Insolventierecht
WSNP-verzoek. Behandeling na intreden faillissementstoestand. Behandeling hoger beroep tegen…
Rechtbank Den Haag, 5 maart 2013
ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ5334 · Rechtbank Den Haag · 5 maart 2013
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/civiel-recht/insolventierecht/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbdha-2013-bz5334
Zaakgegevens
Op 5 maart 2013 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 5 maart 2013
- Datum publicatie
- 8 april 2013
- Zaaknummer
- C/09/437769/FT-RK 13.493
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Insolventierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. M. de Boorder te Den Haag
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ5334
Samenvatting
WSNP-verzoek. Behandeling na intreden faillissementstoestand. Behandeling hoger beroep tegen faillissementsvonnis geschorst voor beslissing op WSNP-verzoek. Hoger beroep tegen faillissementsvonnis geen schorsende werking; faillissementstoestand duurt voort. Enkel omzettingsverzoek mogelijk (HR 29 januari 2010, LJN BK4947). Verzoeker niet-ontvankelijk. Art. 4 Fw.
Uitspraak
rekestnummer: C/09/437769/FT-RK 13.493
nummer verklaring: NDL0111300029
uitspraakdatum: 5 maart 2013
RECHTBANK DEN HAAG
team Insolventies - meervoudige kamer
[verzoeker],
wonende te [adres]
[woonplaats en postcode],
advocaat: mr. M. de Boorder te Den Haag
verzoeker,
heeft op 13 februari 2013 een verklaring ex artikel 285 van de Faillissementswet (Fw.) met bijlagen ingediend, strekkende tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Op 2 januari 2013 heeft deze rechtbank verzoeker in staat van faillissement verklaard. Tegen dit vonnis heeft verzoeker bij het gerechtshof Den Haag hoger beroep ingesteld. Het hof heeft de behandeling van het hoger beroep bij arrest van 19 februari 2013 geschorst totdat bij in kracht van gewijsde gegane uitspraak is beslist op het door verzoeker bij de rechtbank Den Haag ingediende verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Ten aanzien van het verzoekschrift overweegt de rechtbank als volgt.
In het arrest van 29 januari 2010 (LJN: BK4947) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een natuurlijke persoon ten aanzien van wie de faillietverklaring is verzocht, een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling bij de rechtbank kan indienen zolang de behandeling van het faillissementsverzoek nog niet is gesloten, met dien verstande dat zulks ook mogelijk is indien het faillissementsverzoek, nadat het door de rechtbank is afgewezen, in hoger beroep wordt behandeld. Is echter eenmaal het faillissement uitgesproken, dan kan de schuldenaar - ook indien hij hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis tot faillietverklaring - nog slechts binnen de in artikel 15b Fw. vermelde grenzen om toepassing van de schuldsaneringsregeling verzoeken (vergelijk HR 18 februari 2000, LJN: AA4878).
In onderhavig geval heeft verzoeker tijdens de behandeling van het faillissementsrekest op 4 december 2012 de rechtbank subsidiair verzocht om toelating tot de schuldsaneringsregeling. Het 'verzoek- schrift' bestond op dat moment uit niet meer dan het zinnetje in het verweerschrift: "Subsidiair dient Rijgersberg een schuldsaneringsverzoek in." en een bijlage, model 'verzoekschrift toepassing Wsnp', waarin de adresgegevens van de rechtbank zijn ingevuld, een woonplaats en een datum is vermeld en een handtekening is gezet. Bij 'Bijlagen' is een pijltje gezet met het woord 'volgt'. Op geen van de aangegeven plaatsen noch ergens anders in het model is de naam van enige verzoeker ingevuld. Voorts is niet gebleken is dat dat stuk als zodanig ook daadwerkeljik bij de rechtbank is ingediend op de wijze zoals vermeld in artikel 3.1.1.2 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken.
De rechtbank begrijpt uit het proces-verbaal van de zitting van 18 december 2012 - en uit het vonnis van 2 januari 2013 - dat door Rijgersberg op die vervolgzitting in het geheel niet meer over een verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling is gerept, laat staan dat het op enige wijze is aangevuld.
Op 13 februari 2013 zijn een zogenaamde 285-verklaring, gedateerd 6 februari 2013, en aanvullende stukken bij de rechtbank ingediend door middel van toezending per post.
De rechtbank zal uitvoering geven aan de beslissing van het hof om op het verzoek tot toelating te beslissen. De rechtbank begrijpt het arrest van het hof zo, dat moet worden uitgegaan van het verzoekschrift, zoals dat later is aangevuld.
De rechtbank heeft het bij verweerschrift van 3 december 2012 overleggen van eerderbedoeld stuk kennelijk niet aangemerkt als het indienen van een verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Wat daar verder ook van zij, op 2 januari 2013 heeft de rechtbank verzoeker in staat van faillissement verklaard. Dit vonnis is, niettegenstaande enige daartegen gerichte voorziening, bij voorraad uitvoerbaar (art. 4, vierde lid, Fw.). Een hoger beroep heeft dan ook geen schorsende werking en doet niet af aan faillissementstoestand van verzoeker.
Nu het verzoek wordt beoordeeld nadat het faillissement van verzoeker is uitgesproken en de faillissementstoestand van verzoeker nog voortduurt, geldt onverkort hetgeen door de Hoge Raad bij voormeld arrest is overwogen en beslist, zodat - vanwege de faillissementstoestand van verzoeker - toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling niet meer kan worden bewerkstelligd door middel van een 'regulier' verzoek op grond van artikel 284 Fw. Dit zou slechts anders kunnen zijn indien het faillissement zou zijn vernietigd of op andere wijze geëindigd.
Bij de huidige stand van zaken is verzoeker voor eventuele toelating tot de schuldsaneringsregeling aangewezen op het bepaalde in artikel 15b Fw. Het onderhavige verzoek kan evenwel niet als een zodanig verzoek worden aangemerkt.
De rechtbank beslist derhalve als volgt.
BESLISSING
De rechtbank verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek.
Gewezen door mr. G.H.M. Smelt, mr. R. Cats en mr. M.M.F. Holtrop, rechters, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 maart 2013 in tegenwoordigheid van mr. S.A. Achaibersing, griffier.