Vreemdelingenrecht

Vovo niet meer nodig. Verweerder wel veroordeeld tot het betalen van de proceskosten van verzoekers.

Rechtbank Den Haag, 18 december 2020

Zaakgegevens

Op 18 december 2020 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
18 december 2020
Datum publicatie
1 november 2021
Zaaknummer
NL20.12489 en NL20.12491
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2020:15214
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vovo niet meer nodig. Verweerder wel veroordeeld tot het betalen van de proceskosten van verzoekers.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht

zaaknummers: NL20.12489 en NL20.12491

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[verzoekster] , mede namens haar minderjarige kinderen, [kind 1] , [kind 2] en [kind 3], verzoekster, en [verzoeker] , verzoeker, tezamen te noemen: verzoekers

V-nummers: [V-nummer 1] ; [V-nummer 2] ; [V-nummer 3] , [V-nummer 4] en [V-nummer 5]

(gemachtigde: mr. L.J. Meijering), en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: K. Bruin).

Procesverloop

Bij besluiten van 10 juni 2020 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van verzoekers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Verzoekers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Zij hebben verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaken NL20.12488 en NL20.12490, plaatsgevonden op 11 december 2020. Verzoekers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Als tolk is verschenen J.A. Matti. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Verzoekers stellen van Iraakse nationaliteit te zijn.

Bij uitspraak van vandaag, in zaaknummers NL20.12488 en NL20.12490, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op de beroepen. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om die reden af.

Gelet op de uitkomst van de bodemzaak veroordeelt de voorzieningenrechter verweerder wel in de door verzoekers gemaakte proceskosten. De voorzieningenrechter is van oordeel dat sprake is van samenhangende zaken zoals bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Voor de vaststelling van de proceskostenveroordeling

worden op grond van dit artikel samenhangende zaken beschouwd als één zaak. De kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 525,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 525,- en een

wegingsfactor 1). Omdat aan verzoekers een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af;

  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 525,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Karman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C. ten Klooster, griffier.

De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:

18 december 2020

en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op www.rechtspraak.nl

[afbeelding niet beschikbaar]

Documentcode: [documentcode]

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.