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. De minister werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Ook was aanwezig E. Taskin als tolk in de Turkse taal.
Overwegingen
Achtergrond en de bestreden besluiten
3. In het kader van nareis is met het besluit van 1 september 2021 aan eiseressen ambtshalve een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend als gezinslid van [naam]. De vergunning is ingegaan op 2 juli 2021 en was geldig tot 2 juli 2026.
Op 12 januari 2026 hebben eiseressen een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd.
Met de bestreden besluiten van 2 juli 2026 heeft de minister de aanvragen afgewezen. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat op 12 juni 2026 het Asiel- en migratiepact van de Europese Unie is ingegaan en vanaf die datum geen verblijfsvergunningen asiel voor onbepaalde tijd kunnen worden verleend. Wel heeft de minister aan eiseressen een verblijfsdocument verstrekt voor de duur van drie jaar met als ingangsdatum 12 juni 2026.
Standpunt partijen
4. Eiseressen zijn het niet eens met de afwijzing van hun aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. De Kwalificatieverordening verbiedt het niet om een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd te verlenen. Dat betekent dat de wetgever dient te motiveren waarom hij toch voor afschaffing van die vergunning heeft gekozen. De wetgever heeft dat ten aanzien van de groep vreemdelingen waartoe eiseressen behoren onvoldoende gedaan. Eiseressen hebben hun aanvraag onder het toen geldende recht ingediend. Eiseressen konden niet vóór 12 juni 2026 aan alle wettelijke vereisten voldoen, maar slechts drie weken erna zou dit wel het geval zijn. Ter zitting heeft [eiseres 2] aangegeven dat het vervelend is dat zij nu elke drie jaar een nieuwe aanvraag moet indienen en dat het voor haar en haar zus [eiseres 1] ook op praktische problemen stuit. Zo is het lastig om voor een stage naar het buitenland te reizen. Eiseressen voldoen verder nog niet aan de inkomenseis voor het EU-langdurig ingezetenschap. Ook geldt dat hun ouders en jongste zusje genaturaliseerd zijn, maar dat eiseressen hierover nog in onzekerheid blijven. De wetgever heeft deze omstandigheden niet ten volle verdisconteerd in zijn afweging en heeft de gevolgen ten aanzien van de groep vreemdelingen waartoe eiseressen behoren onvoldoende voorzien. Toepassing van de onmiddellijke afschaffing van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd bereikt in dit concrete geval daarom de hoge drempel voor strijdigheid met het rechtszekerheids- en evenredigheidsbeginsel. Eiseressen verzoeken de rechtbank om zelf in de zaak te voorzien en aan hen een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd te verlenen of de minister op te dragen een nieuw besluit te nemen en de aanvraag te beoordelen naar het recht zoals dat gold vóór 12 juni 2026.
De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat hij op grond van de Kwalificatieverordening niet langer bevoegd was om een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd te verlenen. De artikelen 14 en 19 van de Kwalificatieverordening schrijven namelijk dwingend voor wanneer de asielstatus moet worden ingetrokken, onder andere in het geval dat de omstandigheden op grond waarvan de vluchtelingen- of subsidiaire beschermingsstatus is verleend niet langer bestaan of zodanig zijn gewijzigd dat deze bescherming niet langer nodig is. Dit sluit aan bij de opvatting dat asielbescherming per definitie tijdelijk is en alleen dient te worden geboden als daartoe noodzaak bestaat. Een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd die niet kan worden ingetrokken als er geen grond meer bestaat voor internationale bescherming is daarom strijdig met de opzet en het doel van de Kwalificatieverordening. Tot slot stelt de minister dat het een bewuste keuze van de wetgever is geweest om slechts te voorzien in overgangsrecht voor al verleende vergunningen asiel voor onbepaalde tijd. Het onderwerp is veelvuldig en uitvoerig aan bod geweest in het parlement bij de totstandkoming van de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 tot wijziging van de Vw en enkele andere wetten in verband met het Asiel- en migratiepact (de Uitvoeringswet). De minister wijst onder meer op de Memorie van Toelichting bij de Uitvoeringswet van 19 december 2026, het Advies van de Afdeling advisering van 22 oktober 2025 en het Nader rapport Uitvoeringswet van 12 december 2025, de Nota naar aanleiding van het verslag aan de Tweede Kamer van 13 maart 2026 en de Nota naar aanleiding van het verslag aan de Eerste Kamer van 12 mei 2026. Daaruit blijkt dat de wetgever ‘de essentie’ van de gevolgen van onmiddellijke werking van het afschaffen van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd heeft voorzien.
Leeswijzer
5. De rechtbank gaat hierna eerst in op de Uitvoeringswet waarmee de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd is afgeschaft en de geschiedenis van die wet. Daarna bespreekt de rechtbank het toetsingsverbod dat volgt uit artikel 120 van de Grondwet en of er ondanks dit toetsingsverbod toch ruimte kan bestaan om tot een andere uitkomst te komen dan waar de toepassing van de wet toe leidt.
De Uitvoeringswet
6. Op 12 juni 2026 is het Asiel- en migratiepact en ook de Uitvoeringswet in werking getreden. Met de Uitvoeringswet is onder andere de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd afgeschaft.
Uit de memorie van toelichting van de Uitvoeringswet volgt dat de regering van oordeel is dat het asielsysteem in de huidige vorm onhoudbaar is en dat de regering bewust voor onmiddellijke werking heeft gekozen met uitzondering van reeds verleende verblijfsvergunningen voor onbepaalde tijd en reeds gegeven voornemens (eerbiedigende werking). Een belangrijk doel van het regeringsbeleid inzake asielmigratie is dat Nederland moet gaan behoren tot de categorie lidstaten met de strengste toelatingsregels van de EU. De afschaffing van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd heeft onmiddellijke werking en voor deze categorie is dus geen sprake van overgangsrecht of eerbiedigende werking. Dat geldt ook voor lopende aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd waarin op 12 juni 2026 nog geen beslissing is genomen. De aanvraag wordt dan behandeld als een aanvraag om de verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfstitel, behorend bij een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van de Vw. De geldigheidsduur van de verblijfstitel is drie jaar.
Uit de memorie van toelichting volgt verder dat de regering, zoals de minister in zijn standpunt al naar voren heeft gebracht, zich op het standpunt stelt dat het handhaven van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd niet langer een mogelijkheid is vanwege het dwingende karakter van artikel 14 en 19 van de Kwalificatieverordening en de afschaffing van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd daarom onmiddellijke werking moet krijgen.
De Afdeling advisering heeft in haar advies vraagtekens geplaatst bij deze uitleg door te stellen dat de Kwalificatieverordening niet verbiedt dat de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd wordt verleend en dat onmiddellijke afschaffing van deze vergunning in de praktijk kan leiden tot resultaten die strijdig zijn met de beginselen van rechtszekerheid en gelijke behandeling. Volgens de Afdeling advisering laat de Kwalificatieverordening toe dat nationaal wordt bepaald of asielgerechtigden na verloop van tijd een sterkere verblijfstitel krijgen, namelijk één die niet langer afhankelijk is van het voortduren van de internationale beschermingsstatus. Een dergelijke verblijfstitel kan volgens de Afdeling advisering dan worden verleend met een besluit genaamd ’verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd’.
In het nader rapport met betrekking tot dit advies stelt de regering kennis te hebben genomen van de uitleg van de Afdeling advisering, maar blijft hij van mening dat een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd die niet kan worden ingetrokken wanneer de situatie in het land van herkomst wijzigt, niet verenigbaar is met het Unierecht, aangezien het voortzetten daarvan in strijd zou komen met de Kwalificatieverordening. Verder geeft de regering aan veel belang te hechten aan de materiële voorwaarden die worden gesteld aan een verblijfsrecht met een meer permanent karakter, zoals de inkomenseis bij de status van het EU-langdurig ingezetenschap en de hoge lat voor inwilliging van een aanvraag op grond van artikel 8 van het EVRM. Het tijdelijke karakter van asielbescherming wordt hiermee benadrukt, integratie wordt gestimuleerd en er wordt aangesloten bij de mogelijkheden die het Unierecht biedt. Verder is van belang dat de maatregel instroombeperkend werkt, doordat het Nederlandse asielbeleid meer in lijn wordt gebracht met dat van andere lidstaten en het Unierecht.
In het kader van de proportionaliteit van de onmiddellijke afschaffing van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd en voor personen die al een aanvraag daarvoor hebben ingediend, stelt de regering in de nota naar aanleiding van het verslag aan de Eerste Kamer dat op 1 april 2026 nog 5.830 aanvragen openstonden waarover nog geen besluit was genomen. Het vervallen van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd en het verschuiven van de ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd betekenen volgens de regering niet dat statushouders geen mogelijkheid meer hebben om een vaste verblijfsvergunning te verkrijgen die losstaat van de beschermingsgrond waarop de oorspronkelijke vergunning was gebaseerd. Vijf jaar na vergunningverlening kan een statushouder namelijk een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd of een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen aanvragen. Daarnaast stelt de regering dat artikel 45b, vierde lid, van de Vw bepaalt dat de periode tussen de datum van indiening van de aanvraag en de verlenging van de verblijfsvergunning asiel meetelt bij de berekening van de periode van ononderbroken rechtmatig verblijf, die als voorwaarde geldt voor deze status.
Toetsingskader
7. In artikel 120 van de Grondwet is bepaald dat de rechter niet treedt in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen. Dit toetsingsverbod staat er aan in de weg dat een (bepaling uit een) wet in formele zin, zoals de Uitvoeringswet, wordt getoetst aan algemene rechtsbeginselen en (ander) ongeschreven recht.
Ondanks dit toetsingsverbod, is er soms toch ruimte om, door de zogenoemde contra-legemtoetsing, tot een andere uitkomst te komen dan waar toepassing van een wettelijke bepaling toe leidt. Dit is het geval als zich bijzondere omstandigheden voordoen die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever en deze omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. Daarbij kan het ook gaan om gevolgen van de toepassing van de wettelijke bepaling die niet stroken met wat de wetgever kan hebben bedoeld of voorzien.
Daarbij hoeft niet altijd eerst te worden nagegaan of sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle in de afweging van de wetgever zijn verdisconteerd. Denkbaar is dat direct al duidelijk is dat de door de belanghebbende gestelde bijzondere omstandigheden niet meebrengen dat toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd is met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege dient te blijven.
Oordeel van de rechtbank
8. De rechtbank gaat hierna eerst in op de vraag of de Kwalificatieverordening verbiedt om een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd te verlenen. Vervolgens beantwoordt de rechtbank de vraag of de door eiseressen genoemde omstandigheden al dan niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever om de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd (onmiddellijk) af te schaffen aan de hand van de Uitvoeringswet en de gevolgen van de toepassing daarvan door de wetgever zijn voorzien.
De rechtbank volgt de minister niet in zijn stelling dat hij op grond van de Kwalificatieverordening niet langer bevoegd is om een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd te verlenen. De rechtbank is van oordeel dat de Kwalificatieverordening niet verbiedt dat een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd wordt verleend. Gelijk de motivering van de Afdeling advisering op dit punt verbindt de Kwalificatieverordening naar het oordeel van de rechtbank het verblijfsrecht van een asielgerechtigde immers niet aan de verblijfsvergunning asiel (het besluit waarmee de internationale beschermingsstatus wordt verleend), maar aan de verblijfstitel. Het is op grond van de Kwalificatieverordening aan de lidstaten om te bepalen welke geldigheidsduur zij aan de verblijfstitel verbinden. De enige voorwaarde die daarbij wordt gesteld, is dat de verblijfstitel blijft voortduren ‘zolang’ de vreemdeling een recht heeft op internationale bescherming, zoals volgt uit artikel 24, eerste lid, van de Kwalificatieverordening. De Kwalificatieverordening laat daarmee toe dat op nationaal niveau wordt bepaald of asielgerechtigden na verloop van tijd een sterkere verblijfstitel krijgen, namelijk één die niet langer afhankelijk is van het voortduren van de internationale beschermingsstatus. De rechtbank verwijst in dit kader onder meer naar artikel 24, vijfde lid, van de Kwalificatieverordening, op basis waarvan het aan de lidstaten is om te bepalen of zij de verblijfstitel herroepen of weigeren te verlengen op het moment dat de internationale beschermingsstatus is ingetrokken en de considerans, overweging 63, van de Kwalificatieverordening, op basis waarvan het is toegestaan asielgerechtigden een verblijfstitel voor langdurig verblijf te verlenen overeenkomstig het Unierecht of het nationale recht. Een dergelijke verblijfstitel kan worden verleend met een besluit genaamd ‘verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd’. Het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd doet daarmee geen afbreuk aan (en leidt niet tot verwarring met) de zelfstandige waarde van de internationale beschermingsstatus.
De mogelijkheid voor het bestaan van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd op nationaal niveau volgt volgens de rechtbank ook uit de jurisprudentie van het Hof, zoals het arrest Bilali. De regering ziet dat anders. In het nader rapport stelt de regering dat het Hof in dit arrest heeft bevestigd dat internationale bescherming moet worden ingetrokken indien de houder geen vluchteling meer is of niet langer in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming. Uit het arrest Bilali volgt echter ook dat een lidstaat overeenkomstig zijn nationaal recht een nationale bescherming kan verlenen die gepaard gaat met rechten die personen zonder subsidiaire beschermingsstatus toestaan op het grondgebied van de betrokken lidstaat te verblijven. Ook uit het arrest M’Bodj van het Hof volgt dat de Unierechtelijke regels in het kader van internationale bescherming zich niet uitstrekken tot personen die om andere redenen gemachtigd zijn tot verblijf op het grondgebied van de lidstaten, onder meer op discretionaire basis.
Dat het Unierecht er niet aan in de weg staat dat de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd blijft bestaan, laat echter onverlet dat de wetgever de vrijheid heeft om ervoor te kiezen deze vergunning af te schaffen. Het Unierecht, of ander hoger recht, schrijft immers niet voor dat deze verblijfsvergunning moet blijven bestaan. Dat de Afdeling advisering de regering heeft geadviseerd om te motiveren waarom ervoor wordt gekozen om het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd onmogelijk te maken en de regering hier volgens eiseressen onvoldoende opvolging aan heeft gegeven, maakt dit niet anders.
9. De rechtbank komt vervolgens toe aan de beantwoording van de vraag of er door contra-legem toetsing tot een andere uitkomst kan worden gekomen dan waar toepassing van de wettelijke bepaling toe leidt. De eerste vraag die daarbij opkomt is of de wetgever de aangevoerde omstandigheden van eiseressen niet of niet ten volle in de afweging om de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd onmiddellijk af te schaffen heeft verdisconteerd.
Eiseressen hebben aangevoerd steeds opnieuw verlenging te moeten vragen, voorlopig niet te voldoen aan de voorwaarden voor het EU-langdurig ingezetenschap, (mogelijk) problemen te ervaren om naar het buitenland te reizen en een positie te hebben waaraan minder rechten kunnen worden ontleend dan hun ouders en jongste zusje, die inmiddels genaturaliseerd zijn.
Onder verwijzing naar 6.4. en 6.5. is de rechtbank van oordeel dat de aangevoerde omstandigheden ten aanzien van de groep vreemdelingen waar eiseressen onder vallen, zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever en de wetgever deze gevolgen van de gewijzigde wetgeving derhalve heeft voorzien. De wetgever heeft desondanks de afweging gemaakt om de verblijfsvergunning met onmiddellijke ingang af te schaffen. Zoals hiervoor overwogen is dat een keuze die de wetgever op dit punt toekomt en bewust heeft gemaakt.
Ook wat betreft de aangevoerde individuele omstandigheden van eiseressen, te weten dat het voor hen lastig is om voor een stage naar het buitenland te reizen en dat zij, anders dan hun ouders en jongste zusje, nog niet kunnen worden genaturaliseerd, heeft de wetgever deze omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank verdisconteerd in zijn afweging en de gevolgen voor de groep vreemdelingen waartoe eiseressen behoren voorzien. Hoewel uit de wetsgeschiedenis niet expliciet blijkt dat de wetgever deze individuele omstandigheden heeft besproken, volgt uit de nota naar aanleiding van het verslag aan de Eerste Kamer, zoals besproken onder 6.5., dat de wetgever bij de onmiddellijke afschaffing van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd geacht moet worden ook deze nadelige gevolgen te hebben voorzien. Daarbij is de wetgever onder meer ingegaan op de proportionaliteit van de afschaffing en op de mogelijkheid voor de groep personen waartoe eiseressen behoren om een andere verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd te verkrijgen.
Omdat de rechtbank van oordeel is dat de wetgever de aangevoerde omstandigheden voldoende heeft verdisconteerd in zijn afweging en de gevolgen van zijn keuze heeft voorzien, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of deze omstandigheden ervoor zorgen dat de toepassing van de onmiddellijke afschaffing van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd een strijdigheid oplevert met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht. Dat, zoals eiseressen hebben gesteld, de Afdeling advisering ervoor heeft gewaarschuwd dat onmiddellijke inwerkingtreding strijdig kan zijn met de beginselen van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid, maakt dit niet anders.
Dit betekent overigens niet dat de rechtbank de nadelige gevolgen voor eiseressen – en met hen de statushouders die zich in dezelfde groep bevinden – niet ziet of onderkent. Het ontbreken van overgangsrecht maakt het voor eiseressen op een aantal vlakken moeilijker, terwijl de wetgever de keuze had om dit te voorkomen. Hier heeft de wetgever evenwel bewust vanaf gezien en deze keuze behoort tot het domein van de wetgever.
Conclusie en gevolgen
10. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eiseressen geen gelijk krijgen. Eiseressen krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, voorzitter en mr. R.H.G. Odink en mr. C.A.R. Bleijendaal, leden, in aanwezigheid van mr. A.S. Hayas, griffier.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.