Vreemdelingenrecht
Asiel, meervoudige kamer. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eiseres belang heeft bij het…
Rechtbank Den Haag, 28 oktober 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:31695 · Rechtbank Den Haag · 28 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbdha-2026-31695
Zaakgegevens
Op 28 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Groningen
- Datum uitspraak
- 28 oktober 2026
- Datum publicatie
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- NL25.62699
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:31695
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Asiel, meervoudige kamer. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eiseres belang heeft bij het doorprocederen voor de a-status. Het bestaan van dit procesbelang wordt door de minister niet betwist en de rechtbank ziet in het Unierecht of de jurisprudentie van de Afdeling geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. De rechten en voordelen verbonden aan de a-status en b-status zijn met ingang van 12 juni 2026 namelijk niet langer gelijk, waaruit het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel tegen de ongegrondverklaring met betrekking tot de a-status is gegeven. Omdat uit de verschillende rechten en voordelen verbonden aan beide statussen ook volgt dat eiseres met het instellen van beroep in een gunstigere rechtspositie kan komen, is naar het oordeel van de rechtbank het individuele procesbelang bij het doorprocederen voor de a-status gegeven.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.62699
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[naam 1], eiseres,V-nummer: [v-nummer 1],
(gemachtigde: mr. B.H. Werink),
mede namens haar minderjarige zoon,
[naam 2], V-nummer: [v-nummer 2],
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. L.O. Augustinus).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het niet toekennen van de door eiseres gezochte vluchtelingenstatus. Aan eiseres is subsidiaire bescherming verleend en eiseres heeft daarom een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29a, Vreemdelingenwet 2000 gekregen (b-status). Eiseres is het niet eens met het niet toekennen van een vluchtelingenstatus en wil een verblijfstitel op grond van artikel 29, Vreemdelingenwet 2000 (a-status).
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft op 1 september 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft bij besluit van
25 november 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld.
De minister heeft op 13 juli 2026 het besluit van 25 november 2025 ingetrokken. Diezelfde dag heeft de minister een nieuw besluit genomen waarin aan eiseres en haar zoon subsidiaire bescherming is verleend. Het door eiseres ingestelde beroep heeft van rechtswege mede betrekking op het besluit van 13 juli 2026.
De minister heeft op 9 september 2026 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 17 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiseres legt aan haar asielaanvraag ten grondslag dat zij in conflict is geraakt met haar echtgenoot. Eiseres heeft het initiatief genomen om van haar echtgenoot te scheiden. Een Nederlandse rechter heeft deze scheiding op 17 augustus 2022 uitgesproken. Eiseres haar echtgenoot gaat met de scheiding echter niet akkoord, en zonder akkoord kan eiseres volgens de Iraanse wetgeving niet van hem scheiden. Eiseres vreest dat bij terugkeer naar Iran haar echtgenoot wraak zal nemen of gaat vertellen dat zij overspel heeft gepleegd en dat zij om deze reden vervolgd zal worden.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
-
identiteit, nationaliteit en herkomst;
-
persoonlijke conflict met voormalige echtgenoot.
De minister heeft de motieven geloofwaardig geacht, maar vindt de vrees van eiseres bij terugkeer niet aannemelijk. De problemen die eiseres stelt te hebben ondervonden, zijn namelijk niet meer dan een conflict in de persoonlijke sfeer, waarbij sprake is van rancune en financiële geschillen. Hiertegen kan niet met succes de bescherming van het Vluchtelingenverdrag worden ingeroepen. Eiseres loopt wel een reëel risico op ernstige schade. Aan haar is subsidiaire bescherming verleend op basis van de algemene situatie in Iran.
Heeft eiseres procesbelang?
5. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eiseres belang heeft bij het doorprocederen voor de a-status. Het bestaan van dit procesbelang wordt door de minister niet betwist en de rechtbank ziet in het Unierecht of de jurisprudentie van de Afdeling geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. De rechten en voordelen verbonden aan de a-status en b-status zijn met ingang van 12 juni 2026 namelijk niet langer gelijk, waaruit het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel tegen de ongegrondverklaring met betrekking tot de a-status is gegeven. Omdat uit de verschillende rechten en voordelen verbonden aan beide statussen ook volgt dat eiseres met het instellen van beroep in een gunstigere rechtspositie kan komen, is naar het oordeel van de rechtbank het individuele procesbelang bij het doorprocederen voor de a-status gegeven.
Dat betekent niet dat eiseres procesbelang heeft bij het doorprocederen over de reden van de al aan haar verleende b-status. De rechtbank overweegt dat het Unierecht geen hiërarchische volgorde aanbrengt tussen verschillende soorten ernstige schade en ook geen volgorde oplegt bij de beoordeling of er sprake is van een reëel risico op één van die soorten ernstige schade. Bovendien kan eiseres de individuele omstandigheden die volgens haar aanleiding zouden moeten zijn voor de verlening van een b-status alsnog aan de orde stellen op het moment dat haar subsidiaire beschermingsstatus, eventueel, wordt ingetrokken.
De beoordeling door de rechtbank beperkt zich hieronder daarom tot het vluchtelingschap.
Heeft de minister kunnen concluderen dat eiseres geen verdragsvluchteling is?
Is sprake van een vervolgingsgrond?
6. De rechtbank stelt vast dat de minister op de zitting heeft erkend dat vrouwen die in Iran worden beschuldigd van overspel kunnen worden aangemerkt als sociale groep en daarom te maken kunnen hebben met vervolging die te herleiden is tot één van de vervolgingsgronden. Omdat hieruit al volgt dat eiseres, indien zij aannemelijk weet te maken dat zij van overspel wordt beticht in Iran, valt onder het Vluchtelingenverdrag is het niet nodig dat de rechtbank zich uitlaat over de vraag of eiseres op basis van datzelfde overspel kan vallen onder één van de andere vervolgingsgronden.
Is de vrees voor vervolging bij terugkeer aannemelijk?
7. De minister stelt zich evenwel, kort samengevat, op het standpunt dat niet aannemelijk is dat eiseres strafrechtelijk vervolgd zal worden vanwege het plegen van overspel. Gesteld noch gebleken is dat eiseres in het verleden op enige wijze problemen heeft ondervonden met de autoriteiten in Iran, of dat deze autoriteiten inmiddels op de hoogte zijn van het gepleegde overspel. De vrees van eiseres ziet daarom op een toekomstige onzekere situatie. Niet valt in te zien waarom de ex-partner van eiseres, die haar in de afgelopen vier jaar niet openlijk van het overspel heeft beschuldigd, dit nu alsnog zal doen. De minister heeft er daarbij op gewezen dat de ex-partner eiseres wel met meerdere financiële en zakelijke geschillen lastigvalt. Daarbij is volgens de minister niet onderbouwd dat de ex-partner bewijzen heeft - zoals eiseres stelt - om het overspel aan te tonen, mocht hij dit willen. Ook heeft de minister overwogen dat eiseres haar paspoort heeft kunnen verlengen, terwijl dit alleen kan met toestemming van haar ex-partner; dat eiseres haar ex-partner succesvol onder druk heeft kunnen zetten om haar zoon na zijn gestelde ontvoering weer te laten terugkeren; dat eiseres in staat is gebleken zich (juridisch) tegen haar ex-partner te weren; dat eiseres heeft verklaard dat haar ex-partner zijn goede naam heeft verloren en dat eiseres in staat is geweest een uitreisverbod voor haar ex-partner bij de Iraanse autoriteiten af te dwingen. De verklaring van eiseres dat haar ex-partner iedereen heeft verteld over het overspel is niet nader onderbouwd en leidt er bovendien niet zonder meer toe dat zij nu in de negatieve aandacht van de autoriteiten staat. De minister concludeert daarom dat van een aanwijzing dat de Iraanse autoriteiten eiseres vervolgen vanwege het plegen van overspel, of dat zij enige verdenking hiertoe hebben of dat er aanleiding bestaat om aan te nemen dat de ex-partner de autoriteiten hier in de toekomst van op de hoogte zal stellen, geen sprake is.
Eiseres stelt daartegenover dat haar ex-partner de afgelopen vier jaren geen aangifte heeft gedaan, omdat hij weet dat dit eiseres nu niet kan raken. Zolang eiseres in Nederland is, kan zij niet vervolgd worden voor het gepleegde overspel. Pas als eiseres terugkeert zal de ex-partner aangifte doen. Uit zijn uitlatingen volgt ook dat hij ervan geniet dat eiseres niet terug kan keren vanwege de dreiging van een aangifte. De door de minister gehanteerde maatstaf van een onzekere toekomstige gebeurtenis is bovendien onjuist. Uit het arrest Ebilum volgt dat sprake moet zijn van een redelijk mate van waarschijnlijkheid. Die lat wordt gehaald, omdat uit het dreigen met het inschakelen van een huurmoordenaar, het in brede kring bekendmaken van het overspel en het hardnekkige en onredelijke procederen in Nederland duidelijk blijkt dat de ex-partner voornemens is de autoriteiten op de hoogte te stellen van het overspel. Anders dan de minister stelt, kan het gegeven dat eiseres in andere procedures haar recht heeft kunnen halen hier niet aan afdoen, omdat in het Iraanse recht op overspel de doodstraf staat.
8. De rechtbank oordeelt dat de minister heeft kunnen concluderen dat eiseres geen verdragsvluchteling is. Zij zal dat hierna uitleggen.
De rechtbank overweegt dat uit het arrest Ebilum volgt dat ‘gegronde vrees voor vervolging’ betrekking heeft op de situatie waarin er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat een persoon die om internationale bescherming verzoekt bij terugkeer naar zijn land van herkomst zal worden vervolgd en dat de bevoegde nationale autoriteiten, om vast te stellen of er sprake is van zulke vrees, een individuele, concrete en objectieve beoordeling moeten verrichten van de persoonlijke situatie van deze verzoeker, de feiten en omstandigheden betreffende zijn verzoek en de situatie in zijn land van herkomst.
De minister heeft op goede gronden aangenomen en deugdelijk gemotiveerd dat er in dit geval geen sprake is van een redelijke mate van waarschijnlijkheid dat de vrees zich bij terugkeer bewaarheid. De enkele kans dat de ex-partner van eiseres aangifte zal doen, is onvoldoende voor de conclusie dat van die redelijke mate van waarschijnlijkheid sprake is. In dat verband is verder van belang dat de ex-partner tot nu toe geen aangifte heeft gedaan. Dat de ex-partner zou beschikken over bewijzen van het overspel en bij terugkeer van eiseres die bewijzen zou gebruiken om aangifte te doen, heeft eiseres wel gesteld maar niet onderbouwd. De overgelegde screenshots met teksten van eiseres (en de vertaling hiervan), die door de ex-echtgenoot met haar familie zouden zijn gedeeld via Whatsapp, zijn hiertoe onvoldoende. De screenshots zijn niet te herleiden tot de ex-partner van eiseres, nog daargelaten dat uit de screenshots niet zonder meer blijkt dat de ex-partner aangifte zal doen. Ook uit het door eiseres overgelegd bericht van 14 februari 2023 van een vriendin volgt niet dat de ex-partner van eiseres aangifte zal doen. De terugkeer van eiseres haar zoon en het verlengen van het paspoort duiden er bovendien niet op dat de ex-partner aangifte zal gaan doen. Daarnaast impliceert het afdwingen van een uitreisverbod dat eiseres in staat is haar recht te halen. Verder stelt de rechtbank vast dat partijen het eens zijn dat eiseres tot op heden niet in de negatieve belangstelling van de Iraanse autoriteiten staat of heeft gestaan. Onder deze omstandigheden heeft de minister op goede gronden gesteld dat er geen redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat eiseres bij terugkeer te vrezen heeft voor vervolging vanwege het gepleegde overspel.
Had de minister moeten doortoetsen aan artikel 8 van het EVRM?
9. Eiseres heeft op de zitting aangegeven de gronden over artikel 8 van het EVRM te handhaven. De minister heeft in het besluit van 13 juli 2026 aan eiseres en haar zoon de subsidiaire beschermingsstatus verleend en daarna niet ambtshalve doorgetoetst of artikel 8 van het EVRM van toepassing is. De rechtbank is van oordeel dat de minister dit in dit geval terecht niet heeft gedaan. De rechtbank overweegt dat artikel 8 van het EVRM niet zo ver strekt dat het recht geeft op een bepaald type vergunning, op voorwaarde dat de nationale autoriteiten de aanvrager in staat stellen om ongehinderd zijn of haar recht op privéleven en familie- en gezinsleven uit te oefenen. In dit geval hebben eiseres en haar zoon een verblijfsvergunning asiel gekregen. Dit betekent dat zij Nederland niet hoeven te verlaten en niet van elkaar worden gescheiden. Er wordt dan ook geen inbreuk gemaakt op het familie- en gezinsleven of privéleven van eiseres en haar zoon door niet aan artikel 8 van het EVRM te toetsen. De rechtbank verwijst daarbij ook naar het door de minister gevoerde beleid in de WI 2026/6.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, voorzitter, mr. M. Munsterman en mr. H. Hanssen - Telman, leden, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.