Vreemdelingenrecht
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder ten onrechte stelt dat eiser geen rechten…
Rechtbank Den Haag, 2 november 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:32486 · Rechtbank Den Haag · 2 november 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbdha-2026-32486
Zaakgegevens
Op 2 november 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Haarlem
- Datum uitspraak
- 2 november 2026
- Datum publicatie
- 5 november 2026
- Zaaknummer
- NL24.51337 en NL24.51338
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:32486
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder ten onrechte stelt dat eiser geen rechten kan ontlenen aan artikel 20 van het VWEU. Dat eisers Nederlandse dochter in Duitsland verblijft, maakt niet dat verweerder de aanvraag om die reden mag afwijzen. Verweerder had moeten beoordelen of tussen eiser en zijn dochter een dusdanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat de dochter het grondgebied van de Europese Unie zou moeten verlaten als aan eiser een verblijfsrecht wordt geweigerd. Eiser krijgt gelijk en het beroep is dus gegrond.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.51337 (beroep) en NL25.51338 NL24.51338 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de meervoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] , V-nummer: [#] , eiser/verzoeker, hierna: eiser
(gemachtigde: mr. A. Sarioglu),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. N. Rijerkerk en mr. W.A. Kleingeld).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers aanvraag voor afgifte van een verblijfsdocument EU/EER. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder ten onrechte stelt dat eiser geen rechten kan ontlenen aan artikel 20 van het VWEU. Dat eisers Nederlandse dochter in Duitsland verblijft, maakt niet dat verweerder de aanvraag om die reden mag afwijzen. Verweerder had moeten beoordelen of tussen eiser en zijn dochter een dusdanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat de dochter het grondgebied van de Europese Unie zou moeten verlaten als aan eiser een verblijfsrecht wordt geweigerd. Eiser krijgt gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 21 februari 2023 een aanvraag ingediend voor afgifte van een verblijfsdocument EU/EER. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 17 januari 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 17 december 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft de rechtbank ook verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft op 3 april 2026 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 8 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, [naam tolk 1] als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser heeft met een videoverbinding aan de zitting deelgenomen. Na behandeling ter zitting, heeft de rechtbank het beroep en het verzoek verwezen naar de meervoudige kamer.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 13 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, [naam tolk 2] als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser heeft met een videoverbinding aan de zitting deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Achtergrond en andere procedures
3. Eiser heeft de Turkse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum 1] 1984. Eiser heeft tot zijn dertiende in Nederland gewoond. Hij is toen naar Turkije geëmigreerd. Vanaf zijn 18e heeft eiser verschillende aanvragen gedaan voor een visum om terug te keren naar Nederland. Al deze aanvragen zijn afgewezen. Op 12 juli 2023 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd op grond van de terugkeeroptie. Verweerder heeft die aanvraag met het primaire besluit van 2 november 2023 afgewezen en met de beslissing op bezwaar van 23 juli 2024 gehandhaafd. Volgens verweerder zijn de banden van eiser met Turkije sterker dan die met Nederland. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft het daartegen gerichte beroep in haar uitspraak van 22 september 2025 gegrond verklaard omdat verweerder geen terugkeerbesluit mocht uitvaardigen. De rechtbank heeft echter bepaald dat het bestreden besluit voor het overige in stand blijft.
Huidige procedure
4. Eiser heeft op 17 februari 2023 ook een aanvraag voor afgifte van een verblijfsdocument EU/EER ingediend. Eiser doet een beroep op het arrest Chavez-Vilchez van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof). Eiser beoogt verblijf bij zijn minderjarige dochter [naam dochter] . [naam dochter] is geboren op [geboortedatum 2] en heeft de Nederlandse nationaliteit. De moeder van [naam dochter] (ex-partner van eiser) heeft sinds 16 januari 2019 het eenhoofdig gezag over [naam dochter] . Sinds 30 maart 2019 verblijft [naam dochter] bij haar moeder in Duitsland. Bij de aanvraag heeft eiser onder meer een concept ouderplan en verschillende foto's van hem en [naam dochter] overlegd.
Primair besluit
Verweerder heeft de aanvraag van eiser met het primaire besluit van 17 januari 2024 afgewezen. Volgens verweerder is niet aan de voorwaarden van het arrest Chavez-Vilchez voldaan. Uit de Basisregistratie Personen (BRP) blijkt dat eisers dochter niet in Nederland verblijft, maar dat zij sinds 30 maart 2019 samen met haar moeder in Duitsland woont. Omdat eisers dochter niet in Nederland verblijft kan eiser geen rechten ontlenen aan artikel 20 VWEU en het arrest Chavez-Vilchez. Eiser krijgt ook geen verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM. Hij oefent geen beschermenswaardig gezinsleven met zijn dochter in Nederland uit.
Het bestreden besluit
In het bestreden besluit van 17 december 2024 heeft verweerder het bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Verweerder concludeert daarin opnieuw dat het arrest Chavez-Vilchez niet op eiser van toepassing is omdat zijn dochter niet in Nederland woont. Artikel 20 van het VWEU verzet zich tegen nationale maatregelen die tot gevolg hebben dat EU-burgers het effectieve genot wordt ontzegd van de belangrijkste aan hun status van EU-burger ontleende rechten. Volgens verweerder ontstaat een dergelijke situatie echter alleen als een staatsburger van een derde land het recht wordt ontzegd te verblijven in een lidstaat waar zijn minderjarige afhankelijke kind of familielid verblijft. Daarvan is hier geen sprake. Dat eiser heeft verklaard dat hij vanuit Nederland in staat is om aan de afgesproken omgangsregeling uitvoering te geven, leidt verweerder niet tot een andere conclusie. Verder is niet gebleken dat de moeder van [naam dochter] de omgang tussen eiser en [naam dochter] heeft gefrustreerd. Verweerder handhaaft in het bestreden besluit ook het standpunt dat eiser en zijn dochter geen beschermenswaardig familieleven in Nederland uitoefenen en maakt vervolgens een afweging tussen enerzijds het belang van eiser bij het uitoefenen van gezinsleven met zijn dochter en het uitoefenen van zijn privéleven in Nederland en anderzijds het belang van de Nederlandse overheid om eiser geen verblijf in Nederland toe te staan. Deze belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM valt in eisers nadeel uit.
Kan eiser in aanmerking komen voor een verblijfsdocument op grond artikel 20 van het VWEU ondanks dat zijn dochter in Duitsland verblijft?
5. Eiser voert aan dat het een te absolute en onjuiste rechtsopvatting is van verweerder dat artikel 20 van het VWEU en het arrest Chavez-Vilchez uitsluitend toepassing kunnen vinden wanneer het Nederlandse kind in Nederland woont. De woonplaats van het kind is een relevante omstandigheid, maar geen zelfstandige afwijzingsgrond. De vraag is of de weigering van verblijf in Nederland, gelet op de concrete omstandigheden, het effectieve genot van de aan het Unieburgerschap verbonden rechten aantast. Het Hof heeft in het arrest Chavez-Vilchez niet geoordeeld dat ouder en kind in dezelfde lidstaat moeten wonen. Het Hof verlangt een individuele beoordeling van de afhankelijkheidsverhouding, waarbij onder meer de daadwerkelijke zorg, de affectieve relatie en het risico voor het evenwicht van het kind bij scheiding moeten worden betrokken.
Verweerder heeft in het verweerschrift van 3 april 2026 en op de zitting van 8 april 2026 verwezen naar het arrest Ruiz Zambrano. Uit rechtsoverweging 43 van dat arrest volgt volgens verweerder dat alleen sprake kan zijn van een schending van artikel 20 van het VWEU als het minderjarige kind verblijft in het land waar zij de nationaliteit van heeft. In het verweerschrift van 8 oktober 2026 stelt verweerder verder dat de dochter van eiser gebruik heeft gemaakt van haar recht om zich in een andere lidstaat (in dit geval Duitsland) te vestigen. Als een minderjarige Unieburger zijn derdelander-ouder nodig heeft om dit recht te effecturen, is het land waar de Unieburger zich vestigt gehouden, mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan, aan de ouder een verblijfrecht te verlenen. Dit blijkt uit het arrest Zhu en Chen van het Hof. Daarom zou eiser op grond van artikel 21 van het VWEU een verblijfsaanvraag in Duitsland moeten indienen en treft zijn betoog dat hij in Duitsland geen verblijfsvergunning zou kunnen aanvragen, omdat hij aldaar niet aan de voorwaarden zou voldoen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 20 van het VWEU, geen doel. Verweerder verwijst in het aanvullend verweerschrift van 8 oktober 2026 naar een tweetal andere arresten van het Hof ter ondersteuning van het standpunt dat een beroep op artikel 20 van het VWEU alleen kan worden gedaan als het kind in de eigen lidstaat verblijft. Op de zitting van 13 oktober 2026 heeft verweerder ten slotte nog verwezen naar de conclusie van 17 september 2026 van de Advocaat-Generaal van het Hof in de zaak C449/25 en de richtsnoeren betreffende het recht van vrij verkeer van EU-burgers en hun familieleden van 6 december 2023.
De rechtbank komt tot de volgende beoordeling. Het Hof overweegt in de overwegingen 41 en 42 van het arrest Ruiz Zambrano dat de hoedanigheid van burger van de Unie de primaire hoedanigheid van de onderdanen van de lidstaten moet zijn en dat in die omstandigheden artikel 20 van het VWEU zich verzet tegen nationale maatregelen, die tot gevolg hebben dat de burger van de Unie het effectieve genot van de voornaamste aan zijn status ontleende rechten wordt ontzegd. Het Hof overweegt vervolgens in de, door verweerder aangehaalde, rechtsoverweging 43 dat een dergelijke situatie ontstaat wanneer een staatsburger van een derde staat het recht wordt ontzegd te verblijven in de lidstaat waar zijn kinderen van jonge leeftijd, staatsburgers van die lidstaat en te zijne laste, verblijven en wordt geweigerd hem een arbeidsvergunning af te geven. Die overweging is, zo begrijpt de rechtbank, situatief bepaald. Dat wil zeggen dat deze overweging is toegespitst op de in de zaak Zambrano voorliggende, veel voorkomende, situatie waarin het minderjarige kind verblijft in de lidstaat waarvan zij ook de nationaliteit heeft. Dat betekent volgens de rechtbank echter niet dat de situatie waarin de minderjarige dochter van eiser zich bevindt niet eveneens een situatie kan zijn waarin artikel 20 van het VWEU zich verzet tegen de weigering om een verblijfsrecht aan de betrokken ouder(s) toe te kennen. Ook die weigering kan immers een maatregel zijn die, gelet op de afhankelijkheidsrelatie met de betrokken ouder(s), feitelijk tot gevolg zou kunnen hebben dat het minderjarige kind het effectieve genot van haar verblijfsrecht op het grondgebied van de unie wordt ontzegd. Ook het beroep op de door verweerder aangehaalde overwegingen uit andere arresten van het Hof leidt de rechtbank niet tot het oordeel dat artikel 20 van het VWEU zich nimmer verzet tegen een maatregel van een lidstaat gericht tegen de ouder van een minderjarig kind dat wel de nationaliteit van die lidstaat heeft maar in een andere lidstaat verblijft. Daarbij acht de rechtbank van belang dat ook in die arresten niet de situatie voorlag waarin de minderjarige Unieburger niet in de lidstaat verblijft waarvan zij de nationaliteit heeft.
De rechtbank volgt verweerder ook niet in zijn standpunt dat eiser alleen een verzoek voor een EU-verblijfsrecht in Duitsland kan indienen. Dat de dochter van eiser zich in een andere lidstaat heeft gevestigd en dat eiser daarom in Duitsland mogelijk een van zijn dochter afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 21 van het VWEU kan ontlenen, neemt niet weg dat, zoals in rechtsoverweging 5.2 is geoordeeld, de weigering om aan eiser verblijf in Nederland toe te staan een maatregel is die tot gevolg zou kunnen hebben dat aan [naam dochter] het effectieve genot van haar recht op verblijf van het grondgebied van de Unie wordt ontzegd. Daarbij komt dat een aanspraak van eiser op een van zijn dochter afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 21 van het VWEU niet kansrijk lijkt, omdat het niet eiser maar zijn ex-partner is die momenteel de daadwerkelijke zorg voor [naam dochter] heeft en bij haar in Duitsland verblijft. Dat betekent dat het nuttig effect van het [naam dochter] als Unieburger op grond van artikel 21 van het VWEU toekomende recht om vrij in een andere lidstaat te kunnen reizen en verblijven niet wordt ontnomen door eiser in Duitsland geen verblijf toe te staan. De beoordeling of eiser een afgeleid verblijfrecht in Duitsland kan ontlenen aan een aan zijn dochter op grond artikel 21 van het VWEU toekomend recht is daarmee een wezenlijk andere dan de beoordeling of eiser een afgeleid verblijfsrecht in Nederland kan ontlenen aan een zijn dochter op grond van artikel 20 van het VWEU toekomend recht om niet het hele grondgebied van de Unie te hoeven te verlaten om gezinsleven te kunnen uitoefenen met de ouder(s) van wie zij afhankelijk is. Dat recht kan ook in gevaar komen in de situatie dat het minderjarige kind van de ouder-derdelander die niet de daadwerkelijke zorg haar draagt toch zodanig (emotioneel) afhankelijk is van die ouder, dat het voor het kind noodzakelijk is om het grondgebied van de unie te verlaten.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder niet deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser geen rechten kan ontlenen aan artikel 20 van het VWEU. Verweerder heeft in het bestreden besluit dus ten onrechte niet beoordeeld of er tussen eiser en zijn dochter een dusdanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat [naam dochter] het grondgebied van de Unie moet verlaten als het verblijfsrecht in Nederland aan eiser wordt geweigerd. De beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
6. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit van 17 december 2024. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Verweerder zal opnieuw op het bezwaar moeten beslissen met inachtneming van deze uitspraak van de rechtbank. Dat brengt met zich dat verweerder alvorens opnieuw op het bezwaar te beslissen, moet beoordelen of aannemelijk is dat tussen eiser en zijn dochter [naam dochter] een dusdanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat [naam dochter] genoodzaakt zal worden het grondgebied van de Unie te verlaten als het gevraagde verblijfsrecht in Nederland aan eiser wordt geweigerd. Alvorens die beoordeling te maken dient verweerder eiser in de gelegenheid te stellen de (afhankelijkheids)relatie met zijn dochter nader schriftelijk en/of mondeling te onderbouwen. Daarbij geeft de rechtbank eiser in overweging een schriftelijke verklaring van zijn dochter te overleggen waarin zij zichzelf uit over de (emotionele) afhankelijkheidsrelatie tussen haar en eiser. Daarnaast geeft de rechtbank verweerder in overweging [naam dochter] zo nodig nog over die afhankelijkheidsrelatie te horen.
Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding om de gevraagde voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,-, omdat de
gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend, een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 17 december 2024;
- draagt verweerder op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak.
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek af.
De rechtbank/voorzieningenrechter, in beide zaken:
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.802, - aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, voorzitter, mr. M.A.J. van Beek en mr. H. Battjes, leden, in aanwezigheid van mr. J.P. Ankum, griffier.
Deze hersteluitspraak vervangt de inhoud van de uitspraak van 23 oktober 2026, zonder wijziging van de uitspraakdatum. De hersteluitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekend gemaakt op 2 november 2026.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.