Civiel recht overig

Artiestenmanager is nog artiestenvergoedingen verschuldigd, bestaan van tegenvorderingen in reconventie…

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 21 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 21 oktober 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
21 oktober 2026
Datum publicatie
22 oktober 2026
Zaaknummer
C/02/445995 / HA ZA 26-151 (E)
Procedure
Bodemzaak
Advocaat
mr. S.J. van der Aart, mr. R. van Gerven
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:10255
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Artiestenmanager is nog artiestenvergoedingen verschuldigd, bestaan van tegenvorderingen in reconventie onvoldoende onderbouwd.

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Civiel recht

Zittingsplaats Breda

Zaaknummer: C/02/445995 / HA ZA 26-151

Vonnis van 21 oktober 2026

in de zaak van

1 [persoon 1] ,

te [plaats 1] ,
2. [bedrijf 1] B.V.,

te [plaats 2] ,

eisende partijen in conventie,

verwerende partijen in reconventie,

hierna te noemen: [persoon 1] en [bedrijf 1] ,

advocaat: mr. S.J. van der Aart,

tegen

[persoon 2] h.o.d.n. [bedrijf 2],

te [plaats 3] ,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

hierna te noemen: [persoon 2] ,

advocaat: mr. R. van Gerven.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 3 juni 2026 en de daarin genoemde stukken,

- de conclusie van antwoord in reconventie met productie I zijdens [persoon 1] en [bedrijf 1] ,

- de akte houdende vermeerdering van eis met producties A, B en C zijdens [persoon 1] en [bedrijf 1] ,

- de akte houdende in het geding brengen van producties 1 tot en met 10 zijdens [persoon 2] ,

- de op voorhand toegezonden productie 20 zijdens [persoon 1] en [bedrijf 1] ,

- de mondelinge behandeling van 9 september 2026, waarvan door de griffier zittingsaantekeningen zijn gemaakt.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[persoon 1] is werkzaam als cabaretier en acteur. Ook [persoon 3], de enig bestuurder en aandeelhouder van [bedrijf 1] , houdt zich bezig met acteerwerkzaamheden. Daarnaast is hij onder andere stemacteur en radio dj. Aanvankelijk verrichtte [persoon 3] deze activiteiten vanuit zijn eenmanszaak [bedrijf 3]. Deze eenmanszaak is met ingang van 15 december 2025, met terugwerkende kracht tot januari 2025, voortgezet in de vorm van [bedrijf 1] BV.

2.2.

[persoon 2] trad via haar eenmanszaak [bedrijf 2] op als agente voor onder meer artiesten, acteurs en radio-dj’s. [persoon 2] is afzonderlijk met [persoon 1] en [persoon 3] mondeling overeengekomen om ook voor hen het artiestenmanagement te verzorgen tegen betaling van een agency fee. Voor [persoon 3] verrichtte zij deze werkzaamheden vanaf circa 2019 en voor [persoon 1] vanaf 2021.

2.3.

Aanvankelijk was afgesproken dat [persoon 1] en [persoon 3] hun artiestenvergoedingen (“de gage”) rechtstreeks bij de opdrachtgevers in rekening zouden brengen en dat [persoon 2] haar agency fee afzonderlijk aan de opdrachtgevers zou factureren. Op enig moment is afgesproken deze werkwijze te wijzigen. [persoon 2] zou voortaan voor [persoon 1] en [persoon 3] verzamelfacturen aan opdrachtgevers versturen, waarin zowel de aan [persoon 1] dan wel aan [persoon 3] toekomende artiestenvergoeding als de agency fee van [persoon 2] was opgenomen. Het was vervolgens de bedoeling dat [persoon 1] en [persoon 3] eens in de zoveel tijd aan [persoon 2] een factuur zouden sturen voor de aan hen toekomende artiestenvergoedingen. Dat is een tijd lang niet gebeurd.

2.4.

De samenwerking tussen [persoon 2] en [persoon 1] is in de loop van 2025 geëindigd, nadat [persoon 2] langere tijd onbereikbaar was. Hetzelfde geldt voor de samenwerking tussen [persoon 2] en [persoon 3].

2.5.

[persoon 1] heeft op 5 mei 2025 aan [persoon 2] een factuur gestuurd voor nog aan hem toekomende artiestenvergoedingen. Hij heeft deze factuur opgesteld aan de hand van (verzamel)facturen van [persoon 2] die hij bij opdrachtgevers heeft opgevraagd en van hen ontvangen heeft. Vervolgens heeft [persoon 1] meerdere betalingsherinneringen gestuurd en het factuurbedrag aangepast. Ondanks ingebrekestellingen en sommaties heeft [persoon 2] de door [persoon 1] verzonden factuur onbetaald gelaten.

2.6.

Ook [persoon 3] heeft op 26 mei 2025 een eindafrekening opgesteld ter zake van artiestenvergoedingen voor door hem verrichte werkzaamheden en deze aan [persoon 2] gestuurd. Ondanks ingebrekestellingen en sommaties heeft [persoon 2] ook deze factuur onbetaald gelaten.

2.7.

[persoon 1] en [bedrijf 1] zijn vervolgens deze procedure gestart. Na daartoe verkregen verlof hebben zij conservatoir beslag op de woning van [persoon 2] gelegd waar zij met haar minderjarige kinderen woont.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[persoon 1] en [bedrijf 1] vorderen – samengevat en na eiswijziging – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

in de zaak van [persoon 1] :

I. [persoon 2] veroordeelt tot betaling van € 52.025,20 aan openstaande artiestenvergoedingen, te vermeerderen met wettelijke rente,

II. [persoon 2] veroordeelt tot betaling van € 1.295,25 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente,

in de zaak van [bedrijf 1] :

III. [persoon 2] veroordeelt tot betaling van € 43.052,43 aan openstaande artiestenvergoedingen, te vermeerderen met wettelijke handelsrente,

IV. [persoon 2] veroordeelt tot betaling van € 1.458,68 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke handelsrente,

in zowel de zaak van [persoon 1] als de zaak van [bedrijf 1] :

V. [persoon 2] veroordeelt in de kosten van het conservatoir beslag, vooralsnog begroot op € 1.180,83, te vermeerderen met wettelijke rente,

VI. [persoon 2] veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.2.

[persoon 1] en [bedrijf 1] leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat zij nog recht hebben op artiestenvergoedingen voor door hen verrichte werkzaamheden. Volgens [persoon 1] en [bedrijf 1] heeft [persoon 2] deze vergoedingen als hun artiestenmanager bij verschillende opdrachtgevers gefactureerd en van hen ontvangen, maar deze bedragen vervolgens niet aan hen doorbetaald.

3.3.

[persoon 2] betwist niet dat zij nog artiestenvergoedingen is verschuldigd, maar zij betwist wel de omvang van de gevorderde bedragen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

in reconventie

3.5.

[persoon 2] vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. [persoon 1] veroordeelt tot betaling van € 24.728,39 exclusief btw, te vermeerderen met wettelijke rente,

II. [bedrijf 1] veroordeelt tot betaling van € 48.800,00 exclusief btw en een bedrag van € 282,20, te vermeerderen met wettelijke rente,

III. [persoon 1] en [bedrijf 1] veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.6.

[persoon 2] stelt in reconventie dat zij een tegenvordering heeft op [persoon 1] en [bedrijf 1] in verband met nog niet eerder in rekening gebrachte kosten en werkzaamheden. [persoon 1] en [bedrijf 1] betwisten dat.

3.7.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

Ontvankelijkheid [bedrijf 1]

4.1.

[persoon 2] voert als meest verstrekkende verweer tegen de vorderingen van [bedrijf 1] aan dat zij daarin niet-ontvankelijk is omdat de afspraken waarop de vorderingen zijn gebaseerd met de eenmanszaak van [persoon 3] zijn gemaakt.

4.2.

Dit verweer slaagt niet. Uit de door [bedrijf 1] overgelegde notariële akte van inbreng volgt dat de eenmanszaak met alle daartoe behorende activa en passiva in [bedrijf 1] is ingebracht. Daaronder vallen dus ook vorderingen op derden, zoals de vordering op [persoon 2] . [persoon 2] heeft onvoldoende onderbouwd waaruit zou kunnen volgen dat de vordering op haar in dit geval van de inbreng was uitgezonderd. De enkele omstandigheid dat de beschrijving van de samenstelling van de activa en passiva, waarnaar de akte verwijst, niet is overgelegd, is daartoe onvoldoende.

Artiestenvergoedingen [persoon 1]

4.3.

[persoon 1] stelt dat [persoon 2] hem nog een totaalbedrag van € 52.025,20 verschuldigd is ter zake van door [persoon 2] ontvangen artiestenvergoedingen. [persoon 1] stelt dit bedrag te hebben vastgesteld aan de hand van facturen die [persoon 2] aan opdrachtgevers gestuurd heeft en die hij bij de betreffende opdrachtgevers opgevraagd en van hen ontvangen heeft. Deze facturen zijn niet in het geding gebracht.

4.4.

[persoon 2] betwist niet dat zij nog artiestenvergoedingen aan [persoon 1] verschuldigd is, maar betwist wel de hoogte van het door [persoon 1] gevorderde bedrag. Zij voert aan dat op de vergoedingen in veel gevallen nog de agency fee in mindering moet worden gebracht en dat [persoon 1] ten aanzien van enkele opdrachten geen juist beeld heeft van de daadwerkelijk door haar ontvangen vergoeding. [persoon 2] heeft haar berekening in haar conclusie nader toegelicht aan de hand van een schema en komt daarbij uit op een maximale vergoeding van € 43.805,61.

4.5.

De rechtbank zal van dit bedrag uitgaan. De door [persoon 2] gegeven gemotiveerde toelichting is door [persoon 1] onvoldoende weersproken. Daarbij is van belang dat [persoon 1] zelf over de onderliggende facturen beschikt. Het had daarom op zijn weg gelegen om aan de hand van die facturen nader toe te lichten dat en waarom de berekening van [persoon 2] niet juist is. Nu hij dat heeft nagelaten, gaat de rechtbank uit van het door [persoon 2] berekende bedrag, zodat een bedrag van € 43.805,61 zal worden toegewezen.

Artiestenvergoeding [bedrijf 1]

4.6.

Hetzelfde geldt voor de vordering van [bedrijf 1] . [bedrijf 1] stelt dat [persoon 2] haar nog een bedrag van € 43.052,43 (inclusief btw) aan artiestenvergoedingen verschuldigd is. [persoon 2] betwist ook in dit geval de hoogte van het gevorderde bedrag. [persoon 2] heeft aan de hand van een schema gemotiveerd uiteengezet dat volgens haar, rekening houdend met de daadwerkelijk door haar ontvangen bedragen en de tweemaal nog in mindering te brengen agency fee, maximaal een bedrag van € 33.450,00 exclusief btw aan [bedrijf 1] toekomt, wat neerkomt op een bedrag van € 40.474,50 inclusief btw.

4.7.

Ook [bedrijf 1] heeft deze gemotiveerde berekening onvoldoende weersproken. Daarbij geldt dat [bedrijf 1] , evenals [persoon 1] , beschikt over de onderliggende facturen waarop de verschuldigde vergoedingen zijn gebaseerd. Het had daarom op haar weg gelegen om aan de hand van die facturen nader toe te lichten welke onderdelen van de berekening van [persoon 2] volgens [bedrijf 1] niet juist zijn. Nu zij dat heeft nagelaten, gaat de rechtbank uit van het door [persoon 2] berekende bedrag. Aan [bedrijf 1] zal daarom een bedrag van € 40.474,50 (inclusief btw) worden toegewezen.

Rente en incassokosten [persoon 1]

4.8.

[persoon 1] vordert het toe te wijzen bedrag te verhogen met wettelijke rente vanaf 24 oktober 2025. [persoon 2] voert hiertegen verweer. Zij stelt dat [persoon 1] haar bij brief van 24 oktober 2025 heeft gesommeerd om binnen vijftien dagen een bedrag van € 52.025,20 te betalen. Volgens [persoon 2] kan zij daarom eerst na het verstrijken van die termijn in verzuim zijn geraakt.

4.9.

Dit verweer slaagt niet. Dat [persoon 1] de hoogte van zijn vordering in de loop van de tijd naar beneden heeft bijgesteld en [persoon 2] bij brief van 24 oktober 2025 opnieuw een termijn voor betaling van het inmiddels lagere bedrag heeft gegeven, brengt niet mee dat het verzuim eerst na het verstrijken van die termijn is ingetreden. De verschillende sommaties hadden immers betrekking op dezelfde vordering ter zake van de aan [persoon 1] verschuldigde artiestenvergoedingen. Dat [persoon 1] [persoon 2] aanvankelijk tot betaling van een hoger bedrag heeft aangeschreven, doet daarom niet af aan het feit dat zij reeds bij eerdere sommaties in gebreke is gesteld. [persoon 2] verkeerde dan ook al vóór 24 oktober 2025 in verzuim. De gevorderde wettelijke rente zal dan ook, zoals gevorderd, worden toegewezen vanaf 24 oktober 2025.

4.10.

[persoon 1] vordert daarnaast vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Voldoende is gebleken dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht door het versturen van een sommatiebrief op 24 oktober 2025. [persoon 2] heeft aangevoerd dat dit onvoldoende is voor toewijzing van buitengerechtelijke incassokosten, omdat slechts één brief is verzonden. Dit verweer slaagt niet. Voor de verschuldigdheid van de vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is niet van belang welke incassohandelingen de schuldeiser heeft verricht, zodat in beginsel een enkele brief voldoende is (ECLI:NL:HR:2014:1405, r.o. 3.6).

4.11.

Het door [persoon 1] gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het bedrag dat op grond van het Besluit kan worden toegewezen. De rechtbank zal de incassokosten daarom, berekend over het toegewezen bedrag, toewijzen tot een bedrag van € 1.213,06. De over de incassokosten gevorderde wettelijke rente is, nu daartegen geen afzonderlijk verweer is gevoerd, eveneens toewijsbaar. Aangezien [persoon 1] geen ingangsdatum voor de wettelijke rente heeft gesteld, zal deze worden toegewezen vanaf de datum van dit vonnis.

Rente en incassokosten [bedrijf 1]

4.12.

[bedrijf 1] vordert het toe te wijzen bedrag te vermeerderen met wettelijke handelsrente vanaf 26 mei 2025. [persoon 2] voert hiertegen aan dat zij eerst bij brief van 26 november 2025 is gesommeerd om binnen veertien dagen tot betaling over te gaan, zodat zij eerst na het verstrijken van die termijn in verzuim is geraakt, althans subsidiair met ingang van 10 juni 2025. In dit subsidiaire standpunt wordt [persoon 2] gevolgd.

4.13.

[persoon 2] is niet op 26 mei 2025, de datum waarop de factuur is verzonden, in verzuim geraakt. De factuur kende immers een betalingstermijn van 14 dagen. Het verzuim is daarom na het verstrijken van die termijn, op 10 juni 2025, ingetreden. De nadien in november verzonden sommatie waarmee nog een mogelijkheid tot nakoming geboden is, brengt daarin geen verandering. De wettelijke handelsrente zal daarom vanaf 10 juni 2025 worden toegewezen.

4.14.

Ook de door [persoon 3] gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zijn, op dezelfde gronden als overwogen bij [persoon 1] , toewijsbaar. Berekend over het toegewezen bedrag zal de rechtbank deze kosten toewijzen tot een bedrag van € 1.179,75. De gevorderde wettelijke handelsrente over de buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen. Wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW heeft uitsluitend betrekking op verplichtingen tot betaling uit handelsovereenkomsten. Een verplichting tot vergoeding van schade (zoals buitengerechtelijke kosten in de zin van artikel 6:96, lid 2 sub c BW) kan daartoe niet worden gerekend. Toegewezen wordt daarom de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

Beslag- en proceskosten

4.15.

[persoon 1] en [bedrijf 1] vorderen [persoon 2] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. De beslagkosten worden vastgesteld op € 445,83 voor kosten deurwaardersexploten, € 735,00 voor griffierecht en € 1.290,00 voor salaris advocaat (1,0 punt × € 1.290,00), totaal € 2.470,83. De gevorderde wettelijke rente over de beslagkosten zal ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

4.16.

[persoon 2] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [persoon 1] en [bedrijf 1] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

€

152,83

- griffierecht

€

2.531,00

(€ 93 + € 2.348,00)

- salaris advocaat

€

2.580,00

(2 punten × € 1.290,00)

- nakosten

€

148,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

5.411,83

4.17.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

Uitvoerbaarheid bij voorraad

4.18.

[persoon 2] heeft tot slot tijdens de mondelinge behandeling verzocht het vonnis in conventie niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Daartoe heeft zij aangevoerd dat zij niet direct aan een veroordelend vonnis kan voldoen en dat zij vreest dat zij, indien het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, haar woning waar zij met haar minderjarige kinderen woont en waarop door eisers conservatoir beslag is gelegd, zal verliezen.

4.19.

De rechtbank overweegt hierover het volgende. Op grond van artikel 233 Rv kan een partij vorderen om een veroordeling uitvoerbaarheid bij voorraad te verklaren. Dit houdt in dat de veroordeling meteen ten uitvoer kan worden gelegd, ook als er hoger beroep wordt ingesteld. Als hiertegen verweer wordt gevoerd, moet de rechtbank de belangen van partijen afwegen in het licht van de omstandigheden van het geval. Bij die belangenafweging moet de kans van slagen van een eventueel hoger beroep in de regel buiten beschouwing blijven. Als het gaat om een veroordeling tot betaling van een geldsom, dan wordt vermoed dat degene die deze veroordeling verkrijgt het vereiste belang bij uitvoerbaarverklaring bij voorraad heeft. Een daartegenover gesteld restitutierisico moet geconcretiseerd worden. Mogelijk ingrijpende gevolgen van de executie, die moeilijk ongedaan gemaakt kunnen worden, staan op zichzelf niet aan uitvoerbaarverklaring bij voorraad in de weg, maar moeten worden meegewogen in de belangenafweging.

4.20.

In deze zaak gaat het om een veroordeling tot betaling van geldsommen, zodat vermoed wordt dat [persoon 1] en [bedrijf 1] het vereiste belang hebben bij een uitvoerbaarverklaring bij voorraad. [persoon 2] heeft geen restitutierisico gesteld. Het belang van [persoon 2] bij het behoud van haar woning en de belangen van haar kinderen zijn wel zwaarwegende belangen. De enkele omstandigheid dat tenuitvoerlegging van het vonnis mogelijk tot gedwongen verkoop van de woning zou kunnen leiden, is echter op zichzelf onvoldoende om de uitvoerbaarverklaring bij voorraad achterwege te laten. [persoon 2] heeft onvoldoende concreet gesteld en onderbouwd dat zij niet op andere wijze aan de veroordeling kan voldoen en dat tenuitvoerlegging van het vonnis daadwerkelijk tot gedwongen verkoop van de woning zal leiden. Dat zij niet in staat is het toegewezen bedrag onmiddellijk uit eigen middelen te voldoen, zoals zij stelt, maakt dit niet anders. Wat precies de gevolgen zouden zijn van een mogelijke verkoop van haar woning voor de huisvesting van haar gezin, heeft [persoon 2] ook niet concreet gemaakt of onderbouwd. Daar komt bij dat de geldbedragen die de rechtbank toewijst door [persoon 2] zijn erkend. [persoon 1] en [bedrijf 1] hebben dan ook een zwaarwegend belang om over de toegewezen bedragen te kunnen beschikken zonder de uitkomst van een eventueel hoger beroep te hoeven afwachten. Alles afwegend weegt het belang van [persoon 1] en [bedrijf 1] bij onmiddellijke tenuitvoerlegging zwaarder dan het belang van [persoon 2] bij het achterwege laten daarvan. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding de veroordeling niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

in reconventie

4.21.

[persoon 2] stelt dat zij nog € 24.728,39 van [persoon 1] en € 48.800,00, vermeerderd met een kilometervergoeding van € 282,20, van [bedrijf 1] tegoed heeft wegens werkzaamheden en kosten die zij niet eerder bij hen in rekening heeft gebracht. Volgens [persoon 2] ging zij ervan uit dat deze kosten zouden worden verrekend met de nog aan [persoon 1] en [persoon 3] uit te betalen artiestenvergoedingen.

Structurele PR- en mediaondersteuning

4.22.

[persoon 2] stelt dat zij wegens PR en mediaondersteuning nog € 21.224,44 van [persoon 1] en € 29.250,00 van [bedrijf 1] tegoed heeft over de periodes september 2021 tot en met april 2024 respectievelijk 2020 tot en met maart 2024. [persoon 1] en [bedrijf 1] hebben de verschuldigdheid van deze bedragen gemotiveerd betwist. Zij voeren aan dat [persoon 2] niet heeft onderbouwd welke werkzaamheden zijn verricht, op grond van welke afspraak zij daarvoor een afzonderlijke vergoeding verschuldigd zouden zijn en dat deze werkzaamheden buiten de overeengekomen agency fee vielen. Ook de hoogte van de bedragen is niet onderbouwd. Facturen, specificaties of een berekening ontbreken. Verder wijzen [persoon 1] en [bedrijf 1] erop dat [persoon 2] gedurende de betreffende periodes nooit aanspraak heeft gemaakt op een afzonderlijke vergoeding en dat een deel daarvan sowieso verjaard is.

4.23.

De rechtbank is met [persoon 1] en [bedrijf 1] van oordeel dat [persoon 2] onvoldoende aan haar stelplicht heeft voldaan. [persoon 2] heeft niet concreet gesteld welke PR en mediawerkzaamheden zijn verricht, tegen welk tarief en op grond van welke afspraak daarvoor - bovenop de agency fee - een aanvullende vergoeding verschuldigd was. Daarmee is evenmin inzichtelijk gemaakt hoe [persoon 2] tot bedragen van € 21.224,44 respectievelijk € 28.250,00 komt. De gevorderde vergoedingen voor PR- en mediaondersteuning zullen daarom worden afgewezen. Daar komt nog bij dat [persoon 2] gedurende de gehele periode waarop deze werkzaamheden betrekking zouden hebben nooit aanspraak heeft gemaakt op enige vergoeding. [persoon 1] en [bedrijf 1] hoefden er daarom redelijkerwijs niet op bedacht te zijn dat [persoon 2] daarvoor jaren later, bovenop de overeengekomen fee, nog een aanvullende vergoeding in rekening zou brengen.

Overige posten

4.24.

Hetzelfde geldt voor de overige door [persoon 2] opgevoerde posten. Deze hebben ten aanzien van [persoon 1] onder meer betrekking op een fotoshoot, het ontwerpen van een flyer en social media content, vliegtickets, een brainstormsessie, preproductie/ coördinatie van een showdag en de ontwikkeling van een film. Ten aanzien van [bedrijf 1] gaat het volgens [persoon 2] onder meer om kosten in verband met een introductieweek en masterclass, preproductie/productie van een theatervoorstelling, crisismanagement rondom een stalker en een kilometervergoeding.

4.25.

Ook ten aanzien van al deze posten heeft [persoon 2] onvoldoende gesteld welke werkzaamheden of kosten zijn gemaakt, op grond van welke afspraak [persoon 1] dan wel [bedrijf 1] daarvoor afzonderlijk zou moeten betalen, dat deze kosten buiten de overeengekomen fee vielen en hoe de gevorderde bedragen zijn opgebouwd. In het geheel is niet gesteld of gebleken dat afspraken zijn gemaakt over aanvullende werkzaamheden of kosten, de daarvoor geldende tarieven en de wijze waarop deze in rekening zouden worden gebracht. Voor zover al aanvullende werkzaamheden zijn verricht of kosten zijn gemaakt, is daarmee dus nog niet gegeven dat daarvoor een afzonderlijke vergoeding verschuldigd was. Ook hier geldt dat [persoon 1] en [bedrijf 1] er, mede gelet op het uitblijven van eerdere aanspraken, redelijkerwijs niet op bedacht hoefden te zijn dat daarvoor alsnog een vergoeding zou worden gevraagd. Daar komt bij dat tegen verschillende posten, waaronder de kosten van de fotoshoot en de vliegtickets van [persoon 1] , ook inhoudelijk en met stukken onderbouwd verweer is gevoerd. Ook om die reden kunnen deze posten niet worden toegewezen.

4.26.

Nu [persoon 2] niet aan haar stelplicht heeft voldaan en de door haar wel summier met producties onderbouwde posten (zoals bijvoorbeeld de fotoshoot en vliegtickets van [persoon 1] ) gemotiveerd zijn betwist, wordt aan bewijslevering niet toegekomen.

Proceskosten

4.27.

[persoon 2] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) in reconventie betalen. De proceskosten van [persoon 1] en [bedrijf 1] worden begroot op:

- salaris advocaat

€

2.580,00

(2 punten × € 1.290,00)

- nakosten

€

148,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

2.728,00

4.28.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

veroordeelt [persoon 2] om aan [persoon 1] te betalen een bedrag van € 43.805,61 aan artiestenvergoedingen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, met ingang van 24 oktober 2025 tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt [persoon 2] om aan [persoon 1] te betalen een bedrag van € 1.213,06 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [persoon 2] om aan [bedrijf 1] te betalen een bedrag van € 40.474,50 (inclusief btw) aan artiestenvergoedingen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW, met ingang van 10 juni 2025 tot de dag van volledige betaling,

5.4.

veroordeelt [persoon 2] om aan [bedrijf 1] te betalen een bedrag van € 1.179,75 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.5.

veroordeelt [persoon 2] om aan [persoon 1] en [bedrijf 1] te betalen een bedrag van € 2.470,83 aan beslagkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de veertiende dag na dit vonnis, tot de dag van volledige betaling,

5.6.

veroordeelt [persoon 2] in de proceskosten in conventie van € 5.411,83,

5.7.

veroordeelt [persoon 2] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten in conventie als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

5.8.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.9.

wijst de vorderingen van [persoon 2] af,

5.10.

veroordeelt [persoon 2] in de proceskosten in reconventie van € 2.728,00,

5.11.

veroordeelt [persoon 2] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten in reconventie als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

in conventie en in reconventie

5.12.

veroordeelt [persoon 2] tot betaling van € 98,00 plus de kosten van betekening als [persoon 2] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de veroordelingen heeft voldaan en het vonnis daarna wordt betekend,

5.13.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, met uitzondering van 5.8. en 5.9.

Dit vonnis is gewezen door mr. De Vlieger en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2026.