Vreemdelingenrecht

Verzoeken om een voorlopige voorziening bij beroep afgewezen. Proceskostenveroordeling.

Rechtbank Den Haag, 3 juni 2026

Zaakgegevens

Op 3 juni 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Middelburg
Datum uitspraak
3 juni 2026
Datum publicatie
5 juni 2026
Zaaknummer
AWB 26 2059 en 26 2060
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:15101
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verzoeken om een voorlopige voorziening bij beroep afgewezen. Proceskostenveroordeling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 26/2059 en AWB 26/2060

uitspraak van de voorzieningenrechter op de verzoeken om een voorlopige voorziening in de zaken tussen

[verzoeker 1] , verzoeker 1, V-nummer: [V-nummer 1] , en

[verzoeker 2] , verzoeker 2, V-nummer: [V-nummer 2]

hierna gezamenlijk te noemen: verzoekers

(gemachtigde: mr. P.J. Schüller),

en

de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigden: mr. J.V. de Kort en mr. S.J. Maertzdorf).

Inleiding

In twee afzonderlijke besluiten van 19 december 2024 (de bestreden besluiten) heeft verweerder tegen verzoekers terugkeerbesluiten en inreisverboden voor de duur van twintig jaren uitgevaardigd, en heeft verweerder verzoekers gesignaleerd in het Schengeninformatiesysteem (SIS).

Verzoekers hebben beroep (AWB 26/1482 en AWB 26/1480) ingesteld tegen de bestreden besluiten. Zij hebben verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. In de uitspraak van de meervoudige kamer van vandaag in de zaken met nummers AWB 26/1482 en AWB 26/1480 heeft de rechtbank beslist op de beroepen waarop deze verzoeken om een voorlopige voorziening betrekking hebben. Voorlopige voorzieningen zijn daarom niet meer nodig. Om die reden worden de verzoeken als kennelijk ongegrond afgewezen.

2. Gelet op de uitkomst van de beroepen ziet de voorzieningenrechter aanleiding om verweerder te veroordelen in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 934, bestaande uit een punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld). Hierbij is sprake van twee samenhangende verzoekschriften zoals bedoeld in artikel 3 van het Bpb.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

? wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af;

? veroordeelt verweerder in de door verzoekers gemaakte proceskosten ter hoogte van € 934 (negenhonderdvierendertig euro).

Deze uitspraak is gedaan op 3 juni 2026 door mr. M.L. Weerkamp, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.