Insolventierecht

WHOA. Verlenging afkoelingsperiode.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 3 september 2026

Zaakgegevens

Op 3 september 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
3 september 2026
Datum publicatie
7 oktober 2026
Zaaknummer
C/02/451534 HO RK 26-294
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:9676
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

WHOA. Verlenging afkoelingsperiode.

Uitspraak

beschikking

Rechtbank Zeeland-west-brabant

Cluster III Insolventie en kanton beheerszaken – meervoudige kamer

Zittingsplaats Breda

afkondigen verlenging afkoelingsperiode

rekestnummer: C/02/451534 HO RK 26-294

uitspraakdatum: 3 september 2026

beschikking op het ingekomen verzoekschrift ex artikel 376 Faillissementswet (Fw) in de besloten akkoordprocedure van:

[verzoekster] B.V.

statutair gevestigd te [plaats 1] , kantoorhoudende te [plaats 2] ,

hierna te noemen: [verzoekster] ,

advocaten: mr. C.R.G. Gäbler en mr. M.L.A. Brick.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken:

- de startverklaringen ex artikel 370 lid 3 Fw, gedeponeerd op 13 maart 2026;

- de beschikkingen van 20 april 2026, waarin een afkoelingsperiode voor de duur van vier maanden is afgekondigd;

- het vonnis van 6 augustus 2026, waarin [verzoekster] niet-ontvankelijk is verklaard in haar verzoek tot homologatie van een akkoord;

- het verzoekschrift met bijlagen van 19 augustus 2026 van [verzoekster] ex artikel 376 lid 5 Fw, waarin [verzoekster] een verlenging van de afkoelingsperiode voor de duur van twee maanden verzoekt.

1.2.

De rechtbank heeft de schuldeisers die tegen het akkoordvoorstel hebben gestemd, als belanghebbenden bij dit verzoek tot verlenging van de afkoelingsperiode aangemerkt. Dit zijn [belanghebbende 1] B.V., [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] .

1.3.

[verzoekster] heeft de belanghebbenden in kennis gesteld van het tijdstip van behandeling van het verzoekschrift, de mogelijkheid om bezwaar te maken tegen het (louter) digitale karakter van de zitting en om hun zienswijze ten aanzien van het verzoekschrift te geven. De rechtbank heeft niets vernomen van de belanghebbenden.

1.4.

Het verzoek is op 28 augustus 2026 ter openbare zitting behandeld en nader toegelicht. Ter zitting zijn, door middel van een online video-verbinding, verschenen en gehoord:

- mr. C.R.G. Gäbler, advocaat van [verzoekster] ,

- mr. M.L.A. Brick, advocaat van [verzoekster] .

1.5.

De rechtbank heeft ter zitting aangegeven over twee weken uitspraak te doen, of zoveel eerder als mogelijk.

2 Het verzoek

2.1.

[verzoekster] verzoekt om verlenging van de reeds afgekondigde afkoelingsperiode ex artikel 376 Fw voor de duur van twee maanden.

2.2.

Hieraan legt [verzoekster] – samengevat – ten grondslag dat ze belangrijke voortgang heeft geboekt in de totstandkoming van het akkoord. [verzoekster] heeft een homologatieverzoek ingediend. [verzoekster] is bij vonnis van 6 augustus niet-ontvankelijk verklaard in dat verzoek. [verzoekster] is voornemens om het homologatieverzoek aan te passen om de door de rechtbank gesignaleerde gebreken te repareren en een vernieuwd homologatieverzoek aan de rechtbank ter beoordeling voor te leggen, dan wel het akkoord opnieuw ter stemming voor te leggen aan de schuldeisers.

2.3.

Voor de vereisten van artikel 376 lid 4 Fw verwijst [verzoekster] naar het verzoekschrift dat ten grondslag lag aan het eerste verzoek tot toewijzing van een afkoelingsperiode. [verzoekster] betoogt verder dat de noodzaak voor een afkoelingsperiode nog steeds aanwezig is, nu [belanghebbende 1] B.V. tegen het akkoord heeft gestemd en [verzoekster] vreest dat zij haar rechten zeker wil stellen door het aanvragen van het faillissement en/of door het leggen van beslag naar aanleiding van het gewezen (verstek)vonnis. [verzoekster] vreest ook dat de twee andere schuldeisers die tegen het akkoord hebben gestemd, hun rechten zullen willen veiligstellen. [verzoekster] voert aan dat de gezamenlijke schuldeisers niet gebaat zijn bij een faillissement en beter af zullen zijn bij het slagen van de WHOA-procedure.

3 De beoordeling

Rechtsmacht en bevoegdheid

3.1.

Nu de rechtbank zich in het kader van deze akkoordprocedure buiten faillissement eerder (relatief) bevoegd heeft verklaard, is zij gelet op artikel 369 lid 8 Fw eveneens bevoegd kennis te nemen van het voorliggende verzoek.

Verlenging afkoelingsperiode

3.2.

[verzoekster] heeft tijdig, dat wil zeggen vóórdat de lopende afkoelingsperiode was verstreken, om verlenging van de afkoelingsperiode verzocht. Zij is dan ook ontvankelijk in haar verzoek.

3.3.

Ingevolge artikel 376 lid 5 Fw dient de rechtbank thans te beoordelen of aannemelijk is gemaakt dat belangrijke voortgang is geboekt bij de totstandkoming van het akkoord. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is, nu [verzoekster] eerder een verzoek tot homologatie heeft ingediend. Uit het verzoekschrift en hetgeen mrs. Gäbler en Brick op zitting hebben toegelicht, blijkt voorts dat [verzoekster] voornemens is om op zeer korte termijn een vernieuwd homologatieverzoek bij de rechtbank in te dienen.

3.4.

De rechtbank moet ook beoordelen of aannemelijk is gemaakt of (nog steeds) is voldaan aan de vereisten van artikel 376 lid 4 Fw. De rechtbank is van oordeel dat nog altijd is voldaan aan de vereisten van artikel 374 lid 4 Fw. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

3.5.

Bij de behandeling van het verzoek is summierlijk gebleken dat verlenging van de afkoelingsperiode noodzakelijk is om de door [verzoekster] gedreven onderneming door middel van een akkoord gecontroleerd af te kunnen wikkelen. [belanghebbende 1] B.V. heeft immers nog steeds een executoriale titel. Dat een faillissement onafwendbaar is als de huidige akkoordpoging wordt doorkruist door individuele verhaalsacties, is niet anders dan ten tijde van de eerste afkondiging van de afkoelingsperiode.

3.6.

Ook is summierlijk gebleken dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat de belangen van de gezamenlijke schuldeisers van [verzoekster] bij een afkoelingsperiode zijn gediend. Uit de onderbouwde stellingen van [verzoekster] volgt dat – indien het akkoord slaagt – er een hogere uitkering aan schuldeisers zal volgen dan in geval van een faillissement.

3.7.

[verzoekster] heeft bovendien verklaard en onderbouwd dat zij haar lopende verplichtingen kan voldoen gedurende de komende twee maanden. Daarnaast verwacht [verzoekster] , blijkens haar liquiditeitsbegroting, dat nog ongeveer € 1.500,- per week aan debiteurenbetalingen zullen worden ontvangen. Voor zover [verzoekster] hiermee inteert op het beschikbare actief, wordt dit gecompenseerd door het bedrag dat de holding voor het akkoord ter beschikking zal stellen. Tot slot wordt de licht oplopende intercompany-vordering onder het akkoord niet meer betaald. De rechtbank is van oordeel dat mede hierom redelijkerwijs valt aan te nemen dat de schuldeisers niet wezenlijk in hun belangen worden geschaad.

3.8.

De rechtbank zal het verzoek tot verlenging van de afkoelingsperiode toewijzen.

4 De beslissing

De rechtbank:

- verlengt de bij beschikkingen van deze rechtbank van 20 april 2026 afgekondigde afkoelingsperiode met twee maanden, tot in totaal zes maanden.

Deze beschikking is gegeven door mr. Leppens, voorzitter, mr. Ebben en mr. Nederhoed, rechters, en in aanwezigheid van mr. De Ronde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 3 september 2026.

De griffier is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.