Civiel recht overig
Betekening Nieuw Zeeland, toepasselijk verdrag.
Rechtbank Den Haag, 18 september 2019
ECLI:NL:RBDHA:2019:9877 · Rechtbank Den Haag · 18 september 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/civiel-recht/civiel-recht-overig/bodemzaak/ecli-nl-rbdha-2019-9877
Zaakgegevens
Op 18 september 2019 heeft de Rechtbank Den Haag in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Gravenhage
- Datum uitspraak
- 18 september 2019
- Datum publicatie
- 19 september 2019
- Zaaknummer
- C/09/576986 / HA ZA 19-750
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- BodemzaakBodemzaakDe gewone procedure waarin de rechter definitief over het geschil beslist, in tegenstelling tot een kort geding of voorlopige voorziening.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2019:9877
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Betekening Nieuw Zeeland, toepasselijk verdrag.
Uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]rolbeslissing
RECHTBANK DEN HAAG
Team handel
zaaknummer / rolnummer: C/09/576986 / HA ZA 19-750
Rolbeslissing van 18 september 2019
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
eiser,
advocaat mr. K.N. Holtrop te Lelystad,
tegen
1 [gedaagde 1] te [plaats 1] ,
gedaagde,
niet verschenen,
2. [gedaagde 2] te [plaats 2] ,
gedaagde,
niet verschenen,
3. [gedaagde 3] te [plaats 2] ,
gedaagde,
niet verschenen,
4. [gedaagde 4] te [plaats 3] ,
gedaagde,
niet verschenen,
5. [gedaagde 5] te [plaats 4] , Nieuw Zeeland
gedaagde,
niet verschenen,
6. [gedaagde 6] te [plaats 5] ,
gedaagde,
advocaat mr. M.H.C. Morshuis te Den Haag.
1 Overwegingen
Bij rolbeslissing van 24 juli 2019 is eiser in de gelegenheid gesteld documenten over te leggen waaruit volgt dat de dagvaarding overeenkomstig de voorschriften uit het Verdrag tussen Nederland en Groot-Brittannië, houdende bepalingen tot het vergemakkelijken van het voeren van rechtsgedingen in burgerlijke en handelszaken (Londen, 31 mei 1932) (hierna: het Verdrag) ter kennis is gebracht, dan wel gedaagde overeenkomstig de in het Verdrag bepaalde wijze opnieuw op te roepen.
Bij brief van 22 augustus 2019 heeft eiser zich – kort samengevat – op het standpunt gesteld dat in de verhouding tot Nieuw-Zeeland geen verdragen met betrekking tot de internationale betekening van stukken (meer) gelden en dat betekening dient plaats te vinden overeenkomstig het bepaalde in artikel 55 Rv, zoals ook is gebeurd. Dit standpunt is onjuist. Het Verdrag is ondanks het bestaan van nieuwere verdragen met betrekking tot de internationale betekening van stukken (waarbij Nieuw-Zeeland geen partij is) en de onafhankelijkheid van Nieuw-Zeeland nog steeds van toepassing (zie ook www.treaties.mfat.govt.nz). De dagvaarding had dan ook overeenkomstig de voorschriften van het Verdrag aan gedaagde 5 moeten worden medegedeeld. Juist is dat, zoals eiser eveneens in zijn brief betoogt, die mededeling op grond van het bepaalde in artikel 4 sub a onder 4 van het Verdrag ook kan plaatsvinden door toezending per gewone post. Of die wijze van mededeling geldig is en wat de gevolgen daarvan zijn dient overeenkomstig sub b van vernoemd artikel te worden beoordeeld naar het recht van de verdragsluitende partijen.
Eiser heeft de dagvaarding per aangetekende post aan gedaagde 5 toegezonden. Niet is gebleken dat het recht van Nieuw Zeeland zich tegen deze wijze van mededeling verzet of daar anderszins gevolgen aan verbindt. Uit de overgelegde Track & Trace informatie kan worden afgeleid dat de dagvaarding op 30 april 2019, dus ruim voor de eerste roldatum, is afgegeven op het in de dagvaarding vermelde adres van gedaagde 5. De rechtbank is van oordeel dat gedaagde 5 aldus voldoende gelegenheid heeft gehad om verweer te voeren. Nu hij desondanks niet in de procedure is verschenen, zal tegen hem verstek worden verleend.
2 De beslissing
De rechtbank
verleent verstek tegen gedaagde 5,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beslissing is gegeven door mr. L. Alwin en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2019.