Vreemdelingenrecht
Niet is in geschil dat verzoeker belang erbij heeft de beslissing op zijn bezwaar in Nederland af te wachten…
Rechtbank Den Haag, 25 september 2024
ECLI:NL:RBDHA:2024:18319 · Rechtbank Den Haag · 25 september 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbdha-2024-18319
Zaakgegevens
Op 25 september 2024 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 25 september 2024
- Datum publicatie
- 8 november 2024
- Zaaknummer
- NL23.16874
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2024:18319
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Niet is in geschil dat verzoeker belang erbij heeft de beslissing op zijn bezwaar in Nederland af te wachten. Gelet op de omstandigheid dat de minister nu opnieuw moet beslissen op het bezwaar, ziet de rechtbank aanleiding om het verzoek om voorlopige voorziening ook nu toe te wijzen en uitzetting te verbieden tot vier weken nadat op verzoekers bezwaar is beslist.
Uitspraak
uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.16874
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] , V-nummer: [V-nummer] , verzoeker
(gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk),
en
de Minister van Asiel en Migratie (voorheen Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid),
(gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovacs).
Procesverloop
Bij besluit van 25 november 2022 heeft de minister de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken’, afgewezen. Daarnaast heeft de minister een inreisverbod voor de duur van twee jaren opgelegd.
Verzoeker heeft tegen het besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De minister heeft bij brief van 5 januari 2023 meegedeeld zich niet tegen toewijzing van het verzoek te verzetten.
Deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, heeft bij uitspraak van 24 januari 2023 het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen.
Bij bestreden besluit van 8 juni 2023 op het bezwaar van verzoeker is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
1. De rechtbank zal de gevraagde voorziening toewijzen en overweegt daartoe het volgende.
2. Bij uitspraak van 11 juli 2024 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Het bestreden besluit is vernietigd en de minister is
opgedragen om binnen twaalf weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van de uitspraak.
4. Verzoeker mag de beslissing op zijn bezwaar niet in Nederland afwachten. Daarmee is naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang bij het treffen van een voorziening gegeven.
5. De minister heeft zich eerder niet verzet tegen toewijzing van de in de bezwaarfase verzochte voorlopige voorziening. Daarom is niet in geschil dat verzoeker er een belang bij had een beslissing op zijn bezwaar in Nederland af te wachten. Gelet op de omstandigheid dat de minister nu opnieuw moet beslissen op het bezwaar, ziet de rechtbank aanleiding om het verzoek om voorlopige voorziening ook nu toe te wijzen en uitzetting te verbieden tot vier weken nadat op verzoekers bezwaar is beslist.
6. De voorzieningenrechter veroordeelt de minister in de door verzoeker gemaakt proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het besluit proceskosten bestuursrecht voor een voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 875,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De voorzieningenrechter:
-
wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;
-
veroordeelt de minister tot betaling van € 875,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Janssens-Kleijn, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
25 september 2024
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.