Civiel recht overig

Mediationclausule in de certificaathoudersovereenkomst. In dit geval is de kantonrechter van oordeel dat de…

Rechtbank Oost-Brabant, 8 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 8 oktober 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
8 oktober 2026
Datum publicatie
19 oktober 2026
Zaaknummer
12054907 \ CV EXPL 26-341
Procedure
Bodemzaak
ECLI
ECLI:NL:RBOBR:2026:7410
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Mediationclausule in de certificaathoudersovereenkomst. In dit geval is de kantonrechter van oordeel dat de tussen partijen overeengekomen mediationclausule in de certificaathoudersovereenkomst een verplichtend karakter heeft. Dat houdt in dat partijen uit hoofde van die clausule de verplichting hebben om éérst mediation te beproeven voordat een gerechtelijke procedure gestart wordt. Dat mediation zinloos zou zijn is niet gebleken. De procedure wordt daarom aangehouden.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Zaaknummer: 12054907 \ CV EXPL 26-341

Vonnis van 8 oktober 2026

in de zaak van

1 NATEC SUNERGY B.V.,

te Rotterdam,
2. NATEC ENERGY B.V.,

te 's-Hertogenbosch,

eisende partijen in de hoofdzaak,

verwerende partijen in het incident

hierna samen te noemen: Natec c.s.,

gemachtigde: mr. L. Holterhues,

tegen

[gedaagde] ,

te [plaats ] ,

gedaagde partij in de hoofdzaak,

eisende partij in het incident

hierna te noemen: [gedaagde] ,

gemachtigde: mr. J.H. Niersman.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 25 december 2025 met producties;

- de akte overlegging aanvullende producties tevens houdende akte vermeerdering van eis;
- de conclusie van antwoord tevens incidentele vordering met producties;

- de conclusie van antwoord in het incident.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 Het geschil in de hoofdzaak

2.1.

In de hoofdzaak is, samengevat en alleen voor zover van belang voor de beoordeling van het incident, het volgende aan de hand.

2.2.

Natec c.s. verwijten [gedaagde] dat hij het concurrentiebeding zoals opgenomen in de arbeidsovereenkomst (met Natec Sunergy B.V.) en de certificaathoudersovereenkomst (met Natec Energy B.V.) heeft overtreden. In dat kader maken Natec c.s. aanspraak op betaling van verbeurde contractuele boetes, vermeerderd met rente en kosten.

3 De vordering in het incident

3.1.

[gedaagde] vordert in het incident dat de kantonrechter de behandeling van de hoofdzaak aanhoudt op grond van artikel 209 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). [gedaagde] legt hieraan – samengevat – ten grondslag dat in de certificaathoudersovereenkomst een bindende mediationclausule is opgenomen, inhoudende dat partijen ( [gedaagde] en Natec Energy B.v.) eerst mediation dienen te beproeven alvorens zij het geschil voorleggen aan de rechtbank. Partijen hebben daaraan nog geen uitvoering gegeven. De kantonrechter dient de behandeling van de zaak daarom – voor zover het de gestelde overtreding van het concurrentiebeding uit de certificaathoudersovereenkomst betreft – aan te houden, totdat partijen alsnog mediation hebben beproefd.

3.2.

Natec c.s. voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vordering in het incident. Volgens Natec c.s. is de mediationclausule niet afdwingbaar. Zelfs als de mediationclausule afdwingbaar zou zijn, geldt dat mediation zinloos zou zijn en enkel tot vertraging van deze procedure leidt. Bovendien is het onwenselijk als de zaak gedeeltelijk wordt aangehouden.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling in het incident

4.1.

De kantonrechter moet beoordelen of de mediationclausule uit de certificaathoudersovereenkomst een verplichtend karakter heeft en zo ja, of partijen uit hoofde van die clausule de verplichting hebben om éérst mediation te beproeven teneinde onderhavige procedure (eventueel) daarna voort te zetten.

4.2.

De kantonrechter stelt bij de beoordeling het volgende voorop. De inhoud van een mediationclausule dient te worden vastgesteld door uitleg aan de hand van de Haviltex-maatstaf. Daarbij komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de mediationclausule mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Een dergelijke uitleg kan leiden tot de uitkomst dat een mediationclausule ofwel een niet-verplichtend ofwel een verplichtend karakter heeft, afhankelijk van de specifieke formulering ervan en de context. Ook is mogelijk dat een mediationclausule partijen verplicht mediation te beproeven voordat zij in rechte (of in arbitrage) een procedure aanhangig maken. Als een mediationclausule ertoe verplicht om mediation te beproeven, is ook de reikwijdte van die plicht (en daarmee de vraag wanneer een partij die dat wenst haar medewerking aan het mediationtraject mag beëindigen) een kwestie van uitleg van de clausule. Als een mediationclausule inhoudt dat partijen verplicht zijn mediation te beproeven voordat zij in rechte een procedure aanhangig maken en een partij een procedure aanhangig maakt zonder die verplichting te zijn nagekomen, kan de rechter op verzoek van de andere partij de behandeling van de zaak aanhouden om partijen de gelegenheid te geven hun verplichtingen uit hoofde van de mediationclausule alsnog na te komen. De rechter is daartoe evenwel niet verplicht.

De mediationclausule heeft een verplichtend karakter

4.3.

Naar het oordeel van de kantonrechter moesten Natec c.s. de mediationclausule aldus begrijpen dat daarin een bindende verplichting tot mediation besloten lag. De bepaling vermeldt in het tweede lid “in geval van geschillen (…) zullen partijen trachten deze in eerste instantie op te lossen met behulp van Mediation”. In het derde lid staat dat in het geval “onmogelijk gebleken is een geschil als hiervoor bedoeld op te lossen met behulp van Mediation” het geschil zal worden voorgelegd aan de rechtbank te ’s-Hertogenbosch (in het geval het niet een geschil betreft over de waardering van de vennootschap of de certificaten, welk geval zich hier niet voordoet). Gelet op deze formulering is de kantonrechter van oordeel dat partijen éérst mediation moesten beproeven, voordat zij in rechte een procedure aanhangig zouden maken. Dit is in ieder geval de betekenis die partijen aan de bepaling mochten/hadden moeten toekennen. Daarbij weegt de kantonrechter in haar oordeel ook mee dat [gedaagde] onweersproken heeft gesteld dat de certificaathoudersovereenkomst – en daaronder begrepen de mediationclausule – eenzijdig door Natec c.s. is opgesteld. Natec c.s. zijn professionele partijen, zodat het alsdan van hen – in het geval zij de bedoeling hadden om geen verbindend karakter aan de mediationclausule te willen verbinden – daaromtrent een voorbehoud te maken. Maar niet is gesteld en ook is niet gebleken dat Natec c.s. dat hebben gedaan. De mediationclausule vermeldt in het geheel niets wanneer partijen bevrijd zijn van de verplichting om eerst mediation te beproeven. Daarbij doet het niet af dat het gaat om een inspanningsverplichting en geen resultaatsverplichting – zoals Natec c.s. hebben aangevoerd – omdat ook bij een inspanningsverplichting van partijen mag worden verwacht dat zij zich inspannen voor (in dit geval) mediation. Dat die inspanningen achteraf dan mogelijk ten spijt zijn genomen, maakt niet dat er op voorhand dan geen verplichting meer geldt. De rechtbank neemt ook in overweging dat de bedoeling van partijen bij de certificaathoudersovereenkomst was dat [gedaagde] door certificaathouder te worden zou participeren in het bedrijf, waarmee partijen een langdurige zakelijke relatie beoogden. Ook dit is een aanwijzing dat partijen een verplichtend karakter van de mediationclausule hebben beoogd en zo onnodige escalatie van conflicten hebben willen vermijden.

4.4.

Het voorgaande heeft tot gevolg dat de mediationclausule uit de certificaathoudersovereenkomst een verplichtend karakter heeft, zodat op partijen de verplichting rust – alvorens de ander in rechte te betrekken – om mediation te beproeven. De vraag is dan vervolgens of partijen – meer in het bijzonder Natec c.s. (omdat zij deze procedure zijn begonnen) – alsnog in de gelegenheid dienen te worden gesteld die verplichting na te komen en in dat kader de procedure wordt aangehouden.

Partijen moeten de mediationclausule nakomen

4.5.

Zoals hiervoor overwogen, moesten Natec c.s. eerst mediation beproeven voordat zij in rechte een procedure aanhangig maakten. Dat brengt echter nog niet per definitie met zich mee dat daardoor onderhavige procedure dient te worden aangehouden (zoals verzocht door [gedaagde] ). De kantonrechter kan beslissen dat de behandeling van de zaak niet wordt aangehouden, bijvoorbeeld omdat de zaak daarvoor te spoedeisend is of omdat het zinloos is om mediation te beproeven. De kantonrechter is in deze zaak evenwel van oordeel dat partijen eerst de verplichting uit de mediationclausule dienen na te komen. Daartoe is het volgende redengevend.

4.6.

[gedaagde] heeft gemotiveerd toegelicht waarom hij belang heeft bij mediation en dat verkiest boven een gerechtelijke procedure. In een mediationtraject kunnen partijen op een vertrouwelijke en laagdrempelige wijze een dialoog voeren, waarbij de kosten (voor een gerechtelijke procedure) voor hem (als particulier) nog beperkt blijven. Bovendien is het risico op reputatieschade in geval van mediation beperkter vanwege het vertrouwelijke karakter daarvan. [gedaagde] heeft aangevoerd dat hij in de branche al reputatieschade lijdt, doordat Natec c.s. besloten hebben in openbare, gerechtelijke procedures de contractuele boetes te vorderen op basis van verwijten die door hem betwist worden. Ondanks dat deze verwijten (volgens [gedaagde] ) ongegrond zijn, neemt dat niet weg dat die onomkeerbare schade kunnen toebrengen aan de positie van [gedaagde] in de branche. Daar hebben Natec c.s. tegen ingebracht dat mediation zinloos is omdat dat de standpunten van partijen mijlenver uit elkaar liggen en de verhoudingen verstoord zijn, zij geen vertrouwen hebben in [gedaagde] als betrouwbare gesprekspartner gelet op de aard en de ernst van de verweten gedragingen, ook [gedaagde] zelf niet kan geloven dat mediation (nog) een reële mogelijkheid is, het opwerpen van de mediationclausule uitsluitend een vertragingstechniek is en dat [gedaagde] niet eerder een beroep heeft gedaan op deze clausule.

4.7.

De kantonrechter volgt Natec c.s. daarin niet. Het feit dat de standpunten van partijen mijlenver uit elkaar liggen, brengt nog niet met zich mee dat daardoor mediation zinloos is. Met die stelling miskennen Natec c.s. immers dat mediation juist bedoeld is om uiteenlopende standpunten van partijen, onder begeleiding van een door een neutrale bemiddelingsdeskundige (de mediator), nader tot elkaar te brengen om zodoende tot een gezamenlijk gedragen oplossing te komen. Vanzelfsprekend is daarbij de bereidheid van partijen van belang – en de kantonrechter begrijpt dat Natec c.s. die bereidheid vanwege het gebrek aan vertrouwen in [gedaagde] niet hebben – maar de kantonrechter is van oordeel dat een partij pas na het daadwerkelijk bijwonen van een eerste mediationzitting zich een voorstelling kan maken van de mogelijkheden van mediation. Met andere woorden: dat een partij met argusogen naar een mediationtraject kijkt, wil op zichzelf nog niet zeggen dat een mediationtraject daardoor zinloos is. Van een partij mag worden verwacht een open en constructieve houding aan te nemen, temeer als die verplichting tot mediation door partijen zelf is ingegeven – zoals in deze zaak aan de orde. Dat het beproeven van mediation vertragend werkt of dat [gedaagde] nimmer eerder een beroep op de mediationclausule heeft gedaan kan wellicht zo zijn, maar legt – gelet op de door [gedaagde] aangevoerde belangen bij mediation – onvoldoende gewicht in de schaal om de nakoming van die verplichting terzijde te schuiven. Bovendien heeft [gedaagde] er daarbij terecht op gewezen dat het entameren van een mediationtraject op de weg ligt van de partij die het voornemen heeft de andere partij in rechte te betrekken. Een partij kan immers geen beroep doen op een mediationclausule, als hij niet weet dat hem een gerechtelijke procedure boven het hoofd hangt. Nu vaststaat dat partijen geen mediation hebben beproefd om te trachten hun geschil op te lossen, staat vast dat zij (nog) niet aan de contractuele verplichting daartoe is voldaan.

Conclusie: de zaak wordt aangehouden

4.8.

Met het voorgaande komt de kantonrechter tot de conclusie dat het geboden is dat partijen de verplichting uit de mediationclausule. De kantonrechter beslist daarom dat de zaak, in afwachting van het mediationtraject, wordt aangehouden. Dat geldt voor de gehele zaak. Hoewel het verzoek tot aanhouding (enkel) strekt ten aanzien van de vordering(en) uit de certificaathoudersovereenkomst, ziet de kantonrechter aanleiding om, vanuit proceseconomische redenen, ook de zaak ten aanzien van de vordering(en) uit de arbeidsovereenkomst aan te houden. Tussen partijen staat immers niet ter discussie dat hetzelfde feitencomplex aan het gestelde overtreden van het concurrentiebeding uit de arbeidsovereenkomst en certificaathoudersovereenkomst ten grondslag ligt en dat de concurrentiebedingen inhoudelijk niet van elkaar verschillen. Om dat debat – en in het bijzonder de beoordeling en beslissing – centraal te houden, is het naar het oordeel van de kantonrechter geboden om de zaak in het geheel aan te houden.

4.9.

De zaak wordt – om wezenlijke vertraging van de procedure te voorkomen – voor vier maanden aangehouden en daartoe verwezen naar de rol van 11 februari 2027. Partijen dienen zich (uiterlijk) op die roldatum uit te laten over de voortgang van de procedure.

Proceskosten in het incident

4.10.

Natec c.s. zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op € 432,00 (€ 288,00 aan salaris gemachtigde (1 punt × € 288,00) en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.

5 De beslissing

De kantonrechter

in het incident

5.1.

wijst de vordering tot aanhouding van de procedure toe,

5.2.

veroordeelt Natec c.s. in de proceskosten van € 432,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Natec c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend.

in de hoofdzaak

5.3.

verwijst de zaak naar de rol van 11 februari 2027,

5.4.

bepaalt dat partijen op de roldatum als bedoeld onder 5.3. zich dienen uit te laten over de voortgang van de procedure als bedoeld in rechtsoverweging 4.9,

5.5.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. Vieira en in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2026.

Vgl. Hoge Raad 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1078, r.o.v. 3.2.2 en 3.2.3. Hoge Raad 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1078, r.o.v. 3.2.3.