Civiel recht overig
In 2007 is de gemeente in ruil voor het intrekken van een bezwaarprocedure met eiser en zijn buurman…
Rechtbank Oost-Brabant, 21 oktober 2026
ECLI:NL:RBOBR:2026:7412 · Rechtbank Oost-Brabant · 21 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-oost-brabant/civiel-recht/civiel-recht-overig/bodemzaak/ecli-nl-rbobr-2026-7412
Zaakgegevens
Op 21 oktober 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank Oost-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 21 oktober 2026
- Datum publicatie
- 19 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/01/421552 / HA ZA 25-715
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- BodemzaakBodemzaakDe gewone procedure waarin de rechter definitief over het geschil beslist, in tegenstelling tot een kort geding of voorlopige voorziening.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. L.H.H. Verhoeven, mr. M.B.J. Thijssen
- ECLI
- ECLI:NL:RBOBR:2026:7412
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
In 2007 is de gemeente in ruil voor het intrekken van een bezwaarprocedure met eiser en zijn buurman overeengekomen dat zij een recht van eerste koop zouden krijgen met betrekking tot een voor hun percelen gelegen groenstrook. In de kern vordert eiser nakoming van die overeenkomst.
De gemeente stelt zich vooral op het standpunt dat zij de groenstrook al in 2010 heeft aangeboden en dat eiser en zijn buurman van dat aanbod toen geen gebruik hebben gemaakt, waardoor het is komen te vervallen.
De rechtbank volgt het standpunt van de gemeente en wijst de vorderingen van eiser af.
Uitspraak
ECHTBANK Oost-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/421552 / HA ZA 25-715
Vonnis van 21 oktober 2026
in de zaak van
[eiser] ,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. L.H.H. Verhoeven,
tegen
GEMEENTE GELDROP-MIERLO,
te Geldrop,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de gemeente,
advocaat: mr. M.B.J. Thijssen.
1 Inleiding en samenvatting
In 2007 is de gemeente in ruil voor het intrekken van een bezwaarprocedure met [eiser] en zijn buurman [A] overeengekomen dat zij een recht van eerste koop zouden krijgen met betrekking tot een voor hun percelen gelegen groenstrook. In de kern vordert [eiser] nakoming van die overeenkomst.
De gemeente stelt zich vooral op het standpunt dat zij de groenstrook al in 2010 heeft aangeboden en dat [eiser] en zijn buurman van dat aanbod toen geen gebruik hebben gemaakt, waardoor het is komen te vervallen.
De rechtbank volgt het standpunt van de gemeente en wijst de vorderingen van [eiser] af.
2 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, met productie 1 tot en met 23
- de conclusie van antwoord, met productie 1 tot en met 3
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de akte eiswijziging van [eiser]
- het B8-formulier van [eiser] met de bijgevoegde productie 3
- de mondelinge behandeling van 7 september 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3 De feiten
[eiser] is (samen met zijn echtgenote) eigenaar van het perceel met de kadastrale aanduidingen: [kadastrale aanduiding 1] en [kadastrale aanduiding 2] . Dat perceel is gelegen aan [adres 1] in [plaats] . Zijn buurman [A] , is (onder andere) eigenaar van het perceel met de kadastrale aanduiding: [kadastrale aanduiding 3] . Dat perceel is gelegen aan de [adres 2] in [plaats] .
De gemeente is eigenaar van het perceel met de kadastrale aanduidingen:
[kadastrale aanduiding 4] , [kadastrale aanduiding 5] en [kadastrale aanduiding 6] . Dat perceel is gelegen aan de [straatnaam] , deels tegenover de percelen van [eiser] en [A] (hierna: ‘het perceel’).
[eiser] en [A] hebben in 2007 beroep ingesteld tegen de vaststelling van het bestemmingsplan [straatnaam] en bezwaar gemaakt tegen de verlening van bouwvergunningen op basis van het bestemmingsplan. De gemeente is naar aanleiding daarvan met [eiser] en [A] en met behulp van de aannemer en de projectontwikkelaar (Planburo Brabant) in overleg getreden om te komen tot een oplossing.
Uit twee e-mails van de gemeente aan Planburo Brabant van 4 september 2007 (productie 3 bij dagvaarding) volgt dat de gemeente zich ambtelijk kon vinden in een oplossing waarbij [eiser] en [A] hun bezwaar in zouden trekken in ruil voor het volgende:
‘ [A] en [eiser] krijgen gedurende maximaal 25 jaar een eerste optie op koop van de strook grond, voorzover eigendom van de gemeente, en direct liggend aan de weg [straatnaam] , die van [A] en [eiser] uit gezien links van de nieuwe ontsluitingsweg ligt. Deze strook heeft in het bestemmingsplan [straatnaam] de bestemming Groendoeleinden. B&W heeft de wijzigingsbevoegdheid om op deze strook de bouw van woningen toe te staan.
Het recht geldt indien en wanneer (if and when) de gemeente besluit deze gronden als bouwkavels voor woningbouw uit te geven.
En tegen dan geldende grondprijs voor de betreffende woningbouwcategorie.’
[eiser] en [A] hebben daarna op 12 september 2007 hun bezwaren ingetrokken.
[eiser] en [A] hebben de gemeente vervolgens bij brief van 20 januari
2008 (productie 5 bij dagvaarding) verzocht om te bevestigen dat zij de volgende afspraken met hen heeft gemaakt, dit 'om misverstanden in de toekomst te voorkomen':
‘Op 11-09-2007 is er een overeenkomst tussen ons en Gemeente Geldrop- Mierlo (samen met Planburo Brabant) waarin wij al onze bezwaren zullen intrekken en geen nieuwe zullen maken en jullie ons gedurende 25 jaar ons het recht verlenen tot 1e koopgerechtigde van de gronden met wijzigingsbevoegdheid, gelegen tegenover onze percelen.
Deze wijzigingsbevoegdheid is nodig om van deze gronden bouwkavels te maken als er geen hinderwet van omliggende bedrijven op deze gronden zouden rusten.’
De gemeente heeft het voorgaande bij brief van 29 januari 2008 bevestigd
(productie 6 bij dagvaarding).
Bij brief van 9 mei 2009 hebben [eiser] en [A] aan het college van burgemeester en wethouders (het college van B&W) van de gemeente kenbaar gemaakt dat zij:
‘gebruik willen maken van de tussen de Gemeente Geldrop- Mierlo en ons gemaakte afspraken aangaande het 1e optie-recht tot aankoop van de grondstrook met een wijzigingsbevoegdheid tot bouwkavels.’
De gemeente heeft daarop gereageerd bij brief van 10 augustus 2010 met (productie 11 bij dagvaarding), waarin onder meer te lezen is:
‘In principe stemmen wij in met een aanbod tot koop van de in rode kleur aangegeven percelen, zoals weergegeven op bijlage 1, die u hierbij aantreft, wanneer aan de bepalingen van het bestemmingplan [straatnaam] wordt voldaan. Op ieder van de percelen mag één vrijstaande woning worden gebouwd. Wij stellen daarbij een aantal randvoorwaarden, waarop hieronder wordt ingegaan. De percelen bieden wij aan voor een bedrag van €360,- per m2 exclusief BTW. Op de wijze waarop deze prijs tot stand is gekomen gaan wij hieronder nader in.
(…)
Randvoorwaarden
- nadat er sprake is van een door welstand positief beoordeeld bouwplan, zal de gemeente binnen 3 maanden een koopovereenkomst aanbieden;
(...)
- de wijzigingsbevoegdheid wordt met succes doorlopen.
(…)
Koopprijs
Wij zullen zelf de procedure tot wijziging naar een woonbestemming voeren en zullen u
bouwrijpe grond aanbieden. Gelet op de bijzondere ligging van de beide percelen aan de rand van [straatnaam] en de grootte van de kavels hanteren wij een prijs van €360,- per m2 exclusief BTW. Deze prijs is gebaseerd op het prijspeil van 2010. Bij latere afname zal de dan geldende grondprijs worden gehanteerd.
Wijzigingsprocedure
Alvorens gebouwd kan worden dient een wijzigingsprocedure te worden doorlopen. De gronden hebben nu immers de bestemming Groenvoorziening, met wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van woningen.
De bouwmogelijkheden voor deze woningen konden niet rechtstreeks in het bestemmingsplan worden opgenomen, omdat de betreffende gronden zijn gelegen binnen een agrarische hindercirkel en een hindercirkel van een rioolontstoppingsbedrijf.
Voor wat betreft de agrarische hindercirkel heeft jurisprudentie inmiddels de belemmering
deels opgeheven; wel dient er in dit verband nog worden onderzocht in hoeverre sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarbij zullen alle overige bedrijven in de omgeving worden meegenomen. Daarnaast zullen diverse onderzoeken op het gebied van milieu en archeologie noodzakelijk zijn.
Optie
Wij zijn van mening dat met dit aanbod wordt voldaan aan de optieverlening, waartoe wij ons hadden verplicht. Indien dit aanbod niet leidt tot een overeenkomst, dan achten wij ook de optie vervallen. Wij verzoeken u om uiterlijk op 12 december 2010 te laten weten of u met dit aanbod instemt.
Bij gebreke daarvan achten wij de optie vervallen.’
[eiser] en [A] hebben de gemeente naar aanleiding van de aanbieding
per (ongedateerde) e-mail (productie 12 bij dagvaarding) als volgt bericht:
‘Wij willen graag van dit aanbod gebruik maken.
Wat ons wel verbaasd is de grondprijs, zoals wij al eerder in onze gesprekken aangegeven hebben is deze grond destijds voor € 100,-/m2 door de projectontwikkelaar aan de gemeente verkocht, om deze prijs jaarlijks met 100% te verhogen lijkt ons niet reëel.
Ons verzoek hierin is om hier een schikking te nemen.’
Per e-mail van 1 december 2010 (productie 13 bij dagvaarding) hebben [eiser]
en [A] het volgende aan de gemeente bericht:
‘In uw schrijven laat u weten de betreffende percelen te willen verkopen, eerder gemaakte afspraken tussen uw afdeling en ons worden hiermee nagekomen.
(…)
Nu de grond aan ons te koop aangeboden wordt, willen wij deze graag kopen tegen de huidige waarde van deze groenstrook.
Zodra wij deze grond willen gaan gebruiken als bouwkavels zullen wij het prijsverschil tussen hetgeen wat al betaald is en de prijs van bouwgrond op het moment van bouwvergunning bijbetalen.’
De gemeente heeft in de brief van 24 januari 2011 onder meer het volgende geschreven (productie 14 bij dagvaarding):
‘Wij stemmen niet in met verkoop van de gronden aan u tegen de huidige waarde van de groenstrook.
Wij zijn slechts bereid om tot verkoop over te gaan onder de verplichtingen en randvoorwaarden zoals genoemd in onze brief van 10 augustus 2010. (...) Uw tegenvoorstel is daarmee niet in overeenstemming. Dit betekent dat wij ons aanbod handhaven.
(...)
Wij verzoeken u om uiterlijk op 2 april 2011 te laten weten of u met het aanbod, zoals vervat in onze brief van 10 augustus 2011 [bedoeld is 2010] instemt. Wij zijn van mening dat met dit aanbod wordt voldaan aan de optieverlening, waartoe wij ons hadden verplicht. Indien dit aanbod niet leidt tot een overeenkomst, of wij op 2 april 2011 geen bericht van u hebben
ontvangen dan achten wij ook de optie vervallen.’
[eiser] en [A] hebben bij brief van 31 maart 2011 (productie 15 bij
dagvaarding) gereageerd:
‘Zoals wij al eerder aangegeven hebben zijn er tussen de gemeente en ons afspraken gemaakt waar beide partijen zich aan dienen te houden, van onze zijde zouden alle bezwaren en procedures, tegen de bouw van [de] nieuwe wijk gestopt worden, en jullie zijn daarmee de verplichting aangegaan dat:
- Op deze percelen hoge beplanting zou komen
- Als deze percelen voor verkoop in aanmerking komen dan hebben wij het recht tot 1e koop.
(…)
Destijds is nooit gesproken over randvoorwaarden, deze zijn later door u er aan toegevoegd.
(…)
Wij willen u nogmaals vragen om naar ons voorstel, van 9 december 2010 te kijken.’
Bij brief van 14 juni 2011 (productie 16 bij dagvaarding) heeft de gemeente gereageerd:
‘Als antwoord op uw mededeling dat u de grond wilde kopen tegen de waarde van snippergroen, hebben u laten weten, slechts bereid te zijn om tot verkoop aan u over te gaan onder de verplichtingen en randvoorwaarden zoals genoemd in onze brief van 10 augustus 2010. Wij hebben met dit aanbod voldaan aan onze verplichting. Nu er binnen de aangegeven tijd geen overeenkomst met u tot stand is gekomen, achten wij de optie vervallen.
Nu wij met ons aanbod van onze zijde hebben voldaan aan de verplichting om u op uw eigen verzoek de gronden te koop aan te bieden, achten wij ons nu vrij om de gronden aan andere mogelijke gegadigden aan te bieden.’
[eiser] en [A] hebben op die laatste brief niet meer gereageerd.
Op 21 december 2023 heeft het college van B&W "het Wijzigingsplan 4 woningen [straatnaam] " ter inzage gelegd dat ziet op de wijziging van de groenbestemming van (onder andere) het perceel waarop het recht van [eiser] en [A] rustte zodanig dat daar vier woningen op gebouwd mogen worden (productie 7 bij dagvaarding). Dit plan is op 2 april 2024 door het college van B&W vastgesteld.
Bij e-mail van 23 januari 2024 (productie 9 bij dagvaarding) hebben [eiser] en [A] zich bij de gemeente gemeld met het verzoek om een gesprek om tot aankoop van het perceel te komen. Daarbij hebben zij verwezen naar het in 2007 verleende recht.
Op 25 januari en 28 maart 2024 hebben daarna gesprekken plaatsgevonden tussen de gemeente, [eiser] en [A] . Bij brief van 27 mei 2024 (productie 10 bij dagvaarding) heeft de gemeente hen daarna bericht dat zij aan de gedane toezegging
heeft voldaan door in 2010 een aanbod tot verkoop te doen en dat de toezegging is vervallen doordat [eiser] en [A] het aanbod toen niet aanvaard hebben.
Vervolgens is er over en weer gecorrespondeerd tussen de raadsman van [eiser] en de gemeente. Tot een aanbod van de gemeente heeft dat niet geleid. [eiser] heeft daarna conservatoir beslag gelegd op de percelen grond.
4 Het geschil
Samengevat vordert [eiser] vordert, na wijziging van eis, om bij vonnis, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:
1. de gemeente te veroordelen om binnen tien dagen na betekening van het vonnis de tussen partijen gemaakte afspraken ter zake het recht van eerste koop na te komen door de strook grond, daadwerkelijk aan [eiser] en [A] aan te bieden in de vorm van vier bouwkavels, althans op een door de Rechtbank in goede justitie te bepalen wijze, tegen de in april 2024, althans mei 2025, althans door de Rechtbank in goede justitie te bepalen geldende grondprijs voor de desbetreffende woningbouwcategorie, op straffe van een dwangsom
Subsidiair:
2. De gemeente te veroordelen om binnen tien dagen na betekening van het vonnis de tussen partijen gemaakte afspraken ter zake het recht van eerste koop na te komen door een nog te bepalen helft van de strook grond daadwerkelijk aan [eiser] aan te bieden in de vorm van twee bouwkavels, althans op een door de Rechtbank in goede justitie te bepalen wijze, tegen de in april 2024, althans mei 2025, althans door de Rechtbank in goede justitie te bepalen geldende grondprijs voor de desbetreffende woningbouwcategorie, op straffe van een dwangsom
Primair en subsidiair:
3. de gemeente te veroordelen tot betaling van buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met rente
4. de gemeente te veroordelen in de kosten van deze procedure, vermeerderd met rente.
De gemeente voert verweer. De gemeente concludeert tot het niet-ontvankelijk verklaren van [eiser] in zijn vorderingen, althans zijn vorderingen af te wijzen en
hem te veroordelen het door hem gelegde beslag op te heffen en hem voorts te
veroordelen in de kosten van de procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5 De beoordeling
De rechtbank stelt voorop dat op de mondelinge behandeling is gebleken dat tussen partijen niet langer in geschil is dat [eiser] kan worden ontvangen in zijn gewijzigde eis.
Ter zitting hebben partijen, na een schorsing en hervatting van de mondelinge behandeling, toegelicht dat zij vrij lang met elkaar hebben gesproken over een oplossing in der minne waarbij [eiser] en [A] het recht zouden krijgen om ter plaatse drie kavels van de gemeente te kopen. [eiser] was ook bereid zijn vordering daarop aan te passen. Ook de gemeente kon zich in beginsel wel in zo’n oplossing vinden. Dat het desalniettemin niet tot een regeling is gekomen, komt niet alleen doordat zo’n regeling de instemming van het college van B&W zou behoeven, maar vooral ook doordat de gemeente eventuele gevolgen vreest die voor haar uit de zogenaamde Didam-arresten zouden kunnen voortvloeien. Kort gezegd kan uit die jurisprudentie worden afgeleid dat een overheidslichaam dat het voornemen heeft een hem toebehorend onroerende zaak te verkopen, ruimte moet bieden aan (potentiële) gegadigden om mee te dingen naar die onroerende zaak indien er meerdere gegadigden zijn voor de aankoop daarvan of redelijkerwijs te verwachten is dat er meerdere gegadigden zullen zijn. Een koopovereenkomst die in strijd met deze regels is gesloten, is niet op die grond nietig of vernietigbaar. Wel handelt het overheidslichaam dat in strijd met die regels overgaat tot verkoop onrechtmatig tegenover een (potentiële) gegadigde die bij de verkoop ten onrechte geen gelijke kans heeft gekregen. Op die grond kan het overheidslichaam dan dus schadeplichtig zijn. De gemeente heeft ter zitting verklaard dat er vanuit de markt al belangstelling is voor de op het perceel uit te geven kavels en zij wil voorkomen dat zij schadeplichtig wordt door de grond nu alsnog aan [eiser] te verkopen. De gemeente wil daarom dat de rechtbank een beslissing neemt over het door [eiser] en [A] gepretendeerde recht op het perceel.
De rechtbank overweegt als volgt. In 2007 hebben [eiser] en [A] met de gemeente afgesproken dat zij een recht van eerste koop zouden hebben als de gemeente zou besluiten om de betreffende grond als bouwkavels voor woningbouw uit te geven. In afwijking van dat laatste, maar onder expliciete verwijzing naar de gemaakte afspraken, hebben [eiser] en [A] op 9 mei 2009 zelf het initiatief genomen om tot aankoop van de grond te komen. De gemeente heeft daarin bewilligd met haar aanbod van 10 augustus 2010.
In het midden kan blijven of dat aanbod op onderdelen afweek van wat partijen in 2007 hadden afgesproken, omdat [eiser] en [A] met hun e-mail van december 2010 hebben verklaard dat met dat aanbod de eerdere gemaakte afspraken met de gemeente werden nagekomen. Het enige waarin [eiser] en [A] zich niet konden vinden, was de vierkantemeterprijs: zij wilden de grond afnemen tegen de prijs voor (snipper)groen en bijbetalen op het moment dat de grond geschikt was gemaakt om als bouwkavels te worden gebruikt. Op de mondelinge behandeling is gebleken dat [eiser] het aanbod van de gemeente in 2010 ten aanzien van de prijs niet goed begrepen heeft. De gemeente heeft ter zitting toegelicht dat de prijs in haar aanbod in overeenstemming was met het raadsbesluit grondprijzen 2010 (productie 3 van de gemeente) en dat [eiser] en [A] pas bij de daadwerkelijke levering van de grond als bouwkavels hoefden te betalen. Naar het oordeel van de rechtbank volgt dat ook uit de brief van augustus 2010. Onder het kopje ‘Koopprijs’ staat namelijk vermeld: ‘Wij zullen zelf de procedure tot wijziging naar een woonbestemming voeren en zullen u bouwrijpe grond aanbieden. Gelet op de bijzondere ligging van de beide percelen aan de rand van [straatnaam] en de grootte van de kavels hanteren wij een prijs van €360,- per m2 exclusief BTW. Deze prijs is gebaseerd op het prijspeil van 2010. Bij latere afname zal de dan geldende grondprijs worden gehanteerd.’ Uit deze tekst volgt onmiskenbaar dat de gemeente aan [eiser] en [A] het perceel heeft aangeboden als bouwrijpe grond, waarbij de gemeente voor eigen rekening zelf ervoor zal zorgdragen dat de planologische bestemming vóór levering zou zijn gewijzigd naar een woonbestemming. Bij dit aanbod past ook, in overeenstemming met de in 2007 gemaakte afspraken, dat de vierkantemeterprijs is gebaseerd op de grondprijzen van de gemeenteraad, op het prijspeil van 2010 (het jaar waarin dit aanbod is gedaan) en dat bij latere afname de dan geldende grondprijs wordt gehanteerd. Hieruit volgt dat pas bij levering van het perceel [eiser] en [A] aan de gemeente hadden moeten betalen. Dat in het kopje ‘Wijzigingsprocedure’, dat onder het kopje ‘Koopprijs’ staat, is vermeld dat alvorens gebouwd kan worden een wijzigingsprocedure dient te worden doorlopen, brengt niet met zich dat [eiser] het aanbod anders had kunnen opvatten, omdat daarin niet staat vermeld dat [eiser] en [A] die wijzigingsprocedure voor hun rekening moeten nemen. Dat de gemeente als randvoorwaarde heeft gesteld dat nadat er sprake is van een door welstand positief beoordeeld bouwplan, de gemeente binnen 3 maanden een koopovereenkomst zal aanbieden, betekent evenmin een afname- en betalingsverplichting voor [eiser] en [A] op moment van ondertekening van die koopovereenkomst.
[eiser] verkeerde echter in de veronderstelling dat hij de koopsom al moest betalen terwijl de grond nog niet als geschikte bouwkavels kon worden geleverd. Dat volgt naar het oordeel van de rechtbank dus niet uit de brief van de gemeente. Bovendien is een dergelijk voorstel zo afwijkend van wat in de markt gebruikelijk is – [eiser] heeft er zelf op gewezen dat hij in zo’n geval ook nooit een financiering voor de aankoop van de grond zou kunnen krijgen – dat het op de weg van [eiser] lag om na te gaan of zijn veronderstelling de juiste was. Dat hij dat niet heeft gedaan, blijft voor zijn rekening. Ter zitting heeft [eiser] nog betoogd dat hij (met de juiste wetenschap) in feite wel het aanbod van de gemeente heeft aanvaard, maar die aanvaarding vindt geen steun in de feiten.
[eiser] heeft verder nog aangevoerd dat de door de gemeente gevraagde grondprijs van € 360,- p/m2 niet in overeenstemming was met de grondprijzen die golden binnen de gemeente, omdat er vanaf een bepaalde perceelgrootte een afslag op de vierkantemeterprijs zou moeten gelden. Daarbij heeft hij verwezen naar een adviesnota over grondprijzen, die hij naar eigen zeggen heeft gevonden op de website van de gemeente. Daargelaten dat dat stuk geen onderdeel uitmaakt van het procesdossier, is in de regel een adviesnota binnen een gemeente een ambtelijk stuk waarin ambtenaren een bestuurlijk probleem analyseren en een onderbouwd advies uitbrengen aan het college van B&W of de gemeenteraad om een besluit te nemen. Uit niets is gebleken dat de adviesnota heeft geleid tot een ander besluit dan het door de gemeente overgelegde raadsbesluit grondprijzen 2010, waarop het aanbod van de gemeente was gebaseerd. De rechtbank heeft overigens ook geen aanleiding te veronderstellen dat bij een latere levering dan 2010 niet de alsdan geldende grondprijs juist zou worden vastgesteld. Bovendien heeft de gemeente ter zitting toegelicht dat indien en voor zover uit haar beleid een afslag zou gelden, zij geen reden heeft om te veronderstellen dat zij daarvan zou afwijken. De rechtbank kan de gemeente hierin volgen.
De conclusie van de rechtbank is dat de gemeente op initiatief van [eiser] en [A] door het aanbod van 2010 uitvoering heeft gegeven aan de in 2007 gemaakte afspraken. Dat heeft zij gedaan onder de uitdrukkelijke vermelding dat zij daarmee voldeed aan de met [eiser] en [A] gemaakte afspraken en dat zij de optie (het recht van eerste koop) als vervallen zou beschouwen als het aanbod niet tot overeenstemming zou leiden. [eiser] en [A] hebben daar toen niet tegen geprotesteerd. Sterker: zij hebben de gemeente in hun e-mail (zie 3.10) geschreven dat zij graag van dat aanbod gebruik maakten. Ook in latere correspondentie hebben [eiser] en [A] niet geprotesteerd tegen het vervallen van de optie bij het niet bereiken van overeenstemming, ook niet nadat de gemeente bij hun brieven van 24 januari 2011 en 14 juni 2011 nog eens op die consequentie hadden gewezen. Dat betekent dat het recht van [eiser] en [A] vervallen is en dat de vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen.
Aan opheffing van het door [eiser] gelegde beslag komt de rechtbank niet toe. Om dat te bewerkstelligen, had de gemeente een vordering in reconventie moeten instellen. Dat heeft zij niet gedaan.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de gemeente worden begroot op:
|
- griffierecht |
€ |
2.995,00 |
|
|
- salaris advocaat |
€ |
1.306,00 |
(2 punten × € 653,00) |
|
- nakosten |
€ |
[kadastrale aanduiding 1] ,00 |
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
4.490,00 |
6 De beslissing
De rechtbank
wijst de vorderingen van [eiser] af,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 4.490,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Cune en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2026.