Vreemdelingenrecht
Dublin vovo toegewezen. De voorzieningenrechter begrijpt, zoals de minister ter zitting ook heeft gesteld…
Rechtbank Den Haag, 27 februari 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:3963 · Rechtbank Den Haag · 27 februari 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbdha-2026-3963
Zaakgegevens
Op 27 februari 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Groningen
- Datum uitspraak
- 27 februari 2026
- Datum publicatie
- 27 februari 2026
- Zaaknummer
- NL26.7090
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:3963
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Dublin vovo toegewezen. De voorzieningenrechter begrijpt, zoals de minister ter zitting ook heeft gesteld, dat met het nader onderzoek en het nemen van een nieuw dan wel aanvullend besluit enige tijd gemoeid is en ziet daarom, gelet op de naderende uiterste overdrachtsdatum, aanleiding om de voorlopige voorziening te treffen.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.7090
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 februari 2026 in de zaak tussen
[naam], verzoeker,
V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. M.R. van der Pol),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. I. van Es).
Inleiding
1. Bij besluit van 6 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek, gelijktijdig met het beroep, op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Ook was er een tolk aanwezig.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe en bepaalt dat het bestreden besluit wordt geschorst en verzoeker niet mag worden overgedragen aan Spanje totdat op het beroep is beslist.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid van de Awb, kan
de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist.
3. De asielaanvraag van verzoeker is niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw, omdat Spanje daarvoor verantwoordelijk is als bedoeld in de Dublinverordening. Deze verordening stelt een termijn waarbinnen in een geval als dit de aanvrager dient te worden overgedragen aan de ontvangende lidstaat. In deze zaak is de uiterste overdrachtsdatum 5 maart 2026.
4. Gelet op de door verzoeker overgelegde stukken, die op 13 februari 2026 zijn ingediend naar aanleiding van de door de minister op 12 januari 2026 gestelde vragen, dient nader onderzoek plaats te vinden naar vraag 4 van IB 2021/33, betreffende de rol van verzoeker als verzorgende ouder en de afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en zijn dochter. De voorzieningenrechter begrijpt, zoals de minister ter zitting ook heeft gesteld, dat met het nader onderzoek en het nemen van een nieuw dan wel aanvullend besluit enige tijd gemoeid is en ziet daarom, gelet op de naderende uiterste overdrachtsdatum, aanleiding om de voorlopige voorziening te treffen.
5. De voorzieningenrechter wijst om die reden het verzoek om voorlopige voorziening toe, schorst het bestreden besluit en bepaalt dat verzoeker niet mag worden overgedragen aan Spanje totdat op het beroep tegen het bestreden besluit is beslist.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2026 door mr. M. Munsterman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt en door middel van gepseudonimiseerde publicatie openbaar gemaakt op rechtspraak.nl op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.