uitspraak
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.51278
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser]
, V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. G.P. Dayala),
de Minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: S.F.H. Pols).
Bij besluit van 17 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 27 oktober 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Tihouna. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
1. Eiser stelt van Tunesische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1985.
Grondslag van de bewaring
2. Eiser stelt dat hij op een onjuiste grondslag in bewaring is gesteld. Eiser voert aan dat hij niet op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw in bewaring kan worden gesteld, omdat hij rechtmatig verblijf heeft in Frankrijk. Eiser heeft een kopie van een Frans verblijfsdocument (Titre de Séjour) overgelegd, waaruit volgens hem blijkt dat hij rechtmatig verblijf in Frankrijk heeft tot 12 juni 2028. Omdat hij niet illegaal in de EU verblijft, hij niet kan worden overgedragen aan Duitsland, omdat de Dublinverordening niet op hem van toepassing is.
3. Voor een inbewaringstelling op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw, is slechts vereist dat een concreet aanknopingspunt bestaat om aan te nemen dat de vreemdeling op grond van de Dublinverordening kan worden overgedragen.1 Uit het Eurodac systeem is gebleken dat eiser op 29 oktober 2024 in Duitsland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. De minister heeft vervolgens aan de Duitse autoriteiten verzocht om eiser op grond van artikel 18, eerste lid en onder b van de Dublinverordening, terug te nemen. Op 21 januari 2025 zijn de Duitse autoriteiten met dit verzoek akkoord gegaan. De minister had hierdoor voldoende aanknopingspunten om eiser op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw in bewaring te stellen.
4. De rechtbank is van oordeel dat uit de door eiser overgelegde kopie van een Franse pas met daarop de vermelding ‘Titre de Séjour’, onvoldoende blijkt dat hij (nog steeds) rechtmatig verblijf in Frankrijk heeft. Ook al zou de rechtbank eiser volgen in zijn stelling dat hij rechtmatig verblijf in Frankrijk heeft, dan valt eiser op grond van artikel 12 van de Dublinverordening nog steeds onder het bereik van de Dublinverordening. Eiser is daarom terecht op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw 2000 in bewaring gesteld.2 De beroepsgrond slaagt niet.
Bewaringsgronden
5. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
6. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden niet heeft betwist. De rechtbank oordeelt ambtshalve dat deze gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn en tezamen voldoende zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.
Toestemming Openbaar Ministerie
7. Eiser stelt dat ten onrechte geen toestemming aan het Openbaar Ministerie (OM) is gevraagd voor de uitzetting van eiser. Dat is wel vereist, omdat eiser nog een hoger beroep heeft lopen tegen een strafzaak.
8. Uit vaste rechtspraak volgt dat het ontbreken van bezwaar van het OM een voorwaarde is voor de uitzetting of overdracht van de vreemdeling en niet voor het opleggen van de maatregel van bewaring.3 De minister dient bij het bekend zijn met een overdrachtsdatum contact te zoeken met het OM.4 Uit het dossier blijkt dat de minister op 20 oktober 2025 toestemming heeft gevraagd aan het OM en dat, indien de zaaksofficier bezwaar heeft tegen de uitzetting, dit binnen 3 werkdagen na verzenddatum aan te geven. Indien het OM geen bezwaar heeft tegen de uitzetting, is een reactie niet nodig is. Het OM heeft niet gereageerd. De beroepsgrond slaagt niet.