Vreemdelingenrecht
Verzoek om voorlopige voorziening voldoet niet aan connexiteitsvereiste. Er is geen samenhang (meer) met een…
Rechtbank Den Haag, 8 juni 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:15591 · Rechtbank Den Haag · 8 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbdha-2026-15591
Zaakgegevens
Op 8 juni 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Datum uitspraak
- 8 juni 2026
- Datum publicatie
- 10 juni 2026
- Zaaknummer
- NL25.12876
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:15591
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verzoek om voorlopige voorziening voldoet niet aan connexiteitsvereiste. Er is geen samenhang (meer) met een bezwaar of beroepsprocedure. Verzoek dus niet-ontvankelijk.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.12876
uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 juni 2026 in de zaak tussen
[verzoekster], v-nummer: [nummer], verzoekster
(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Inleiding
1. Bij besluit van 18 februari 2025 heeft de minister de ambtshalve beoordeling om toepassing van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Daarover gaat deze uitspraak.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen inzake een bestreden besluit indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3. Gelet op bovengenoemd artikel moet er sprake zijn van een bezwaar of een beroep tegen een besluit, voordat een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening inhoudelijk kan worden behandeld. Dit is het zogenaamde connexiteitsvereiste.
4. De voorzieningenrechter stelt vast dat het verzoek is ingediend naar aanleiding van het besluit van 18 februari 2025. Verzoekster verzoekt om een voorlopige voorziening die ertoe strekt dat zij haar bezwaar in Nederland mag afwachten. Bij besluit van 21 april 2026 heeft de minister beslist op het bezwaarschrift. Vervolgens heeft de rechtbank aan verzoekster gevraagd of zij beroep instelt tegen het besluit van 21 april 2026. De gemachtigde van verzoekster heeft aangegeven dat zij geen beroep instelt. Dit betekent dat het verzoek niet langer connex is aan een bezwaar- of beroepsprocedure zodat het verzoek niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
Conclusie en gevolgen
5. Het verzoek is kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hollebrandse, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.G.C. Lelifeld, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.