Civiel recht overig
Kort geding. Verstekvonnis. Gedaagde is een ontbonden vennootschap. Opheffing executoriaal beslag
Rechtbank Den Haag, 24 september 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:29195 · Rechtbank Den Haag · 24 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/civiel-recht/civiel-recht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-29195
Zaakgegevens
Op 24 september 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 24 september 2026
- Datum publicatie
- 2 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/09/711762 / KG ZA 26-938
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. M.C. Veltkamp-van Paassen
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:29195
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Kort geding. Verstekvonnis. Gedaagde is een ontbonden vennootschap. Opheffing executoriaal beslag
Uitspraak
Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/711762 / KG ZA 26-938
Vonnis in kort geding van 24 september 2026
in de zaak van
[eiseres] te [woonplaats] ,
eiseres,
advocaat: mr. M.C. Veltkamp-van Paassen,
tegen:
UP 2 DATE B.V., zonder bekend vestigings- of kantooradres binnen Nederland of daarbuiten,
gedaagde,
niet verschenen.
1 De procedure
Eiseres heeft de dagvaarding doen uitbrengen op 2 september 2026. Het exploot van dagvaarding van 2 september 2026 (hierna ‘het eerste exploot’) is door de deurwaarder achtergelaten in een gesloten envelop op het adres [adres 1] . In het exploot is met betrekking tot gedaagde verder vermeld ‘voorheen ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel onder nummer [nummer] ’.
Gedaagde is door middel van het eerste exploot gedagvaard om te verschijnen ter zitting van de voorzieningenrechter op 16 september 2026, om 9.00 uur. Gedaagde is daar niet verschenen.
In het eerste exploot is vermeld dat uit onderzoek is gebleken dat de inschrijving van gedaagde in de registers van de Kamer van Koophandel per 11 januari 2011 door opheffing van de vestiging is doorgehaald en dat de onderneming van gedaagde per 12 april 2017 is uitgeschreven uit het handelsregister. De advocaat van eiseres heeft in het eerste exploot toegelicht dat er een e-mailbericht is gestuurd naar het in het handelsregister vermelde e-mailadres van gedaagde ‘ [e-mailadres 1] ’ en dat de advocaat van eiseres op 25 augustus 2026 telefonisch heeft gesproken met een administratiekantoor in [plaats 1] , de huidige gebruiker van het e-mailadres, die dat adres tien jaar geleden heeft gekocht. Verder is in het eerste exploot vermeld dat er op 26 en 27 augustus 2026 een e-mail is gestuurd naar het e-mailadres ‘ [e-mailadres 2] ’, dat volgens het internet toebehoort aan twee dames die uitjes organiseren voor stellen, maar dat ook daarop geen reactie is gekomen. In het eerste exploot is daarnaast uiteengezet dat het in het handelsregister vermelde telefoonnummer van gedaagde is afgesloten en dat op aangetekend verzonden brieven aan zowel het feitelijke adres als het postbusadres van gedaagde, zoals vermeld in het handelsregister, geen reactie is gekomen. Ten slotte is in dat exploot vermeld dat het deurwaarderskantoor [deurwaarderskantoor 1] , dat ten behoeve van gedaagde en ten laste van eiseres executoriaal beslag heeft gelegd op het appartement van eiseres aan de [adres 2] te [plaats 2] (hierna ‘het appartement’), in 2017 in staat van faillissement is verklaard en dat deurwaarder [naam], die op het exploot van executoriale beslaglegging als deurwaarder is vermeld, sinds 2016 is geschorst.
Uit de in 1.3. vermelde gang van zaken blijkt genoegzaam dat de advocaat van eiseres in voldoende mate heeft getracht om in contact te komen met (een rechtsopvolger van) gedaagde, dat de onderneming van gedaagde inmiddels is ontbonden (en als gevolg daarvan in 2017 is uitgeschreven uit het handelsregister) en dat gedaagde niet langer is gevestigd op het in het handelsregister vermelde adres. Vast staat dat het eerste exploot wel op dat adres is betekend.
Tijdens de mondelinge behandeling op 16 september 2026 heeft de voorzieningenrechter meegedeeld dat geen verstek tegen de niet verschenen gedaagde kan worden verleend, omdat de betekening van het eerste exploot niet op de in de wet voorgeschreven wijze heeft plaatsgevonden. Daarbij heeft de voorzieningenrechter gewezen op artikel 54 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Daarin is (samengevat) bepaald dat in gevallen waarin een (ontbonden) vennootschap geen bekende woonplaats of werkelijk verblijf (meer) heeft en er evenmin een bestuurder of vereffenaar is van wie een woonplaats of werkelijk verblijf bekend is, het exploot betreffende een te voeren procedure moet worden betekend aan het parket van de ambtenaar van het openbaar ministerie bij het gerecht waar de zaak moet dienen of dient, waarbij ook zo spoedig mogelijk een uittreksel van dat exploot bekend moet worden gemaakt in de Staatscourant.
Vervolgens heeft de voorzieningenrechter de advocaat van eiseres in de gelegenheid gesteld om overeenkomstig artikel 54 Rv een tweede exploot te doen betekenen, waarin gedaagde wordt opgeroepen om te verschijnen op de voortgezette mondelinge behandeling van het kort geding op 23 september 2026 om 9.00 uur, waarbij de voorzieningenrechter verlof heeft verleend om gedaagde op verkorte termijn te dagvaarden.
Op 16 september 2026 heeft de deurwaarder ‘ter rectificatie doch onder uitdrukkelijke handhaving van het exploot van dagvaarding in kort geding d.d. 2 september 2026’ een exploot aan gedaagde betekend door achterlating op het adres van het parket van de ambtenaar van het openbaar ministerie bij de rechtbank Den Haag (hierna ‘het tweede exploot’). In het tweede exploot is gedaagde opgeroepen ‘Om op 23 september 2026 om 9.00 uur, in persoon of bij advocaat, te verschijnen ter terechtzitting van de Rechtbank Den Haag, alsdan en aldaar gehouden wordende in het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 aldaar’. Verder is in de Staatscourant van 22 september 2026 een publicatie opgenomen met betrekking tot het uitbrengen van het tweede exploot, waarbij is vermeld dat een afschrift daarvan te verkrijgen is bij [deurwaarderskantoor 2] te [plaats 2] .
Op 23 september 2026 heeft de voortgezette mondelinge behandeling plaatsgevonden. Eiseres heeft ter zitting bij de in het eerste exploot opgenomen eis volhard. De voorzieningenrechter heeft geconstateerd dat gedaagde, die door middel van het tweede exploot behoorlijk is opgeroepen, niet ter zitting is verschenen. Tegen gedaagde is verstek verleend.
2 De beoordeling van het geschil
Eiseres heeft vorderingen ingesteld zoals opgenomen in de dagvaarding. Er is geen verweer gevoerd. De vorderingen zijn daarom toewijsbaar, tenzij deze de voorzieningenrechter ongegrond of onrechtmatig voorkomen. Daarbij zal de voorzieningenrechter haar beslissing baseren op de bij dagvaarding gestelde feiten, omdat deze niet zijn weersproken. Gelet hierop oordeelt de voorzieningenrechter als volgt.
Het primair gevorderde komt de voorzieningenrechter onrechtmatig noch ongegrond voor. Voor dat oordeel is het volgende redengevend.
Eiseres heeft toegelicht dat zij het appartement heeft verkocht en dat zij in het kader van de levering daarvan is gestuit op een door gedaagde op 6 mei 2009 ten laste van eiseres gelegd executoriaal beslag op het appartement op grond van een vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 14 januari 2009 (hierna ‘het vonnis’). Eiseres heeft daarbij gesteld dat zij niet van het vonnis op de hoogte was en evenmin van het gelegde executoriale beslag. Eiseres heeft voldoende onderbouwd dat haar advocaat navraag heeft gedaan bij Team Kanton van deze rechtbank en daarbij heeft verzocht om een afschrift van de dagvaarding die ten behoeve van de procedure bij de kantonrechter is uitgebracht. Volgens de advocaat van eiseres heeft zij dit afschrift niet ontvangen maar heeft een medewerking van de griffie van Team Kanton wel bevestigd dat eiseres door de kantonrechter bij verstek is veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 550 aan gedaagde.
Eiseres heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij er een groot belang bij heeft dat het executoriale beslag wordt opgeheven, zodat zij het appartement aan de kopers kan leveren. Verder heeft eiseres voldoende toegelicht dat er sinds het leggen van het executoriale beslag geen verdere maatregelen tot tenuitvoerlegging van het vonnis door gedaagde zijn genomen, dat gedaagde inmiddels uit het handelsregister is uitgeschreven en dat de in 1.3. beschreven pogingen om met (een rechtsopvolger van) gedaagde in contact te komen niets hebben opgeleverd. Tegen die achtergrond moet het er naar het oordeel van de voorzieningenrechter voor worden gehouden dat gedaagde is ontbonden en dat zij een eventuele vordering op eiseres heeft prijsgegeven. In aanmerking genomen het zwaarwegende belang van eiseres bij opheffing van het executoriale beslag op het apprtement is de primaire vordering die strekt tot opheffing van dat beslag voor toewijzing vatbaar. Datzelfde geldt voor de primair gevorderde bepaling dat dit vonnis in de plaats treedt van de machtiging tot doorhaling van het executoriale beslag in de registers van het Kadaster, met dien verstande dat die doorhaling op grond van artikel 513a aanhef en tweede lid Rv in verbinding met artikel 3:29 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek pas werking heeft als dit vonnis in kracht van gewijsde is gegaan.
Het voorgaande betekent dat het primair gevorderde wordt toegewezen zoals is uitgewerkt in de beslissing.
Gedaagde is in het ongelijk gesteld en zij moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van eiseres worden begroot op:
|
- dagvaarding |
€ |
155,63 |
|||
|
- griffierecht |
€ |
341,00 |
|||
|
- salaris advocaat |
€ |
760,00 |
|||
|
- nakosten |
€ 189,00 |
(plus de in de beslissing vermelde verhoging) |
|||
|
Totaal |
€ |
1.445,63 |
3 De beslissing
De voorzieningenrechter:
heft het op 6 mei 2009 door gedaagde gelegde executoriale beslag op het appartement, gelegen aan de [adres 2] te [plaats 2] , kadastraal bekend gemeente [kadastraal kenmerk] op en bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de machtiging tot doorhaling van het executoriaal beslag in de registers van het Kadaster, met dien verstande dat die doorhaling pas werking heeft als dit vonnis in kracht van gewijsde is gegaan;
veroordeelt gedaagde in de proceskosten, die aan de zijde van eiseres zijn begroot op € 1.445,63, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als gedaagde niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet gedaagde € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.F. Hesselink en in het openbaar uitgesproken op 24 september 2026.
mvt