Vreemdelingenrecht
Asiel, meervoudige kamer, niet-ontvankelijk. Daartoe overweegt zij dat de inwerkingtreding van het Asiel- en…
Rechtbank Den Haag, 28 oktober 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:31696 · Rechtbank Den Haag · 28 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbdha-2026-31696
Zaakgegevens
Op 28 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Groningen
- Datum uitspraak
- 28 oktober 2026
- Datum publicatie
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- NL26.36921
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:31696
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Asiel, meervoudige kamer, niet-ontvankelijk. Daartoe overweegt zij dat de inwerkingtreding van het Asiel- en migratiepact op 12 juni 2026 geen omstandigheid is die maakt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht. Het betreft namelijk een omstandigheid die zich pas voordoet na het verstrijken van de beroepstermijn, terwijl een reden die pas opkomt na het verstrijken van de beroepstermijn er niet toe kan leiden dat de eerdere niet-verschoonbare termijnoverschrijding, alsnog verschoonbaar wordt. Bovendien stelt de minister terecht dat de inwerkingtreding van het Asiel- en migratiepact geen individuele omstandigheid is die alleen de indiener van het beroepschrift betreft, Eisers beroep op de conclusie van de advocaat-generaal Widdershoven en de uitspraak van het CBB kan gelet op het voorgaande niet slagen.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.36921
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
V-nummer: [v-nummer],
(gemachtigde: mr. M.R. van der Pol),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. L.O. Augustinus).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het niet toekennen van de door eiser gezochte vluchtelingenstatus. Aan eiser is subsidiaire bescherming (b-status) verleend en eiser heeft daarom een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw (oud) gekregen. Eiser is het niet eens met het niet toekennen van een vluchtelingenstatus (a-status) en wil een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 15 januari 2024 een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het besluit van 26 februari 2025 de aanvraag ingewilligd en aan eiser subsidiaire bescherming verleend.
Eiseres heeft hiertegen op 3 juli 2026 beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 17 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Ontvankelijkheid beroep
3. Eiser heeft op 3 juli 2026 beroep ingesteld tegen het besluit van 26 februari 2025. De wettelijke termijn voor het instellen van beroep bedroeg vier weken en verliep op
25 maart 2025. Tussen partijen is niet in geschil dat het beroep daarom te laat is ingesteld. Als een beroepschrift te laat is ingediend verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen verschoonbaar is. De rechtbank ziet zich daarom voor de vraag gesteld of de termijnoverschrijding verschoonbaar is.
Standpunten partijen
4. Eiser stelt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Hij verwijst daarbij naar een uitspraak van het CBB van 20 januari 2024 en de daaraan voorafgaande conclusie van de advocaat-generaal Widdershoven van 7 september 2023. Daaruit volgt, volgens eiser, dat sprake is van een zekere versoepeling van de beoordeling van de termijnoverschrijding. De advocaat-generaal geeft aan dat meer oog moet zijn voor de menselijke maat en evenredigheid. Verder roept het indienen van een nieuwe asielaanvraag naar de mening van eiser vragen op. Bijvoorbeeld over wat de ingangsdatum wordt van de nieuwe asielvergunning op grond van de a-status en hoe dat relateert tot de uitkomt van de nog lopende aanvraag voor gezinshereniging.
De minister stelt zich op het standpunt dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. De jurisprudentie waar eiser een beroep op doet ziet op de individuele omstandigheden van een betrokkene. In het geval van eiser gaat het om het invoeren van nareismaatregelen nadat de rechtsmiddelentermijn van een inwilligend besluit al is verlopen. Dit valt volgens de minister niet onder individuele omstandigheden en ook niet onder handelen of nalaten van de minister waardoor de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Daarnaast bestaat de mogelijkheid voor eiser om een nieuwe asielaanvraag in te dienen. Op de zitting heeft de gemachtigde van de minister bevestigd dat deze herhaalde aanvraag inhoudelijk zal worden beoordeeld en niet wordt tegengeworpen dat geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden.
Is sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding?
5. De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Daartoe overweegt zij dat de inwerkingtreding van het Asiel- en migratiepact op 12 juni 2026 geen omstandigheid is die maakt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht. Het betreft namelijk een omstandigheid die zich pas voordoet na het verstrijken van de beroepstermijn, terwijl een reden die pas opkomt na het verstrijken van de beroepstermijn er niet toe kan leiden dat de eerdere niet-verschoonbare termijnoverschrijding, alsnog verschoonbaar wordt. Bovendien stelt de minister terecht dat de inwerkingtreding van het Asiel- en migratiepact geen individuele omstandigheid is die alleen de indiener van het beroepschrift betreft. Eisers beroep op de conclusie van de advocaat-generaal Widdershoven en de uitspraak van het CBB kan gelet op het voorgaande niet slagen.
Voor zover eiser stelt dat dit oordeel ertoe leidt dat zijn rechten op grond van artikel van het 8 EVRM in het geding komen omdat onduidelijk is wat de ingangsdatum wordt van een eventueel nieuw te verlenen verblijfsvergunning met a-status, overweegt de rechtbank het volgende. Eiser kan bij een herhaalde asielaanvraag een verzoek om heroverweging doen. De minister heeft op de zitting aangegeven een eventueel ingediende opvolgende asielaanvraag inhoudelijk te zullen beoordelen. Tegen dat besluit kan eiser opkomen, mocht hij het met onderdelen daarvan niet eens zijn. Het ligt op de weg van eiser om de ingangsdatum van een eventuele nieuwe vergunning in die procedure aan te vechten. De rechtbank ziet in het beroepschrift van eiser geen aanleiding om het onderhavige beroep op te vatten als een verzoek tot heroverweging.
Dit betekent dat het beroepschrift te laat is ingediend en er geen reden is om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, voorzitter, mr. M. Munsterman en mr. H. Hanssen - Telman, leden, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.