Civiel recht overig

Formele procespartij, onderbewindstelling na dagvaarding. Burengeschil, overlast. Onvoldoende gebleken dat…

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 14 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 14 oktober 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Bergen op Zoom
Datum uitspraak
14 oktober 2026
Datum publicatie
16 oktober 2026
Zaaknummer
11983576 \ CV EXPL 25-3924
Procedure
Bodemzaak
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:10078
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Formele procespartij, onderbewindstelling na dagvaarding. Burengeschil, overlast. Onvoldoende gebleken dat sprake is van onrechtmatige hinder, afwijzing vordering.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Bergen op Zoom

Zaaknummer: 11983576 \ CV EXPL 25-3924

Vonnis van 14 oktober 2026

in de zaak van

1 [persoon 1] ,

2. [persoon 2],

beiden wonende te [plaats 1] ,

eisende partijen,

hierna samen te noemen: [partij 1] ,

gemachtigde: mr. M.J. Willemsen,

tegen

1 [persoon 3] ,

2. [persoon 4],

beiden wonende te [plaats 1] ,

3. [persoon 5] , H.O.D.N. [bewindvoerder],

zaakdoende te [plaats 2] ,

in de hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [persoon 6] en [persoon 7],

gedaagde partijen,

hierna samen te noemen: [partij 2] en afzonderlijk te noemen vader, moeder en dochter [persoon 6] en [persoon 7] ,

gemachtigde: mr. F. Kaloudis.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 4 november 2025, met producties 1 t/m 13,
- het mondelinge antwoord van vader en moeder [persoon 6] ,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald.

1.2.

Daarna is gebleken dat een bewind is ingesteld over de goederen van dochter [persoon 6] en [persoon 7] . Mr. Willemsen is in de gelegenheid gesteld om de bewindvoerder op te roepen voor de mondelinge behandeling. De bewindvoerder is met de brief van 25 juni 2026 opgeroepen. Mr. Kaloudis heeft zich vervolgens namens alle gedaagde partijen gesteld.

1.3.

Vervolgens heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden op 15 september 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Mr. Kaloudis heeft spreekaantekeningen overgelegd en namens [partij 1] is een akte vermeerdering van eis ingediend.

1.4.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[partij 1] wonen naast vader en moeder [persoon 6] . Dochter [persoon 6] en [persoon 7] (haar vriend) woonden voorheen bij vader en moeder [persoon 6] . Medio mei 2025 zijn dochter [persoon 6] en [persoon 7] verhuisd.

2.2.

Bij beschikking van 4 december 2025 van deze rechtbank heeft de kantonrechter bepaald dat de goederen van dochter [persoon 6] en [persoon 7] onder bewind zijn gesteld. [persoon 5] h.o.d.n. [bewindvoerder] (hierna: de bewindvoerder) is daarbij tot bewindvoerder benoemd.

3 Het geschil

3.1.

[partij 1] vorderen – samengevat en na vermeerdering van eis – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, een hoofdelijke veroordeling van [partij 2] tot het betalen van een schadevergoeding wegens gederfd woongenot en immateriële schade en tot het betalen van buitengerechtelijke kosten en de proceskosten. Daarnaast vorderen [partij 1] vader en moeder [persoon 6] hoofdelijk te gebieden om zich in te spannen om de overlast van dochter [persoon 6] en [persoon 7] tot een acceptabel niveau te beperken, op straffe van een dwangsom, en dochter [persoon 6] en [persoon 7] hoofdelijk te verbieden onrechtmatige geluidshinder te veroorzaken, op straffe van een dwangsom.

3.2.

[partij 1] voeren het volgende aan. [partij 1] ervaart sinds eind oktober 2022, nadat dochter [persoon 6] en [persoon 7] bij vader en moeder [persoon 6] zijn ingetrokken, veel overlast van hen. De geluidsoverlast bestaat uit schreeuwen, slaan met deuren en gebonk op de muren. [partij 1] hebben geklaagd bij [partij 2] , maar de overlast werd alleen maar erger. Als gevolg van de overlast hebben [partij 1] schade geleden. Deze schade bestaat uit gederfd woongenot en immateriële schade. Omdat vader en moeder [persoon 6] niet/onvoldoende hebben ingegrepen om de overlast te stoppen, zijn zij ook aansprakelijk voor de geleden schade.

3.3.

[partij 2] voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen van [partij 1] .

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De dagvaarding is uitgebracht jegens dochter [persoon 6] en [persoon 7] in persoon. Zij staan echter onder bewind, welk bewind is ingesteld nadat de dagvaarding was uitgebracht. De bewindvoerder vertegenwoordigt dochter [persoon 6] en [persoon 7] in en buiten rechte. Mr. Willemsen heeft met de brief van 25 juni 2026 de bewindvoerder opgeroepen voor de mondelinge behandeling. De bewindvoerder is via mr. Kaloudis in de procedure verschenen. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 7 maart 2014 (ECLI:NL:HR:2014:525, r.o. 3.4.1) oordeelt de kantonrechter dat de bewindvoerder door in rechte te verschijnen als formele procespartij heeft te gelden. De formele procespartij is daarom voor wat betreft dochter [persoon 6] en [persoon 7] in de kop van dit vonnis aangepast naar de bewindvoerder.

4.2.

[partij 2] hebben niet betwist dat dochter [persoon 6] en [persoon 7] geluidsoverlast hebben veroorzaakt. Daarmee staat echter nog niet vast dat ook sprake is van onrechtmatige hinder, dat wil zeggen geluidsoverlast die erger is dan wat [partij 1] van hun buren hebben te dulden aan normale woon- en leefgeluiden. Alleen als en voorzover die geluiden naar aard, omvang en frequentie daarvan (alsmede naar het tijdstip waarop die geluiden worden waargenomen) kunnen worden gekwalificeerd als overlastgevend is sprake van onrechtmatige hinder.

4.3.

[partij 1] hebben geluidsfragmenten overgelegd waarop onder andere geschreeuw hoorbaar is. De kantonrechter kan met die geluidsfragmenten niet vaststellen of sprake is van onrechtmatige hinder. Het is namelijk voor de kantonrechter niet of onvoldoende te controleren van wie die geluiden afkomstig zijn, hoe hard de geluiden waren, hoe vaak sprake was van dergelijke geluiden en op welke tijdstippen dit steeds plaatsvond. Hoewel de kantonrechter zich kan voorstellen dat [partij 1] (veel) geluidsoverlast hebben ervaren, is met wat in de procedure is overgelegd niet voldoende bewezen dat sprake is van onrechtmatige hinder.

4.4.

Omdat de kantonrechter niet kan vaststellen of sprake is van onrechtmatige hinder, zijn de gevorderde materiële en immateriële schadevergoedingen niet toewijsbaar. Hierbij merkt de kantonrechter op dat als [partij 1] objectief en te controleren bewijs hebben van onrechtmatige (geluid)overlast van [partij 2] , dat daarmee niet vaststaat dat een schadevergoeding automatisch toewijsbaar is. Daarvoor gelden namelijk hoge eisen.

4.5.

[partij 1] hebben gevorderd vader en moeder [persoon 6] te gebieden zich actief in te spannen om geluidsoverlast van dochter [persoon 6] en [persoon 7] , die allebei met zekere regelmaat in de woning van vader en moeder [persoon 6] komen, tot een acceptabel niveau te beperken. De kantonrechter is van oordeel dat deze vordering te onbepaald is. Zo is onvoldoende concreet wanneer vader en moeder [persoon 6] zich wel of niet voldoende hebben ingespannen om overlast te voorkomen, evenals wat een acceptabel niveau van geluiden is. Dat houdt in dat deze vordering, met de daaraan gekoppelde dwangsom, zal worden afgewezen.

4.6.

Ook voor het gevorderde verbod voor dochter [persoon 6] en [persoon 7] om onrechtmatige hinder te veroorzaken in de zin van het Activiteitenbesluit geldt dat deze te onbepaald is. Onvoldoende duidelijk is welk besluit wordt bedoeld. Voor zover mr. Willemsen hiermee het Activiteitenbesluit milieubeheer heeft bedoeld, merkt de kantonrechter op dat dit besluit per 1 januari 2024 is vervallen en zag op regelgeving voor bedrijven. De in dit besluit genoemde geluidsnormen zijn dan ook niet zonder meer toe te passen op woonsituaties, zoals in deze zaak aan de orde is. Naar het oordeel van de kantonrechter is dan ook onvoldoende duidelijk wat wordt verstaan onder een (on)acceptabel geluidsniveau. Deze vordering zal daarom worden afgewezen.

4.7.

[partij 1] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [partij 2] worden begroot op:

- salaris gemachtigde

€

432,00

(1 punt × € 432,00)

- nakosten

€

144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

576,00

4.8.

De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan de wederpartij.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst de vorderingen van [partij 1] af,

5.2.

veroordeelt [partij 1] hoofdelijk in de proceskosten van € 576,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [partij 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend.

Dit vonnis is gewezen door mr. Swaanen en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2026.