Vreemdelingenrecht
Aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel ‘arbeid als zelfstandige’…
Rechtbank Den Haag, 21 juli 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:20548 · Rechtbank Den Haag · 21 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbdha-2026-20548
Zaakgegevens
Op 21 juli 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 21 juli 2026
- Datum publicatie
- 23 juli 2026
- Zaaknummer
- NL26.29799
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:20548
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel ‘arbeid als zelfstandige’. Voorlopige voorziening ingediend. Het verzoek strekt ertoe dat verzoeker niet uit Nederland mag worden verwijderd tot vier weken na de beslissing op het beroep en de minister op te dragen aan verzoeker een verblijfssticker af te geven waaruit blijkt dat hij hangende de beroepsprocedure arbeid als zelfstandige mag verrichten zonder dat hiervoor een tewerkstellingsvergunning nodig is. De rechtbank wijst het verzoek toe.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.29799
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] , verzoeker
(gemachtigde: mr. N. Vreede),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
Bij besluit van 24 juli 2025 (het primaire besluit) heeft de minister de aanvraag van aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel ‘arbeid als
zelfstandige’ afgewezen. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
De minister heeft met het besluit van 1 mei 2026 (het bestreden besluit) het bezwaar van verzoeker tegen het primaire besluit kennelijk ongegrond verklaard. Verzoeker heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Het verzoek strekt ertoe dat verzoeker niet uit Nederland mag worden verwijderd tot vier weken na de beslissing op het beroep en de minister op te dragen aan verzoeker een verblijfssticker af te geven waaruit blijkt dat hij hangende de beroepsprocedure arbeid als zelfstandige mag verrichten zonder dat hiervoor een tewerkstellingsvergunning nodig is.
Op 26 juni 2026 heeft de voorzieningenrechter de minister verzocht uiterlijk 3 juli 2026 op dit verzoek te reageren. De minister heeft geen reactie gegeven.
De voorzieningenrechter doet op grond van 8:83, derde lid, van de Awb uitspraak zonder zitting.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
1. Op grond van artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Bij de daarvoor vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.
2. Verzoeker stelt dat hij een zwaarwegend en spoedeisend belang heeft bij toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening. Verzoeker is uitzetbaar en hij kan geen verblijfssticker in zijn paspoort krijgen waaruit zijn rechtmatig verblijf blijkt. Dit laatste is voor hem van belang, omdat het goed mogelijk is dat hij hangende de
beroepsprocedure voor zijn onderneming en de continuïteit hiervan moet reizen. Hiervoor heeft hij als Turks onderdaan een terugkeervisum nodig. Dit terugkeervisum kan hij niet krijgen als hij geen rechtmatig verblijf heeft. Daarnaast moet verzoeker zijn onderneming kunnen blijven voortzetten.
3. Omdat de minister desgevraagd zijn belangen niet kenbaar heeft gemaakt, valt de belangenafweging uit in het voordeel van verzoeker. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom toe.
4. Omdat het verzoek wordt toegewezen, veroordeelt de voorzieningenrechter de minister in de door verzoeker gemaakte griffie- en proceskosten. De proceskosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
- bepaalt dat verzoeker niet uit Nederland mag worden verwijderd tot vier weken na de beslissing op het beroep en draagt de minister op aan verzoeker een verblijfssticker af te geven waaruit blijkt dat hij hangende de beroepsprocedure arbeid als zelfstandige mag verrichten zonder dat hiervoor een tewerkstellingsvergunning nodig is;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 200,- aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L. Kooring, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.