Insolventierecht

WHOA. Homologatie akkoord.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 29 september 2026

Zaakgegevens

Op 29 september 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
29 september 2026
Datum publicatie
7 oktober 2026
Zaaknummer
C/02/452028 HO RK 26-320 (E)
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:9679
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

WHOA. Homologatie akkoord.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Cluster III Insolventie en kanton beheerszaken – meervoudige kamer

Zittingsplaats Breda

verzoek tot homologatie van een akkoord

rekestnummer: C/02/452028 HO RK 26-320

uitspraakdatum: 29 september 2026

Vonnis op het ingekomen verzoekschrift ex artikel 383 lid 1 Faillissementswet (Fw) in de besloten akkoordprocedure buiten faillissement, van:

[verzoekster] B.V.

statutair gevestigd te [plaats 1] , kantoorhoudende te [plaats 2] ,

hierna te noemen: [verzoekster] ,

advocaten: mr. C.R.G. Gäbler en mr. M.L.A. Brick.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken:

- de startverklaringen ex artikel 370 lid 3 Fw, gedeponeerd op 13 maart 2026;

- de beschikkingen van 20 april 2026, waarin een afkoelingsperiode voor de duur van vier maanden is afgekondigd;

- het stemverslag met bijlagen ex artikel 382 Fw, gedeponeerd op 21 juli 2026;

- het verzoekschrift met bijlagen van 21 juli 2026 van [verzoekster] ex artikel 383 lid 1 Fw, waarin [verzoekster] verzoekt om homologatie;

- de beschikking van 22 juli 2026, dagbepaling behandeling homologatie;

- de nadere stukken en beantwoording van vragen door [verzoekster] naar aanleiding van de aan [verzoekster] door de rechtbank toegestuurde zittingsagenda;

- het vonnis van 6 augustus 2026, waarin [verzoekster] niet-ontvankelijk in haar verzoek tot homologatie van het akkoord is verklaard;

- de beschikking van 3 september 2026, waarin de afgekondigde afkoelingsperiode met twee maanden is verlengd;

- het hernieuwde verzoekschrift met bijlagen van 4 september 2026 van [verzoekster] ex artikel 383 lid 1 Fw, waarin [verzoekster] (nogmaals) verzoekt om homologatie;

- de beschikking van 8 september 2026, dagbepaling behandeling homologatie;

- de aanvulling op bijlage 14 bij het verzoekschrift van [verzoekster] , vanwege het wegvallen van een deel van de aan de rechtbank gezonden digitale versie van deze bijlage, ontvangen op 21 september 2026.

1.2.

De rechtbank heeft bij beschikking van 8 september 2026 de behandeling van het ingediende verzoek bepaald op 21 september 2026 en de stemgerechtigde schuldeisers de mogelijkheid geboden een afwijzingsverzoek in te dienen. [verzoekster] heeft de stemgerechtigde schuldeisers in kennis gesteld van de gegeven beschikking. De rechtbank heeft geen afwijzingsverzoeken ontvangen.

1.3.

Het verzoek is op 21 september 2026 middels een online videoverbinding behandeld en nader toegelicht. Daarbij zijn verschenen en gehoord:

namens [verzoekster] :

- de heer [persoon 1] , werkzaam bij [holding] , adviseur van [verzoekster] ;

- mr. C.R.G. Gäbler, advocaat van [verzoekster] ;

- mr. M.L.A. Brick, advocaat van [verzoekster] ;

namens de ontvanger van de Belastingdienst:

- mevrouw mr. [persoon 2] ;

- de heer [persoon 3] .

1.4.

De rechtbank heeft ter zitting aangegeven over twee weken uitspraak te doen, of zoveel eerder als mogelijk.

2 De feiten

2.1

De rechtbank gaat uit van de navolgende feiten.

2.2

[verzoekster] is een [bedrijfsomschrijving] . Als gevolg van de coronapandemie heeft zij een aantal jaren een omzetverlies van zo'n 17% geleden. Daarnaast heeft [verzoekster] veel moeten investeren in aanpassingen voor het verantwoord [bedrijfsactiviteiten] . De bank was voor deze investeringen niet bereid om een krediet te verstrekken. [verzoekster] heeft de investeringen vanuit haar eigen werkkapitaal gefinancierd. Omdat de marges onder druk staan, is het niet mogelijk gebleken om de investeringen terug te verdienen. Prognoses laten zien dat de kostprijs voor de omzet te hoog is en er dus geen levensvatbare businesscase is.

2.3

Een herfinanciering (extern of intern) is niet mogelijk gebleken en een doorstart evenmin. [verzoekster] heeft daarom gekozen voor een liquidatieakkoord in combinatie met een (volledige) reorganisatie van het personeelsbestand. [verzoekster] heeft de WHOA-procedure gebruikt om haar activiteiten te staken en haar onderneming te liquideren en heeft dat in de afgelopen maanden ook gedaan. [verzoekster] heeft het voornemen om de activiteiten te staken en haar onderneming te liquideren van tevoren aan haar schuldeisers meegedeeld.

2.4

[verzoekster] heeft er voor gekozen om de cut-off date te bepalen op 1 februari 2026. De betrokken schuldeisers zijn op 4 februari 2026 geïnformeerd dat alle vorderingen van vóór de cut-off date in het akkoord worden betrokken en dat schulden die na de cut-off date ontstaan integraal worden voldaan.

2.5

[verzoekster] heeft haar liquidatiewaarde en reorganisatiewaarde laten bepalen door [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ). In de rapportage van [bedrijf] wordt gesteld dat de liquidatiewaarde van het actief die in een faillissement kan worden gerealiseerd € 300.361,00 (going concern), respectievelijk € 220.361,00 (piecemeal) is. Bij die waardering is nog geen rekening gehouden met kosten die gepaard gaan met het ontruimen van het (gehuurde) bedrijfsterrein en eventuele [extra werkzaamheden] (die daarop in mindering moeten worden gebracht). De reorganisatiewaarde gebaseerd op toekomstige kasstromen na [extra werkzaamheden] bedraagt € 2.756.791,00 negatief.

2.6

[verzoekster] is op 6 augustus 2026 niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek om homologatie van het akkoord. [verzoekster] heeft er bij het voorliggende verzoek voor gekozen om het akkoord niet opnieuw ter stemming te brengen, maar om de op 6 augustus 2026 door de rechtbank geconstateerde ontvankelijkheidsgebreken te repareren.

3 Het akkoord en de stemming

3.1.

[verzoekster] heeft op 29 juni 2026 aan haar schuldeisers een liquidatie akkoord aangeboden. [verzoekster] heeft haar schuldeisers ingedeeld in drie klassen. Klasse I bestaat uit de Belastingdienst vanwege diens preferentie in faillissement. In klasse II zijn de concurrente crediteuren ondergebracht. Ten slotte bestaat klasse III uit aandeelhouders en groepsvennootschappen van [verzoekster] .

3.2.

Het akkoord bevat het volgende aanbod aan de stemgerechtigde schuldeisers en aandeelhouders:

Klasse

Naam

Schuldenlast (€)

Aanbod %

Uitkering (€)

Klasse I

De Belastingdienst

€ 117.972,- +

€ 11.611,- =

€ 118.583,-

55% + 55% op de 29 lid 7 OB claim (de 29 OB claim zal dan maximaal € 22.799 bedragen.

(72,5%)

€ 65.220,64 + € 12.540,- =

€ 77.760,64

Klasse II

(Handels)crediteuren

€ 886.826,77

27,50%

€ 243.877,36

Klasse III

Groepsvennootschappen

€ 1.387.841,03

0%

-

Totaal:

€ 2.393.250,-

€ 321.638,01

3.3.

Een schuldeiser die kwalificeerde als dwangcrediteur omdat zij bepaalde [bedrijfsactiviteiten] in handen heeft en daarnaast een verrekeningspositie heeft, is buiten het akkoord gelaten. Het gaat om een lening voor een bedrag van € 25.000,-.

3.4.

[verzoekster] heeft daarnaast inmiddels haar volledige personeelsbestand gereorganiseerd. De dienstverbanden zijn beëindigd en de loonkosten voor de afvloeiing zijn voldaan. De kosten daarvan zijn op grond van artikel 369 lid 4 Fw buiten het akkoord gehouden.

3.5.

Het akkoord wordt gefinancierd door de (middellijk) aandeelhouder van [verzoekster] , [aandeelhouder] B.V, die het benodigde bedrag na homologatie rechtstreeks zal uitkeren aan de in het akkoord betrokken schuldeisers.

3.6.

De stemgerechtigden konden tot en met 10 juli 2026 stemmen. De uitslag van de stemming is als volgt.

Klasse:

Aantal in klasse:

Aantal voor:

Aantal tegen:

Aantal niet / te laat gestemd:

Percentage voor (binnen stemtermijn):

Na termijn percentage voor:

I

1

-

-

1

-

100%

II

59

47

3

9

97,15%

98,25%

III

3

3

-

-

100%

-

3.7.

De Belastingdienst heeft niet binnen de termijn gestemd, hoewel hij per e-mail van

6 juli 2026 nog aan [verzoekster] had geschreven dat hij binnen de stemtermijn zal reageren. Op 16 juli 2026 heeft de Belastingdienst per e-mail aan [verzoekster] laten weten dat hij vanwege een omstandigheid buiten zijn macht om gelegen niet binnen de termijn een stem heeft uitgebracht. Als de Belastingdienst wel binnen de gestelde termijn zou hebben gestemd, dan zou hij voor het aangeboden akkoord hebben gestemd. Daarbij heeft de Belastingdienst wel de kanttekening gemaakt dat hij akkoord is als met betrekking tot de latente belastingclaim ex artikel 29 lid 7 OB wordt bedoeld dat voor het restant van de OB schuld (na voldoening van het gedeelte onder het akkoord) door de Belastingdienst aan [verzoekster] een ontslag uit de betalingsverplichting wordt verleend. Het meerdere kan niet zoals vermeld in het akkoord als "niet invorderbaar" worden gekwalificeerd nu de gehele schuld bij de overige onderdelen van de Fiscale Eenheid OB kan worden verhaald.

4 Het verzoek

4.1.

[verzoekster] verzoekt de rechtbank over te gaan tot homologatie van het door haar aangeboden akkoord.

5 De beoordeling

Rechtsmacht en bevoegdheid

5.1.

Nu de rechtbank zich in het kader van deze akkoordprocedure buiten faillissement eerder (relatief) bevoegd heeft verklaard, is zij gelet op artikel 369 lid 8 Fw eveneens bevoegd kennis te nemen van het voorliggende verzoek.

Ontvankelijkheid

5.2.

Een homologatieverzoek kan worden ingediend als tenminste één klasse van schuldeisers met het akkoord heeft ingestemd (artikel 383 lid 1 Fw). Indien schuldeisers in het geval van een faillissement van [verzoekster] naar verwachting een uitkering tegemoet kunnen zien (‘in the money’ zijn), moet de instemmende klasse bestaan uit schuldeisers die vallen binnen deze categorie.

5.3.

Bij vonnis van 6 augustus 2026 is [verzoekster] niet-ontvankelijk verklaard, omdat het niet onaannemelijk was dat de Belastingdienst in faillissement een uitkering tegemoet kon zien. Als potentiële in the money klasse had de Belastingdienst daarom tijdig moeten instemmen. De Belastingdienst heeft niet tijdig zijn stem uitgebracht. Na het verstrijken van de stemtermijn heeft de Belastingdienst laten weten dat hij – als hij op tijd zijn stem had uitgebracht – vóór het akkoord zou hebben gestemd.

5.4.

In het verzoekschrift van 4 september 2026 heeft [verzoekster] uiteengezet waarom de Belastingdienst geen in the money schuldeiser is. Zij heeft ter onderbouwing drie scenario’s geschetst op basis van piecemeal, going concern en op basis van de situatie waarin een curator zich in faillissement gedurende tweeënhalve maand bezig houdt met de afwikkeling van de boedel. Uit deze berekeningen blijkt dat de Belastingdienst in geen van de gevallen in the money is. De Belastingdienst deelt dit standpunt. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat de Belastingdienst inderdaad niet in the money is. Daarnaast is er geen andere in the money klasse. De ontvankelijkheidsgebreken die zich ten tijde van het verzoek van 22 juli 2026 voordeden, zijn daarmee niet meer aanwezig. [verzoekster] is ontvankelijk in haar verzoek.

Afwijzingsgronden

5.5.

Ingevolge artikel 384 lid 1 Fw wijst de rechtbank een verzoek tot homologatie toe, tenzij zich één of meer van de afwijzingsgronden als bedoeld in artikel 384 lid 2 tot en met 4 Fw voordoet. Omdat er geen stemgerechtigden zijn die op grond van lid 3 of lid 4 van artikel 384 Fw een verzoek tot afwijzing hebben gedaan, zal de rechtbank het akkoord alleen toetsen aan de algemene afwijzingsgronden van artikel 384 lid 2 Fw.

5.6.

De rechtbank concludeert dat er geen algemene afwijzingsgronden aanwezig zijn. [verzoekster] verkeert in een toestand als bedoeld in artikel 370 lid 1 Fw en er is sprake van een akkoord met bijlagen dat de in de wet voorgeschreven informatie bevat. Het akkoord en de toelichting op het akkoord bevatten de informatie die de stemgerechtigden nodig hebben om zich daarover een geïnformeerd oordeel te kunnen vormen. De stemgerechtigden zijn in de gelegenheid gesteld om nadere informatie te verkrijgen. De stemgerechtigden zijn op de juiste wijze in kennis gesteld van het akkoord en de beschikking dagbepaling behandeling homologatieverzoek. De stemgerechtigden hebben voldoende bedenktijd gehad. De in het akkoord gehanteerde klassenindeling voldoet aan de vereisten van artikel 374 Fw. De stemgerechtigden zijn voor het juiste bedrag toegelaten tot de stemming. Ook is de nakoming van het akkoord voldoende gewaarborgd.

5.7.

Er zijn bovendien geen redenen om aan te nemen dat het akkoord door bedrog, door begunstiging van één of meer stemgerechtigde schuldeisers of aandeelhouders of met behulp van andere oneerlijke middelen tot stand is gekomen. Tot slot zijn er ook geen andere redenen die zich tegen de goedkeuring van het akkoord verzetten. De rechtbank constateert dat de schuldeisers op grond van het akkoord aanzienlijk meer ontvangen dan in faillissement het geval zou zijn.

6 De beslissing

De rechtbank:

- homologeert het door [verzoekster] aangeboden akkoord.

Dit vonnis is gewezen door mr. Leppens, voorzitter, mr. Ebben en mr. Mundt, rechters, en in aanwezigheid van mr. De Ronde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 29 september 2026.

De griffier is buiten staat dit

vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage 10 bij het verzoekschrift. Bijlage 11 bij het verzoekschrift.