Civiel recht overig

Onverschuldigde betaling, rechtsgrond pas bekend geworden tijdens procedure

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 14 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 14 oktober 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Tilburg
Datum uitspraak
14 oktober 2026
Datum publicatie
15 oktober 2026
Zaaknummer
12333665 CV EXPL 26-4257 (E)
Procedure
Bodemzaak
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:10032
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Onverschuldigde betaling, rechtsgrond pas bekend geworden tijdens procedure

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Tilburg

Zaaknummer: 12333665 \ CV EXPL 26-4257

Vonnis van 14 oktober 2026

in de zaak van

CZ ZORGVERZEKERINGEN N.V.,

te Tilburg,

eisende partij,

hierna te noemen: CZ,

gemachtigde: GGN Brabant,

tegen

[gedaagde] ,

te [plaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

procederend in persoon.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding
- het extract audiëntieblad van de rolzitting van 5 augustus 2026 met het antwoord van [gedaagde] ,
- de akte van CZ
- het extract audiëntieblad van de rolzitting van 2 september 2026 met de repliek van [gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

CZ vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 237,04, vermeerderd met rente en kosten.

2.2.

CZ legt aan haar vordering ten grondslag dat tussen partijen een zorgverzekeringsovereenkomst bestond, op grond waarvan [gedaagde] gehouden was om de maandelijkse premie te betalen. Bij akte heeft CZ de grondslag van haar eis gewijzigd door aan te voeren dat CZ betaling vordert van de premie over de maand januari 2026 die zij onverschuldigd heeft terugbetaald aan [gedaagde] . [gedaagde] had middels automatische incasso de premie over de maand januari 2026 in december 2025 voldaan en deze vervolgens gestorneerd. In de tussentijd had CZ de premie over januari 2026 al terugbetaald aan [gedaagde] , en daarna bleek pas dat deze gestorneerd was. CZ heeft daarmee onverschuldigd het bedrag van € 194,69 voldaan. CZ vordert betaling hiervan vermeerderd met wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten.

2.3.

[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van CZ, met veroordeling van CZ in de kosten van deze procedure. [gedaagde] stelt dat zij niets meer hoeft te voldoen aan CZ omdat zij in de maand oktober twee bedragen had overgemaakt aan CZ.

2.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

3 De beoordeling

3.1.

Tussen partijen staat vast dat [gedaagde] tot en met december 2025 een zorgverzekering had afgesloten bij CZ. Niet in geschil is dat de premies tot en met december 2025 zijn voldaan.

3.2.

CZ stelt dat vóór de opzegging van de verzekering door [gedaagde] de opdracht voor de automatische incasso reeds in gang was gezet en uitgevoerd. CZ heeft vervolgens vanwege de opzegging het bedrag van € 194,69 aan [gedaagde] terugbetaald. Vervolgens heeft de stornering plaatsgevonden. De terugstorting en stornering hebben elkaar volgens CZ gekruist. CZ heeft daarom een bedrag van € 194,69 onverschuldigd betaald.

3.3.

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [gedaagde] de stellingen van CZ bij onvoldoende weersproken. Vast staat dat [gedaagde] de automatische incasso van over januari 2026 heeft gestorneerd. Uit het door CZ overgelegde betalingsbewijs volgt dat CZ ook een bedrag van € 194,69 aan [gedaagde] heeft teruggestort. [gedaagde] heeft niet betwist een bedrag van € 194,69 van CZ retour te hebben ontvangen. De kantonrechter zal de (na wijziging grondslag) gevorderde hoofdsom van € 194,69 dan ook toewijzen.

3.4.

Ten aanzien van de gevorderde verschenen rente en vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt als volgt overwogen. Hoewel CZ heeft gesteld dat zij en haar gemachtigde [gedaagde] meermaals op de onverschuldigde betaling hebben gewezen, blijkt dit niet uit de door CZ overgelegde correspondentie. Daarin spreekt CZ van een betalingsachterstand. Pas tijdens deze procedure bij akte voert CZ aan dat CZ een bedrag van € 194,69 aan [gedaagde] heeft betaald en dat [gedaagde] het bedrag zelf heeft laten terugboeken. Pas bij haar akte heeft CZ aan [gedaagde] uitgelegd waar haar vordering precies op is gebaseerd. Onder deze omstandigheden is de kantonrechter van oordeel dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is als [gedaagde] de door CZ gevorderde verschenen wettelijke rente en vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten zou moeten betalen. Dit gedeelte van de vordering van CZ wordt daarom afgewezen.

3.5.

De gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen over de hoofdsom vanaf 19 augustus 2026, omdat [gedaagde] vanaf 19 augustus 2026 (de dag waarop CZ in haar akte heeft uitgelegd waar haar vordering precies op is gebaseerd) op de hoogte was van de juiste grondslag van de vordering van CZ en [gedaagde] op dat moment had moeten besluiten om de door CZ gevorderde hoofdsom aan haar te betalen.

3.6.

Bij deze uitkomst van de procedure past dat de proceskosten van partijen worden gecompenseerd, zodat iedere partij de eigen kosten draagt.

4 De beslissing

De kantonrechter

4.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan CZ te betalen een bedrag van € 194,69, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 19 augustus 2026, tot de dag van volledige betaling,

4.2.

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

4.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

4.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Zander en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2026.