Civiel recht overig
Eindvonnis na tussenvonnis. Geschil tussen kaveleigenaars en eigenaar recreatiepark. In conventie verrekening…
Rechtbank Oost-Brabant, 21 oktober 2026
ECLI:NL:RBOBR:2026:7487 · Rechtbank Oost-Brabant · 21 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-oost-brabant/civiel-recht/civiel-recht-overig/bodemzaak/ecli-nl-rbobr-2026-7487
Zaakgegevens
Op 21 oktober 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank Oost-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 21 oktober 2026
- Datum publicatie
- 21 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/01/383589 / HA ZA 22-372
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- BodemzaakBodemzaakDe gewone procedure waarin de rechter definitief over het geschil beslist, in tegenstelling tot een kort geding of voorlopige voorziening.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. A.M.C. Machielse, mr. B. Martens
- ECLI
- ECLI:NL:RBOBR:2026:7487
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Eindvonnis na tussenvonnis. Geschil tussen kaveleigenaars en eigenaar recreatiepark. In conventie verrekening van diverse te veel betaalde bedragen met openstaande bedragen. In reconventie permanente bewoning van twee bewoners moet worden gestaakt.
Uitspraak
RECHTBANK Oost-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/383589 / HA ZA 22-372
Vonnis van 21 oktober 2026
in de zaak van
1 [eiser 1] ,
te [plaats] ( [land] ),
2. [eiser 2],
te [plaats] ,
3. [eiser 3],
te [plaats] ,
4. [eiser 4],
te [plaats] ,
5. [eiser 5],
te [plaats] ,
6. [eiser 6],
te [plaats] ,
7. [eiser 7],
te [plaats] ,
8. [eiser 8],
te [plaats] ,
9. [eiser 9],
te [plaats] ,
10. [eiser 10],
te [plaats] ,
11. [eiser 11],
te [plaats] ,
12. [eiser 12],
te [plaats] ,
13. [eiser 13],
te [plaats] ,
14. [eiser 14],
te [plaats] ,
15. [eiser 15],
te [plaats] ,
16. [eiser 16],
te [plaats] ,
17. [eiser 17],
te [plaats] ,
eisende partijen in conventie,
verwerende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen (met uitzondering van eisers in conventie, verweerders in reconventie sub 3 en sub 9, [eiser 3] en [eiser 9] , waarover in r.o. 3.2 meer): de kaveleigenaars (meervoud),
advocaat: mr. A.M.C. Machielse,
tegen
1 MOLENHOF BEHEER B.V.,
te Veldhoven ,
2. VELDHOVEN RECREATIE B.V.,
te Veldhoven ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: Molenhof c.s. (meervoud), en gedaagde sub 1: Molenhof (vrouwelijk, enkelvoud)
advocaat: mr. B. Martens.
1 De kern van de zaak
Deze zaak gaat over het recreatiepark Molenvelden (hierna: het park) in Veldhoven .
Tussen diverse kaveleigenaars enerzijds en de parkeigenaar en/of beheerder anderzijds zijn over en weer diverse vorderingen ingesteld.
Bij tussenvonnis van 27 maart 2024 (hierna: het tussenvonnis) heeft de rechtbank haar oordeel over een aantal geschilpunten gegeven en partijen opgedragen zich over enkele punten nog uit te laten. Partijen hebben zich vervolgens bij akten uitgelaten, waarna om aanhouding van de zaak is verzocht in verband met schikkingsonderhandelingen. Partijen zijn er niet op alle punten uitgekomen, waarna opnieuw akten zijn genomen.
Met dit vonnis wijst de rechtbank eindvonnis. Daarbij worden onder meer:
1. partijen veroordeeld tot betaling van de bedragen die blijken uit het door partijen overgelegde schema, met inachtneming van de in dit vonnis opgenomen instructies; en
2. twee kaveleigenaars veroordeeld het gebruik van hun chalets voor permanente bewoning te beëindigen.
Hieronder licht de rechtbank haar oordeel toe.
2 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
het tussenvonnis en de daarin genoemde processtukken
-
de akte na tussenvonnis tevens eiswijziging tevens provisionele vordering ex artikel 843a Rv van 18 december 2024, van de kaveleigenaars , met producties 31 t/m 38
-
de akte uitlaten partijen tevens wijziging van eis van 18 december 2024, van Molenhof c.s. , met producties 7 en 8
-
de verwijzing naar de parkeerrol van 19 november 2025
-
de antwoordakte na tussenvonnis tevens wijziging van eis van 21 januari 2026, van de kaveleigenaars , met producties 39 t/m 42
-
de antwoordakte van 21 januari 2026, van Molenhof c.s. , met productie 9
-
de antwoordakte tevens akte eiswijziging en overlegging producties van 21 april 2026, van Molenhof c.s. , met producties 10 en 11.
De kaveleigenaars zijn in de gelegenheid gesteld op 6 mei 2026 te reageren op laatstgenoemde akte. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Vervolgens is bepaald dat vonnis zal worden gewezen.
3 De verdere beoordeling
in conventie en in reconventie
De advocaat van de kaveleigenaars heeft laten weten dat de heer [eiser 2] (eiser in conventie, verweerder in reconventie sub 2) is komen te overlijden. Uit artikel 225 lid 1 onder a Rv volgt dat dit een grond is voor schorsing van het geding. Omdat de schorsing niet is ingeroepen, wordt ook de procedure ten aanzien van die partij voortgezet.
De advocaat van Molenhof c.s. heeft laten weten dat de heer [eiser 3] en de heer [eiser 9] (eisers in conventie, verweerders in reconventie sub 3 en sub 9) hun chalets hebben verkocht en dat alle onderlinge betalingen inmiddels finaal zijn afgewikkeld. Ten aanzien van [eiser 3] heeft hij onder meer de e-mailwisseling met de advocaat van de kaveleigenaars opgenomen, waarin zij verzoekt om tot eindafrekening over te gaan, zodat partijen niets meer van elkaar te vorderen hebben. De procedure kan daarom voor deze partijen worden geroyeerd, aldus de advocaat van Molenhof c.s. Omdat de advocaat van de kaveleigenaars daarop niet heeft gereageerd (terwijl daartoe wel de mogelijkheid is geboden) én kennelijk zelf heeft verzocht om een finale afwikkeling ten aanzien van [eiser 3] , gaat de rechtbank uit van instemming. Daarbij komt dat [eiser 9] door beide partijen niet meer is opgenomen in het door hen overgelegde schema, waarover deels overeenstemming is bereikt (productie 9 Molenhof c.s. , productie 39 kaveleigenaars ), zodat de rechtbank daaruit ook afleidt dat er finaal is afgewikkeld ten aanzien van [eiser 9] en de kaveleigenaars daarmee instemmen. De procedures door en tegen [eiser 3] en [eiser 9] worden daarom doorgehaald.
Tussen partijen spelen vele geschilpunten. Omwille van de overzichtelijkheid worden de geschilpunten puntsgewijs behandeld aan de hand van de ingestelde vorderingen.
de eisvermeerderingen en wijzigingen van eis
De kaveleigenaars hebben bij akten na het tussenvonnis hun eis gewijzigd. Zij hebben daarbij (1) een provisionele vordering tot overlegging van overzichten toegevoegd en (2) de vordering tot creditering van de parkservicevergoeding uitgebreid naar de jaren 2023 en 2024 (eerst betrof dit de jaren 2019 tot en met 2022, na eiswijziging de jaren 2019 tot en met 2024). De gevorderde overzichten betreffen overzichten van verzonden facturen met het totaalbedrag en ontvangen betalingen dan wel interne verrekeningen vanaf oktober 2018. Bij latere akte met eiswijziging van 21 januari 2026 is de provisionele vordering (vordering 1) omgezet in een vordering in de hoofdzaak.
Molenhof c.s. hebben bij akte uitlaten partijen tevens wijziging van eis van 18 december 2024 hun eis gewijzigd in de zin dat zij andere bedragen hebben gevorderd, naar aanleiding van de berekeningen die zij hebben gemaakt. Vervolgens hebben Molenhof c.s. bij antwoordakte tevens akte eiswijziging en overlegging producties van 21 april 2026 hun eis gewijzigd in de zin (1) dat de geëiste bedragen zijn verminderd en (2) dat de vorderingen die zien op het verbod op permanente bewoning tegen [eiser 1] , [eiser 4] en [eiser 5] worden ingetrokken en dat zij ook worden gericht tegen [eiser 10] .
De rechtbank overweegt over deze eiswijzigingen als volgt.
Artikel 130 Rv biedt de bevoegdheid om de eis te veranderen of te vermeerderen zolang geen eindvonnis is gewezen. Die bevoegdheid wordt echter begrensd door de eisen van een goede procesorde. De rechtbank kan op die grond ook ambtshalve een eiswijziging buiten beschouwing laten.
Binnen dit kader wordt de eisvermeerdering van de kaveleigenaars toegelaten voor zover zij gaat over de uitbreiding van de vordering tot creditering van de parkservicevergoeding naar de jaren 2023 en 2024, omdat bij de door beide partijen na het tussenvonnis overgelegde berekeningen met deze jaren rekening is gehouden. Van strijd met de goede procesorde is op dit punt dan ook geen sprake.
De vermeerdering van eis voor zover die ziet op de (provisionele) vordering tot overlegging van bepaalde overzichten blijft buiten beschouwing wegens strijd met de goede procesorde. De procedure loopt al sinds juni 2022. De provisionele vordering is in eerste instantie ingesteld bij akte van 18 december 2024, waarna de zaak door partijen voor langere tijd is aangehouden. Bij akte van 21 januari 2026 is de incidentele vordering omgezet in een vordering in de hoofdzaak. Nu de procedure reeds vele jaren loopt en zich in een vergevorderd stadium bevindt, verzet de goede procesorde zich tegen toelating van deze nieuwe vordering. De feiten en omstandigheden die aan deze vordering ten grondslag liggen, waren al geruime tijd bekend en hadden veel eerder kunnen en moeten worden aangevoerd. Toelating op dit late processuele moment zou een nieuw debat openen dat mogelijk extra instructie vergt, en zou daarmee tot onredelijke en onaanvaardbare vertraging van de hoofdzaak leiden. Het staat de kaveleigenaars vrij om eventuele aanvullende posten in een afzonderlijke procedure aan de orde te stellen.
De eiswijzigingen van Molenhof c.s. worden toegelaten, met uitzondering van de vorderingen die zien op de permanente bewoning door [eiser 10] . De vorderingen die zien op permanente bewoning door [eiser 10] zijn in strijd met de goede procesorde. Het gaat om een belangrijk punt (permanente bewoning) met verstrekkende gevolgen, dat op zitting al is besproken voor wat betreft [eiser 3] , [eiser 4] , [eiser 6] , [eiser 7] , [eiser 1] en [eiser 14] , en ten aanzien waarvan de rechtbank bij tussenvonnis om nadere toelichting heeft gevraagd. Partijen hebben hierop bij akten van 18 december 2024 gereageerd. Pas in de allerlaatste akte van Molenhof c.s. van 21 april 2026 wordt opeens de eis in reconventie vermeerderd ten aanzien van [eiser 10] . Toelating op dit late processuele moment zou een nieuw debat openen dat mogelijk extra instructie vergt, en zou daarmee tot onredelijke en onaanvaardbare vertraging van de hoofdzaak leiden.
De overige eisvermeerderingen van Molenhof c.s. zijn niet in strijd met de goede procesorde, omdat zij nauw verband houden met bedragen die worden gevorderd naar aanleiding van een schema waarover partijen het grotendeels eens zijn.
De eisverminderingen worden eveneens toegelaten, omdat, naar de rechtbank veronderstelt, alle partijen het daarmee eens zijn.
het parkreglement 2020
De kaveleigenaars hebben gevorderd te verklaren voor recht dat het parkreglement 2020 niet van toepassing is op hen. Deze vordering wordt toegewezen. In het tussenvonnis (r.o. 5.5 t/m 5.25) is reeds overwogen dat dat reglement niet van toepassing is en de rechtbank ziet geen aanleiding om daarop (ambtshalve) terug te komen.
de camera en het kentekenregistratiesysteem
De kaveleigenaars hebben gevorderd Molenhof c.s. hoofdelijk dan wel enkel Veldhoven Recreatie B.V. te veroordelen tot het verwijderen van de camera en het verlenen van eisers van 24/7 toegang tot hun kavel via de slagboom, zonder verplichte kentekenregistratie of legitimatieplicht bij de receptie en zonder bijkomende kosten, dan wel een in goede justitie te bepalen vorm van onbelemmerde toegang.
Deze vordering wordt toegewezen in de zin dat Molenhof wordt veroordeeld om ervoor te zorgen dat de kaveleigenaars 24/7 toegang hebben tot hun kavel via de slagboom zonder bijkomende kosten, om de redenen beschreven in r.o. 5.2 t/m 5.4 en r.o. 5.79 t/m 5.91 van het tussenvonnis. Voor alle duidelijkheid: de vordering van de kaveleigenaars wordt afgewezen voor wat betreft het doen staken van het kentekenregistratiesysteem en de verwijdering van de bijbehorende camera.
de bedragen aan parkservicevergoeding, internetkosten, kentekenregistratiekosten, administratiekosten, verhuurkosten en tariefverhoging gas en elektra
Partijen hebben over en weer vorderingen ingesteld die betrekking hebben op de parkservicevergoeding, internetkosten, kentekenregistratiekosten, administratiekosten, verhuurkosten en de tariefverhoging van gas en elektra (hierna kortweg: de kosten in geschil).
De rechtbank heeft in het tussenvonnis haar oordeel gegeven over de geschilpunten met betrekking tot deze posten. Vervolgens heeft zij partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de hoogte van de bedragen die, uitgaande van de door de rechtbank geformuleerde uitgangspunten, daaruit zouden voortvloeien.
Partijen hebben naar aanleiding daarvan diverse akten genomen. Deze akten blinken niet uit in duidelijkheid. De veelheid aan schema’s, met steeds een wisselende opmaak en inhoud en met steeds nieuwe discussiepunten, heeft niet heeft bijgedragen aan de duidelijkheid die voor de beoordeling van de zaak wenselijk was. De rechtbank heeft de stellingen die voldoende duidelijk zijn tot uitgangspunt genomen. Voor zover daarbij stellingen en / of bedragen buiten beschouwing zijn gelaten die partijen hadden willen meewegen, is dat het gevolg van het niet naleven van de plicht om stellingen en verweren helder, begrijpelijk en geordend naar voren te brengen, opdat voor de rechter en de wederpartij duidelijk is wat de rechtsstrijd inhoudt (vgl. artikel 21 Rv).
Tegen deze achtergrond oordeelt de rechtbank als volgt.
Naar de rechtbank begrijpt zijn partijen, voor zover het gaat om de te crediteren bedragen door Molenhof , het eens geworden over het schema dat is overgelegd als productie 9 Molenhof c.s. , danwel productie 39 kaveleigenaars (hierna: het Schema), afgezien van enkele hierna te bespreken geschilpunten. De kaveleigenaars vorderen in conventie creditering en betaling van die te veel betaalde bedragen aan hen.
Molenhof c.s. vorderen in reconventie betaling van de in het Schema opgenomen bedragen (de nog niet betaalde bedragen / facturen) door de kaveleigenaars . De kaveleigenaars zijn het niet eens met die bedragen, zo begrijpt de rechtbank.
Op zitting is door de advocaat van de kaveleigenaars aangegeven dat er geen bezwaar tegen is om per kavel een eindafrekening te maken (en aldus de vorderingen over en weer te verrekenen). Die eindafrekeningen zijn in het Schema opgenomen, waarbij de door de kaveleigenaars nog te betalen bedragen verrekend zijn met de aan hen te crediteren bedragen, waarna een te betalen of te ontvangen eindbedrag per kaveleigenaar resulteert.
De totaalbedragen (dus na verrekening) die uit het Schema volgen zijn, naar de rechtbank begrijpt, de volgende bedragen:
|
Kaveleigenaar |
Te betalen door kaveleigenaar (in €) |
Te betalen door Molenhof (in €) |
|
[eiser 1] |
258,70 |
|
|
[eiser 4] |
3.151,93 |
|
|
[eiser 5] |
849,72 |
|
|
[eiser 6] |
1.847,87 |
|
|
[eiser 7] |
1.539,28 |
|
|
[eiser 10] |
2.424,79 |
|
|
[eiser 11] |
3.830,24 |
|
|
[eiser 13] |
704,32 |
|
|
[eiser 14] |
6.281,63 |
|
|
[eiser 17] |
2.600,39 |
|
|
[eiser 15] |
186,50 |
|
|
[eiser 16] |
195,34 |
|
|
[eiser 8] |
1.681,52 |
het Schema dient als uitgangspunt, ook voor de door Molenhof c.s. gevorderde bedragen
De kaveleigenaars voeren verschillende argumenten aan die erop neerkomen dat het Schema volgens hen niet volledig is en dat ook andere geldstromen en facturen in beeld zouden moeten worden gebracht. Het gaat enerzijds, zo begrijpt de rechtbank, om facturen die nog ná het opmaken van het Schema zijn verstuurd en daarin nog niet zijn verwerkt (zoals de jaarlijkse eindafrekening gas / water / elektriciteit voor de periode 2024-2025), en anderzijds om een overzicht van alle verzonden facturen met totaalbedragen en ontvangen betalingen c.q. interne verrekeningen vanaf oktober 2018. Met dit overzicht kunnen de kaveleigenaars nog een dubbele check doen van het Schema, aldus de kaveleigenaars . Het gaat daarbij niet alleen om facturen vanuit de administratie van Molenhof c.s. maar ook om contante betalingen die door de parkeigenaars aan de balie zouden zijn gedaan.
Molenhof c.s. hebben benadrukt dat het Schema is opgesteld aan de hand van de interne administratie van Molenhof , en dat het meerdere keren met de advocaat van de kaveleigenaars is gedeeld. Telkens is gevraagd om aan te geven wat er niet zou kloppen (aan de hand van betalingsafschriften). Daar is geen reactie op gekomen. Sterker nog, de advocaat van de kaveleigenaars heeft eerder aangegeven dat zij ervan uit ging dat de bedragen wél zouden kloppen, aldus Molenhof c.s. De losse facturen van alle parkbijdragen hebben de kaveleigenaren zelf ontvangen en staan opgenomen in het betaaloverzicht onder verwijzing naar het factuurnummer. Contante betalingen zijn er volgens Molenhof c.s. niet gedaan; die accepteert Molenhof al jaren niet meer.
Alles afwegende, vindt de rechtbank dat uitgegaan moet worden van het (volledige) Schema. Molenhof c.s. hebben aangegeven wat volgens hen de door de kaveleigenaars nog te betalen bedragen zijn, met daarbij de data en nummers van de betreffende facturen. Het ligt dan op de weg van de kaveleigenaars die stellen dat het Schema niet juist of incompleet is om concreet te maken per kaveleigenaar wat er niet klopt aan de genoemde bedragen, te meer omdat partijen het kennelijk wel eens zijn geworden over de (meeste) te crediteren bedragen. Om dan in zijn algemeenheid te stellen dat er mogelijk iets niet klopt, is onvoldoende. Niet weersproken is immers dat de kaveleigenaars ook zelf beschikken over de relevante facturen. Dat er volgens de kaveleigenaars ook contante betalingen zouden zijn gedaan aan de balie is betwist, en verder niet onderbouwd of toegelicht door hen.
Dat het schema nog niet de gehele rechtsverhouding tussen partijen weergeeft – voorstelbaar is dat na het opmaken van het Schema facturen zijn verstuurd die daarin nog niet zijn verwerkt – laat onverlet dat het Schema als uitgangspunt kan dienen in de onderhavige procedure. Eventuele andere vorderingen of schulden tussen partijen doen daaraan niet af. Voor zover nog andere rechtsverhoudingen bestaan die (nog) niet in het Schema zijn opgenomen, staat het partijen vrij die afzonderlijk te bespreken en, indien nodig, nader te regelen.
kentekenregistratiekosten
Partijen zijn het verder niet eens over de vraag of de kentekenregistratiekosten moeten worden terugbetaald en of het Schema in verband daarmee moet worden aangepast. Het gaat om een bedrag van € 69,-, (of € 98,- als nadien sprake is geweest van een wijziging). De rechtbank is van oordeel dat Molenhof deze kosten moet terugbetalen. Aan het standpunt van Molenhof c.s. dat terugbetaling alleen aan de orde is als een kwitantie kan worden overgelegd, gaat de rechtbank voorbij. Naar het oordeel van de rechtbank staat voldoende vast dat de kentekenregistratiekosten zijn gemaakt. Uit het betoog van de kaveleigenaars volgt immers dat degenen die kosten terugvragen een auto hebben en dat is niet betwist. Voor het kunnen parkeren van de auto op het terrein hebben zij de kentekenregistratiekosten moeten maken.
internetkosten
Partijen zijn het ook niet eens over de internetkosten van [eiser 4] , [eiser 6] , [eiser 7] , [eiser 10] , [eiser 15] , [eiser 16] en [eiser 17] (posten in grijs in het schema in randnummer 10 van de antwoordakte na tussenvonnis tevens wijziging van eis van 21 januari 2026 van de kaveleigenaars ) en of het Schema in verband daarmee moet worden aangepast. Het gaat om bedragen variërend van € 1.197,59 tot € 2.050,41 per betreffende kaveleigenaar .
Deze internetkosten moeten ook worden terugbetaald.
Zoals reeds in het tussenvonnis is overwogen, zijn de internetkosten in beginsel onverschuldigd betaald, omdat van een overeenkomst tussen de betreffende kaveleigenaars en Molenhof c.s. waaruit een betalingsverplichting voortvloeit, geen sprake is. Omdat de rechtbank het mogelijk achtte dat de kaveleigenaars ongerechtvaardigd zouden zijn verrijkt indien zij van het internet gebruik hebben gemaakt terwijl Molenhof c.s. daarvoor hebben betaald, zijn Molenhof c.s. in de gelegenheid gesteld zich daarover uit te laten.
Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit hetgeen Molenhof c.s. naar aanleiding daarvan hebben gesteld niet dat zij een vordering op de kaveleigenaars hebben uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking. Voor toewijzing van een dergelijke vordering is onder meer vereist dat de wederpartij is verrijkt (uitgespaarde kosten) en dat de eisende partij is verarmd (schade heeft geleden). De stelplicht en de bewijslast rust op Molenhof c.s.
Van verrijking aan de zijde van de kaveleigenaars is niet gebleken, omdat zij hebben betwist dat zij van het internet gebruik hebben gemaakt (sommigen gebruiken überhaupt geen internet en anderen hebben een andere aansluiting, aldus de kaveleigenaars ) en dat gebruik door Molenhof c.s. verder niet is onderbouwd. Ook de gestelde verarming aan de zijde van Molenhof c.s. is onvoldoende onderbouwd. Molenhof c.s. hebben weliswaar toegelicht welk bedrag zij aan de kaveleigenaars in rekening hebben gebracht, maar dat is zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet hetzelfde als verarming aan hun zijde. Daarvoor zou moeten blijken welk bedrag Molenhof c.s. daadwerkelijk aan internetkosten ten behoeve van de betreffende kaveleigenaars hebben gemaakt, maar daarover is onvoldoende gesteld. Molenhof c.s. hebben een overzicht overgelegd (productie 10 Molenhof c.s. ) waaruit blijkt dat zij allerlei kosten hebben gemaakt voor de infrastructuur en maandelijkse kosten (totaal € 16.0134,15), maar in dit overzicht is vervolgens geen koppeling gemaakt naar de kosten per kaveleigenaar, zodat dit overzicht niet de kosten per kaveleigenaar onderbouwt.
De conclusie is dus dat bij de beoordeling van de vorderingen over de kosten in geschil, de rechtbank het Schema tot uitgangspunt neemt, met dien verstande dat
-
de kentekenregistratiekosten nog moeten worden gecrediteerd (het bepaalde in r.o. 3.25), en
-
de internetkosten voor de daarin genoemde kaveleigenaars ook nog moeten worden gecrediteerd (het bepaalde in r.o. 3.26 t/m 3.29).
Het voorgaande betekent dat het te betalen of het te ontvangen bedrag per kaveleigenaar (de eindafrekening), zoals opgenomen in de tabel hierboven onder r.o. 3.20, met inachtneming van het voorgaande door partijen moet worden aangepast. Daarbij kunnen de bedragen die zijn opgenomen in het grijs – in het schema in randnummer 10 van de antwoordakte na tussenvonnis tevens wijziging van eis van 21 januari 2026 van de kaveleigenaars – tot uitgangspunt dienen omdat deze niet zijn betwist door Molenhof c.s.
De rechtbank zal Molenhof zodoende veroordelen tot creditering, zoals is gevorderd (verwezen wordt naar r.o. 4.1 van het tussenvonnis onder 3), van de bedragen die volgen uit het Schema en met inachtneming van het bepaalde in r.o. 3.30. De kaveleigenaars hebben overigens niet toegelicht wat onder creditering dient te worden verstaan. Naar de rechtbank begrijpt wordt hieronder verstaan het opmaken en verzenden van een creditfactuur en het administratief verwerken van een creditbedrag. Molenhof zal daartoe worden veroordeeld.
De kaveleigenaars hebben ook gevorderd Molenhof c.s. te veroordelen om te voldoen aan de betalingsverplichting die voortvloeit uit de creditering. Deze vordering wordt toegewezen in de zin dat Molenhof wordt veroordeeld tot betaling van de bedragen die voorvloeien uit het Schema en met inachtneming van het bepaalde in r.o. 3.30.
Ook Molenhof c.s. hebben, naar de rechtbank begrijpt, gevorderd de kaveleigenaars te veroordelen tot de bedragen (de openstaande facturen) die volgen uit het Schema. De vordering wordt toegewezen in de zin dat de kaveleigenaars worden veroordeeld tot betaling aan Molenhof van de bedragen die volgen uit het Schema en met inachtneming van het bepaalde in r.o. 3.30.
Beide partijen hebben wettelijke rente gevorderd over de toegewezen bedragen. Deze vordering wordt toegewezen met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis.
De kaveleigenaars hebben wettelijke rente gevorderd vanaf de betaaldata van de onverschuldigd betaalde factuurbedragen, maar het is onduidelijk welke data daarmee precies worden bedoeld. Bovendien is sprake van verrekening van vorderingen over en weer en bij verrekening vervalt de verplichting tot betaling van wettelijke rente met terugwerkende kracht tot het moment waarop verrekening mogelijk werd (artikel 6:129 lid 1 BW). Gelet op die onduidelijkheid, wordt die vordering daarom afgewezen.
Molenhof c.s. en de kaveleigenaars hebben (al dan niet subsidiair) de wettelijke rente gevorderd vanaf de dagvaarding. Ook daarvoor ziet de rechtbank geen grond, alleen al omdat in de toegewezen bedragen posten zijn verwerkt die zien op de jaren 2023 en 2024, terwijl de dagvaarding in 2022 is uitgebracht, en dus over de bedragen die in de jaren 2023 en 2024 verschuldigd zijn geworden geen wettelijke rente vanaf 2022 verschuldigd kan zijn. Daarnaast geldt wat hiervoor is genoemd ten aanzien van de verrekening.
Het staat wel vast dat partijen in verzuim verkeren als zij niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis betalen. Bij gebrek aan een andere aanknopingsdatum wordt daarom die termijn als ingangsdatum voor de wettelijke rente gehanteerd.
De buitengerechtelijke incassokosten
De kaveleigenaars hebben betaling gevorderd van € 388,61 (per kaveleigenaar) aan buitengerechtelijke incassokosten. Deze vordering wordt afgewezen. De voor de incassokosten in de dagvaarding gegeven onderbouwing gaat uit van een betalingsverplichting van € 2.141,10 per kaveleigenaar. Die verplichting is niet vast komen te staan - in het Schema gaat het om hele andere bedragen. De gegeven onderbouwing vindt dus geen aansluiting bij de bedragen waarvan uiteindelijk vaststaan dat ze verschuldigd zijn. De vordering tot betaling van de buitengerechtelijke kosten en de onderbouwing daarvan zijn later ook niet aangepast. Vanwege het ontbreken van genoemde aansluiting kan niet worden vastgesteld dat de kosten in redelijkheid zijn gemaakt of dat de hoogte daarvan redelijk is.
Het verbod dat ziet op toekomstige kosten
De kaveleigenaars hebben gevorderd Molenhof c.s. te verbieden kosten in rekening te brengen zonder dat deze zijn benoemd in een parkreglement dan wel zonder dat daartoe een aparte overeenkomst bestaat, en te verbieden een hogere parkservicekostenverhoging door te voeren dan op grond van de indexeringsclausule in de koopovereenkomst is toegestaan, een en ander op straffe van het verbeuren van een dwangsom.
Zoals in r.o. 5.77 en 5.78 van het tussenvonnis is weergegeven, zijn deze vorderingen niet toewijsbaar.
De permanente bewoning
Molenhof c.s. hebben diverse vorderingen ingesteld die verband houden met permanente bewoning op het park. Na de eiswijzigingen gaat het nog slechts om de kaveleigenaars [eiser 6] en [eiser 14] . Zoals hiervoor in r.o. 3.10 weergegeven worden de vorderingen wat dit betreft tegen [eiser 10] niet toegelaten.
Bij tussenvonnis is vastgesteld dat [eiser 6] permanent op het park woont. Ten aanzien van [eiser 14] was vooralsnog onduidelijk of hij permanent op het park woont (r.o. 5.98 tussenvonnis). Omdat Molenhof c.s. de stelplicht en bewijslast dragen van hun stellingen dat de kaveleigenaars hun chalet permanent bewonen, zijn zij in de gelegenheid gesteld die stellingen (verder) toe te lichten door overlegging van bepaalde stukken. Tegelijkertijd is [eiser 14] in de gelegenheid gesteld om zijn stelling dat hij er niet permanent woont verder toe te lichten door overlegging van de huurovereenkomst van een andere woning, waar hij op zitting aan refereerde (r.o. 5.99 tussenvonnis).
De rechtbank is van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat ook [eiser 14] permanent op het park woont. Molenhof c.s. hebben dit onderbouwd aan de hand van zijn gas- en stroomverbruik, dat vergelijkbaar is met dat van [eiser 6] en (voorheen) [eiser 3] en [eiser 4] , van wie vaststaat dat zij permanent wonen / woonden op het park. [eiser 14] heeft daartegen (enkel) aangevoerd dat dit verbruik niet bewijst dat hij op het park permanent woont, omdat de gezinssamenstelling anders kan zijn. De rechtbank passeert dit verweer. Het verbruik kan naar het oordeel van de rechtbank een aanwijzing vormen voor de vraag of iemand permanent op een locatie woont. De rechtbank is het weliswaar eens met [eiser 14] dat de gezinssamenstelling daarbij van belang kan zijn, maar [eiser 14] is op dit punt in algemeenheden blijven steken. Hij heeft niet toegelicht wat de gezinssamentellingen in dit concrete geval zijn. Dat had gezien de concrete onderbouwing van Molenhof c.s. wel op zijn weg gelegen. Daarnaast heeft [eiser 14] nog aangevoerd dat hij slechts zes maanden in de woning verblijft en de andere helft van het jaar op reis of op vakantie is, of bij zijn vriendin verblijft (in de plaats waar hij eerder een woning huurde), maar die stellingen heeft hij evenmin onderbouwd.
In het tussenvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat de kaveleigenaars zich - in beginsel - dienen te onthouden van permanente bewoning (r.o. 5.105).
De kaveleigenaars hebben zich beroepen op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, oftewel op rechtsverwerking. In dat verband hebben zij onder meer aangevoerd dat de rechtsvoorganger van Molenhof op de hoogte was van de permanente bewoning, maar nooit gehandhaafd heeft, en dat Molenhof vanaf 2019 de indruk heeft gewekt slechts tot handhaving over te gaan als de gemeente dat ook zou doen (en de gemeente heeft dat nooit gedaan). Bij tussenvonnis zijn zij in de gelegenheid gesteld dat beroep nader te onderbouwen. Over dit beroep en de onderbouwing oordeelt de rechtbank als volgt.
Zoals ook uiteengezet in het tussenvonnis, gaat het bij een beroep op rechtsverwerking erom of er bijzondere omstandigheden zijn die meebrengen dat de kaveleigenaars er gerechtvaardigd op mochten vertrouwen dat Molenhof van het verbod op permanente bewoning geen naleving zou verlangen, of waardoor de positie van de kaveleigenaars onredelijk zou worden benadeeld als Molenhof alsnog zou handhaven. Daarvoor is, naar vaste rechtspraak, louter stilzitten aan de zijde van Molenhof onvoldoende.
De kaveleigenaars hebben gewezen op een verklaring briefadres van het park (productie 25 kaveleigenaars ) en betoogd dat hieruit volgt dat de rechtsvoorganger van Molenhof op de hoogte was van de permanente bewoning. Onduidelijk is echter hoe hieruit volgt dat de rechtsvoorganger van Molenhof op de hoogte was. De verklaring ziet immers op de ontvangst van brieven (een briefadres) en niet op inwoning (die optie is juist doorgestreept). Zonder verdere toelichting, die ontbreekt, bewijst de verklaring dus niet dat Molenhof op de hoogte was van permanente bewoning of daarmee heeft ingestemd. De rechtbank ziet daarom in die verklaring geen aanleiding om aan te nemen dat sprake is van rechtsverwerking.
De kaveleigenaars hebben ook een beroep gedaan op een bericht dat Molenhof in 2019 heeft gestuurd naar de bewoners. Daaruit volgt volgens de kaveleigenaars dat Molenhof enkel zou handhaven als de gemeente dat zou doen. Het gaat om het volgende bericht uit een nieuwsbrief van 27 juli 2019:
“Enige tijd geleden hebben wij in onze nieuwsbrief meer duidelijkheid willen verschaffen over de afspraken omtrent permanente bewoning. Hierin hebben wij aangegeven dat wij vanuit het park handhavend zullen optreden bij eventuele overtredingen.
Uit een recent gesprek met de Gemeente Veldhoven is naar voren gekomen dat de primaire verantwoordelijkheid voor de handhaving van permanente bewoning bij de Gemeente Veldhoven ligt. In het gesprek is ons gevraagd om het proces van de gemeente Veldhoven hierin te volgen. Wij hebben aangegeven dat wij dit begrijpen en wij zullen in overleg met de Gemeente Veldhoven zoveel mogelijk dit proces volgen, maar vanaf het moment dat de Gemeente Veldhoven wel maatregelen treft zijn wij genoodzaakt hierin op te treden.
Graag benadrukken we dat dit geen toestemming is voor permanente bewoning.”
Anders dan de kaveleigenaars hebben betoogd, is de rechtbank van oordeel dat zij op grond van dit bericht er niet op mochten vertrouwen dat Molenhof van het verbod op permanente bewoning geen naleving zou verlangen. Dat volgt namelijk niet uit de passage en kan daarin ook niet zonder meer worden gelezen, juist ook omdat Molenhof de betreffende kaveleigenaars kort daarvoor via een nieuwsbrief van 3 juni 2019 (productie 3 Molenhof c.s. ) en een persoonlijke e-mail van 20 juni 2019 (productie 4 Molenhof c.s. ) had bericht dat permanente bewoning (en inschrijving in de gemeentelijke basisregistratie personen) niet was toegestaan en zij tot handhaving zou overgaan. Molenhof schrijft in het bericht van 27 juli 2019 slechts, samengevat, dat zij het initiatief voor handhaving van het verbod (voorlopig) bij de gemeente laat. Bovendien staat in het bericht niet dat Molenhof steeds het beleid van de gemeente zal volgen.
Molenhof c.s. hebben er onweersproken op gewezen dat op 17 april 2020 de gemeente de betreffende kaveleigenaars vervolgens heeft geïnformeerd over het beëindigen van de permanente bewoning met een kopie van die brief aan Molenhof (conclusie van antwoord, randnr. 4.7 met een kopie van die brief). Vanwege corona is de gemeente toen echter niet tot handhaving overgegaan, aldus Molenhof c.s. Daarom hebben zij in oktober 2022 de onderhavige vorderingen in verband met het staken van de permanente bewoning ingesteld.
Voor zover de kaveleigenaars menen dat zij uit het “stilzitten” van Molenhof in de periode (medio) 2019-2022 mochten afleiden dat zij geen beroep meer op het verbod zou doen, gaat dat niet op. Louter stilzitten kan dat immers, zoals al eerder overwogen, niet bewerkstelligen, en al helemaal niet in het licht van de eerder verstuurde brieven. Daarbij komt dat Molenhof ervan uitging, zoals zij onweersproken heeft gesteld, dat de gemeente tot handhaving over zou gaan, gelet op het bericht van 17 april 2020. Gesteld noch gebleken is verder dat Molenhof in die periode nog iets specifieks heeft gedaan of nagelaten waardoor dat vertrouwen wel is gewekt.
De kaveleigenaars hebben verder gewezen op een door de gemeente verleende (omgevings)vergunning aan [eiser 6] uit 2013 voor permanente bewoning (productie 36 kaveleigenaars ), en een vonnis in kort geding van 10 juli 2019 dat is gewezen in een zaak tegen de kaveleigenaar [eiser 10] . Volgens de kaveleigenaars beschikte [eiser 10] ook over een dergelijke vergunning van de gemeente en hebben Molenhof c.s. om die reden en gelet op het vonnis in kort geding geen vordering in reconventie ingesteld tegen hem. Dat is meten met twee maten, volgens de kaveleigenaars .
Uit het door Molenhof c.s. overgelegde vonnis in kort geding (productie 11 Molenhof c.s. ) blijkt echter dat de zaak die leidde tot het vonnis niet ging over permanente bewoning. De kwestie betrof een bouwvergunning en de vraag of de bouw van een woning van meer dan 70m2 in strijd was met het parkreglement. Er is dus niet geoordeeld over (on)geoorloofde permanente bewoning. Dat vonnis kan de kaveleigenaars dus ook niet baten.
De kaveleigenaars hebben verder geen concrete stellingen aan de aan [eiser 6] verleende vergunning verbonden. Zo is niet gesteld dat de rechtsvoorganger van Molenhof op de hoogte was hiervan. Voor zover de kaveleigenaars menen dat Molenhof geen beroep op het verbod op permanente bewoning mag doen vanwege deze verleende vergunning, danwel dat vanwege die vergunning elk belang ontbreekt aan de zijde van Molenhof , geldt dat een publiekrechtelijk verleende vergunning niet in de weg staat aan privaatrechtelijke handhaving (op grond van het parkreglement). Daarbij komt dat Molenhof c.s. er op hebben gewezen dat Molenhof een zelfstandig belang heeft bij het handhaven van het verbod op permanente bewoning, dat los staat van de publiekrechtelijke handhaving door de gemeente. Zo hebben zij naar voren gebracht dat het park niet is ingericht op permanente bewoning. Het is een recreatiepark en daar zijn de voorzieningen van het park op ingericht. Molenhof heeft ook een zorgplicht naar andere kaveleigenaars die zich wel aan de regelgeving houden. Zij wenst geen uitzonderingen op dit verbod toe te laten en is daartoe ook niet verplicht, aldus Molenhof c.s. Dat enig belang ontbreekt, is gelet op het voorgaande, dus ook niet vast komen te staan.
De conclusie is dus dat het beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (rechtsverwerking) niet slaagt.
Gevolg van het voorgaande is dat de vorderingen die verband houden met permanente bewoning tegen [eiser 6] en [eiser 14] worden toegewezen, zoals is weergegeven in de beslissing. Zoals gevorderd door Molenhof c.s. zal de rechtbank bepalen dat de permanente bewoners zich binnen een jaar na het vonnis dienen uit te schrijven uit de Basisregistratie Personen, de BRP (en niet 3 jaar, zoals was gevorderd door de kaveleigenaars ). De rechtbank is ermee bekend dat de huidige woningmarkt voor woningzoekenden lastig is, maar een termijn van 1 jaar is naar het oordeel van de rechtbank voldoende lang. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de permanente bewoners al langere tijd, gezien deze procedure, rekening hebben kunnen houden met de mogelijkheid van een verhuizing.
De vordering om te verklaren voor recht dat Molenhof c.s. bevoegd zijn tot het geven van een waarschuwing strekkende tot beëindiging van de permanente bewoning en, indien dat permanente gebruik en bewoning niet binnen één maand na de gegeven waarschuwing wordt gestaakt en gestaakt wordt gehouden, Molenhof c.s. bevoegd zijn om aan Molenhof c.s. de toegang tot het park te ontzeggen, wordt afgewezen. De vordering ziet immers op de relatie tussen Molenhof c.s. en alle bewoners van het park, maar niet alle bewoners zijn betrokken in deze procedure.
De gevorderde dwangsommen worden gematigd op de in de beslissing weergegeven wijze.
De indexatie van de parkservicevergoeding
Molenhof c.s. hebben gevorderd voor recht te verklaren dat de wettelijke beperkingen ten aanzien van indexatie van huurverhogingen niet van toepassing zijn op de kaveleigenaars en dat Molenhof c.s. gerechtigd zijn de parkservicevergoeding te indexeren overeenkomstig het CPI.
De rechtbank zal deze vordering afwijzen.
Bij tussenvonnis heeft de rechtbank overwogen dat uit artikel 24 van de koopovereenkomst blijkt dat Molenhof c.s. gerechtigd zijn de parkservicevergoeding te indexeren volgens het CPI, en dat verder niet gebleken is dat wettelijke beperkingen in verband met de huur van woonruimte van toepassing zijn in de relatie tussen de kaveleigenaars en Molenhof c.s. Vervolgens zijn de kaveleigenaars in de gelegenheid gesteld hun standpunt dat de indexeringsbepaling onredelijk bezwarend is en dat is uitgegaan van een verkeerde maand nader te onderbouwen, waarna Molenhof c.s. daarop mochten reageren (r.o. 5.114 en r.o. 5.115 van het tussenvonnis).
De rechtbank begrijpt dat partijen het eens zijn geworden over een bepaalde wijze van indexatie van de parkservicevergoeding voor het verleden. Op basis van die nieuwe berekening is berekend hoeveel de kaveleigenaars terugkrijgen. Die bedragen zijn opgenomen in het Schema. Onduidelijk is in hoeverre overeenkomstig het CPI is geïndexeerd in die nieuwe berekening. Dat lijkt in elk geval niet te zijn gedaan voor de jaren vóór 2025 (zie randnr. 12 akte van 18 december 2024 van de kaveleigenaars en randnr. 3.4 van de akte van 21 januari 2026 van Molenhof c.s. ). De vordering zoals deze is geformuleerd (en bedoeld) – het ging (ook) om indexatie overeenkomst het CPI over het verleden – kan daarom al niet worden toegewezen. Daarbij komt dat, omdat partijen zich niet meer hebben uitgelaten op dit punt, ná het bereiken van overeenstemming hierover, de rechtbank ervan uitgaat dat Molenhof c.s. deze vordering ook niet meer handhaven. Hetzelfde geldt voor het verweer van de kaveleigenaars dat de indexeringsbepaling onredelijk bezwarend is en dat uitgegaan is van een verkeerde maand. De rechtbank gaat er eveneens vanuit dat dit verweer niet meer wordt gehandhaafd, gelet op het voorgaande.
De proceskosten
Naar het oordeel van de rechtbank zijn partijen over en weer in het gelijk en in het ongelijk gesteld, zodat de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
4 De beslissing
De rechtbank
in conventie en in reconventie
verstaat dat de procedures door en tegen [eiser 3] en [eiser 9] (eisers in conventie, verweerders in reconventie sub 3 en sub 9) zijn doorgehaald,
in conventie
verklaart voor recht dat het parkreglement 2020 niet van toepassing is voor de kaveleigenaars ,
veroordeelt Molenhof ervoor te zorgen dat de kaveleigenaars 24/7 toegang hebben tot hun kavel via de slagboom zonder bijkomende kosten,
veroordeelt Molenhof (1) tot het crediteren, in de zin van het opmaken en verzenden van een creditfactuur en het administratief verwerken van een creditbedrag, en (2) tot het betalen van de bedragen die volgen uit het Schema en met inachtneming van het bepaalde in r.o. 3.30, binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis,
veroordeelt Molenhof tot het betalen van de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over de bedragen die volgen uit het Schema en met inachtneming van het bepaalde in r.o. 3.30, vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van de algehele voldoening,
in reconventie
verklaart voor recht dat [eiser 6] en [eiser 14] in strijd met het parkreglement hun chalets permanent bewonen,
veroordeelt de kaveleigenaars genoemd in r.o. 4.6 om zich uit te schrijven bij het BPR op het adres van hun chalets, binnen 1 jaar na het vonnis, op straffe van het verbeuren van een aan Molenhof te betalen dwangsom van € 250,- per dag met een maximum van € 50.000,-,
verbiedt de kaveleigenaars genoemd in r.o. 4.6 om de chalets, na afloop van de in r.o. 4.7 genoemde periode, te gebruiken voor permanente bewoning, op straffe van het verbeuren van een aan Molenhof te betalen dwangsom van € 250,- per dag met een maximum van € 50.000,-,
veroordeelt de kaveleigenaars tot het betalen aan Molenhof van de bedragen die volgen uit het Schema, met inachtneming van het bepaalde in r.o. 3.30,
veroordeelt de kaveleigenaars tot het betalen aan Molenhof van de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over de bedragen die volgen uit het Schema, met inachtneming van het bepaalde in r.o. 3.30, vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van de algehele voldoening,
in conventie en in reconventie
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.M. Janssen en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2026.