Arbeidsrecht

Loondoorbetalingsvordering in kort geding.

Rechtbank Den Haag, 19 juni 2026

Zaakgegevens

Op 19 juni 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over arbeidsrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
19 juni 2026
Datum publicatie
7 juli 2026
Zaaknummer
12232416
Rechtsgebied
Civiel recht Arbeidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:18661
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Loondoorbetalingsvordering in kort geding.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Zittingsplaats 's-Gravenhage

MS/b

Zaaknummer: 12232416 RL EXPL 26-10140

19 juni 2026

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding

in de procedure tussen:

de heer [eiser],

wonende te [woonplaats],

eisende partij,
gemachtigde: mr. I. Atay,

tegen

1 de heer [gedaagde 1], handelend onder de naam [handelsnaam 1],

wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde 2] B.V., t.h.o.d.n. [handelsnaam 2],

gevestigd te [vestigingsplaats],

gedaagde partij,

gedaagde sub 1. procederend in persoon, gedaagde sub 2. procederend bij (haar bestuurder)

gedaagde sub 1.

Partijen worden hierna aangeduid als [eiser] en [gedaagden] en deze laatste ook afzonderlijk als [gedaagde 1] en [gedaagde 2].

1 Procedure

1.1

De kantonrechter heeft kennisgenomen van de dagvaardingen van 2 juni 2026 met producties. De mondelinge behandeling is vandaag gehouden. [eiser] is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. I. Atay en door M. Budak, tolk in de Turkse taal. [gedaagde 1] is voor zichzelf verschenen en voor [gedaagde 2] en heeft mondeling geantwoord. De griffier heeft afzonderlijk aantekening gehouden van de mondelinge behandeling.

1.2

De kantonrechter heeft bij de mondelinge behandeling onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.

2 Beoordeling

2.1.

Vast staat dat [eiser] op [datum] 2022 in loondienst is getreden van [gedaagde 1], in de functie van medewerker bediening in de (streetfood)winkel van [gedaagde 1]. Daarna is (ook) [gedaagde 2] als werkgever van [eiser] gaan optreden en loon gaan betalen.

2.2.

[eiser] heeft gevorderd, zakelijk weergegeven, dat [gedaagden] hoofdelijk wordt veroordeeld (achterstallig) loon aan [eiser] te betalen, met nevenvorderingen. [eiser] heeft aangevoerd in loondienst van [gedaagden] te zijn en geen loon meer te hebben ontvangen.

2.3.

Bij de mondelinge behandeling heeft [gedaagden] aangevoerd dat, omdat de winkel waarin [eiser] werkte stopte, [gedaagden] heeft geprobeerd een uitkering voor [eiser] te regelen. [gedaagde 1] hebben [eiser] daartoe een brief verstrekt met daarin een onjuiste, maar voor [eiser] gunstige ingangsdatum van zijn dienstverband. [gedaagden] heeft [eiser] aangeraden met die brief een werkloosheidsuitkering aan te vragen bij het UWV. Van een ontslag met wederzijds goedvinden of een ontslag na een verkregen ontslagvergunning voor [gedaagden] is geen sprake geweest. Met een andere werknemer is het volgens [gedaagden] wel gelukt om het dienstverband op die manier te beëindigen.

spoedeisendheid

2.4.

De kantonrechter acht de vordering naar zijn aard spoedeisend.

loon

2.5.

Uit wat [gedaagden] heeft aangevoerd volgt dat aan de arbeidsovereenkomst geen rechtsgeldig einde is gekomen en dat de loonbetalingsverplichting van [gedaagde 1] dus doorloopt. [eiser] is niet verplicht in te stemmen met een regeling zoals [gedaagden] die heeft voorgesteld. Wat [eiser] aan (achterstallig) loon heeft gevorderd is dan ook toewijsbaar.

wettelijke verhoging

2.6.

Omdat loonbetaling is uitgebleven is over de onbetaald gebleven loonbedragen de

wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW verschuldigd. De kantonrechter matigt die verhoging tot 10%, mede omdat de winkel inmiddels is gesloten.

wettelijke rente

2.7.

De wettelijke rente is als onweersproken en op de wet gegrond toewijsbaar.

loonspecificaties

2.8.

[gedaagden] heeft niet weersproken dat geen deugdelijke loonspecificaties aan [eiser]

zijn verstrekt. Het verstrekken van zulke specificaties is wettelijk verplicht. De vordering die specificaties te verstrekken is dan ook toewijsbaar. De meegevorderde dwangsom wordt gesteld op € 50,00 voor elke dag of gedeelte daarvan dat [gedaagden] niet aan de veroordeling voldoet, met een maximum van € 5.000,00.

buitengerechtelijke incassokosten met rente

2.9.

De buitengerechtelijke kosten van € 584,93 zijn toewijsbaar, omdat voldoende

buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht en het bedrag overeenstemt met het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten is toewijsbaar vanaf de dagvaarding(en) van 2 juni 2026 totdat alles is betaald.

2.10.

Wat meer of anders is gevorderd wordt afgewezen.

2.11 .

. Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij wordt [gedaagden] veroordeeld in de

proceskosten. Die proceskosten worden aan de kant van [eiser] vastgesteld op ((€ 156,74 +

€ 156,74=) € 313,48 explootkosten + € 265,00 griffierecht, € 543,00 salaris gemachtigde +

€ 144,00 nakosten =) € 1.265,48, met wettelijke rente.

3 Beslissing in kort geding

De kantonrechter:

3.1.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om binnen zeven dagen na dit vonnis tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen:

I. het achterstallige loon over de maanden april en mei 2026 van € 2.299,66 netto per

maand;

II. het loon van € 2.299,66 netto per maand vanaf juni 2026 en voor iedere

daaropvolgende maand zolang de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is geëindigd;

III. de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW van 10% over het loon over de

maanden april, mei en juni 2026;

IV. de wettelijke rente over wat hiervoor onder 1., II. en III. is toegewezen, voor wat betreft de bedragen die opeisbaar waren op het tijdstip van dagvaarding vanaf 2 juni 2026, en voor wat betreft de bedragen die nadien opeisbaar zijn geworden vanaf het tijdstip van opeisbaarheid, één en ander tot de dag van volledige betaling;

3.2.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan [eiser] binnen veertien dagen na dit vonnis

deugdelijke loonspecificaties vanaf de datum van indiensttreding te verstrekken, op

straffe van een dwangsom van € 50,00 per dag of gedeelte daarvan dat [gedaagden]

nalaat aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 5.000,00 per dag;

3.3.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om binnen zeven dagen na dit vonnis tegen

behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen de buitengerechtelijke kosten van

€ 584,93, met de wettelijke rente over de dit bedrag vanaf 2 juni 2026 tot de dag van

volledige betaling;

3.4.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten, aan de kant van [eiser]

vastgesteld op € 1.265,48, met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf veertien

dagen na dit vonnis tot de dag van de voldoening;

3.5.

verklaart de veroordelingen onder 3.1. tot en met 3.4. uitvoerbaar bij voorraad;

3.6.

wijst af wat meer of anders is gevorderd.

Deze mondelinge uitspraak is gedaan op 19 juni 2026 door kantonrechter mr. A.J. Japenga en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

Waarvan proces-verbaal,

de griffier, de kantonrechter,

De termijn voor het instellen van hoger beroep vangt aan op de dag van de mondelinge uitspraak.