Overwegingen
1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1998.
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat; en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist zijn en voldoende zijn toegelicht in de maatregel van bewaring. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen, zodat een risico op onttrekking reeds daarmee is gegeven.
4. Eiser voert aan dat er in zijn geval geen zicht op uitzetting naar Marokko is. De minister heeft al op 24 april 2024 een laissez passer (lp) aanvraag ingediend, maar heeft hier nog geen reactie op gehad van de Marokkaanse autoriteiten. Eiser is ook nog niet gepresenteerd aan de Marokkaanse autoriteiten, terwijl dit wel een voorwaarde is voor het verstrekken van een lp.
5. De rechtbank oordeelt dat er in eiser geval voldoende zicht op uitzetting naar Marokko is. De rechtbank stelt voorop dat in zijn algemeenheid kan worden uitgegaan van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko.1 Niet is gebleken dat de Marokkaanse autoriteiten te kennen hebben gegeven dat voor eiser geen lp zal worden afgegeven. Het enkele tijdsverloop sinds de verzending van de aanvraag om een lp op 24 april 2025 is onvoldoende voor de conclusie dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn in het individuele geval van eiser ontbreekt. Daarnaast betrekt de rechtbank in haar oordeel dat eiser een verplichting heeft om actief en volledig met de werken aan zijn uitzetting. Niet is gebleken dat eiser aan deze verplichting voldoende invulling geeft. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toets
6. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing de rechtbank tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek evenmin op andere gronden onrechtmatig is.
1. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 27 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:219 en 14 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3269.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.