Insolventierecht
WHOA. Verzoek homologatie akkoord. Niet-ontvankelijk.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 6 augustus 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:9675 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 6 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/civiel-recht/insolventierecht/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbzwb-2026-9675
Zaakgegevens
Op 6 augustus 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Breda
- Datum uitspraak
- 6 augustus 2026
- Datum publicatie
- 7 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/02/450589 HO RK 26-255 (E)
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Insolventierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2026:9675
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
WHOA. Verzoek homologatie akkoord. Niet-ontvankelijk.
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Cluster III Insolventie en kanton beheerszaken – meervoudige kamer
Zittingsplaats Breda
verzoek tot homologatie van een akkoord
rekestnummer: C/02/450589 HO RK 26-255
uitspraakdatum: 6 augustus 2026
Vonnis op het ingekomen verzoekschrift ex artikel 383 lid 1 Faillissementswet (Fw) in de besloten akkoordprocedure buiten faillissement, van:
[verzoekster] B.V.
statutair gevestigd te [plaats 1] , kantoorhoudende te [plaats 2] ,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
advocaten: mr. C.R.G. Gäbler en mr. M.L.A. Brick.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken:
- de startverklaringen ex artikel 370 lid 3 Fw, gedeponeerd op 13 maart 2026;
- de beschikkingen van 20 april 2026, waarin een afkoelingsperiode voor de duur van vier maanden is afgekondigd;
- het stemverslag met bijlage ex artikel 382 Fw, gedeponeerd op 21 juli 2026;
- het verzoekschrift met bijlagen van 21 juli 2026 van [verzoekster] ex artikel 383 lid 1 Fw;
- de beschikking van 22 juli 2026, dagbepaling behandeling homologatie;
- de nadere stukken en beantwoording van vragen door [verzoekster] naar aanleiding van de aan [verzoekster] door de rechtbank toegestuurde zittingsagenda.
De rechtbank heeft de behandeling van het ingediende verzoek bepaald op 30 juli 2026. Daarbij heeft zij overwogen dat hoewel de Belastingdienst (klasse I) niet binnen de stemtermijn een stem heeft uitgebracht, zij geen observator zal aanstellen. De Belastingdienst heeft namelijk ná de stemtermijn laten weten dat hij vóór het akkoord had gestemd als hij wel tijdig zijn stem had uitgebracht. Alle klassen zijn daarmee feitelijk vóór het akkoord. Toepassing van artikel 383 lid 4 Fw kon daarom in dit geval achterwege blijven, omdat het belang van de niet-instemmende klasse bij aanstelling van een observator, waarin artikel 383 lid 4 Fw voorziet, ontbreekt.
De verzoeken zijn op 30 juli 2026 middels een online videoverbinding in raadkamer behandeld en nader toegelicht. Daarbij zijn via een online videoverbinding verschenen en gehoord:
namens [verzoekster] :
- de heer [persoon 1] , middellijk bestuurder;
- de heer [persoon 2] , werkzaam bij [holding] , adviseur van [verzoekster] ;
- mr. C.R.G. Gäbler, advocaat van [verzoekster] ;
- mr. M.L.A. Brick, advocaat van [verzoekster] ;
namens de ontvanger van de Belastingdienst:
-
de heer [persoon 3] ;
-
mevrouw mr. [persoon 4] ;
namens [bedrijf 1] :
- de heer [persoon 5] , CFO.
2 De feiten
De rechtbank gaat uit van de navolgende feiten, zoals deze mede blijken uit de beslissing van deze rechtbank van 20 april 2026.
[verzoekster] is een [bedrijfsomschrijving] . Als gevolg van de coronapandemie heeft zij een aantal jaren een omzetverlies van zo’n 17% geleden. Daarnaast heeft [verzoekster] veel moeten investeren in aanpassingen voor [bedrijfsactiviteiten] . De bank was voor deze investeringen niet bereid om een krediet te verstrekken. [verzoekster] heeft de investeringen vanuit haar eigen werkkapitaal gefinancierd. Omdat de marges onder druk staan, is het niet mogelijk gebleken om de investeringen terug te verdienen. De cashflowforecast is negatief in die zin dat er in het eerste halfjaar van 2026 al voorzien wordt in een verlies van € 513.907,00. Prognoses laten zien dat de kostprijs voor de omzet te hoog is en er dus geen levensvatbare businesscase is.
Een herfinanciering (extern of intern) is niet mogelijk gebleken en een doorstart evenmin. [verzoekster] heeft daarom gekozen voor een liquidatieakkoord in combinatie met een (volledige) reorganisatie van het personeelsbestand. [verzoekster] heeft de WHOA-procedure gebruikt om haar activiteiten te staken en haar onderneming te liquideren en heeft dat in de afgelopen maanden ook gedaan. [verzoekster] heeft het voornemen om de activiteiten te staken en haar onderneming te liquideren van tevoren aan haar schuldeisers meegedeeld.
[verzoekster] heeft er voor gekozen om de cut-off date te bepalen op 1 februari 2026. De betrokken schuldeisers zijn op 4 februari 2026 geïnformeerd dat alle vorderingen van vóór de cut-off date in het akkoord worden betrokken en dat schulden die na de cut-off date ontstaan integraal worden voldaan.
[verzoekster] heeft haar liquidatiewaarde en reorganisatiewaarde laten bepalen door [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ). In de rapportage van [bedrijf 2] wordt gesteld dat de liquidatiewaarde van het actief die in een faillissement kan worden gerealiseerd € 300.361,00 (going concern), respectievelijk € 220.361,00 (piecemeal) is. Bij die waardering is nog geen rekening gehouden met kosten die gepaard gaan met het ontruimen van het (gehuurde) bedrijfsterrein en eventuele [extra werkzaamheden] (die daarop in mindering moeten worden gebracht). De reorganisatiewaarde gebaseerd op toekomstige kasstromen na [extra werkzaamheden] bedraagt € 2.756.791,00 negatief.
3 Het akkoord en de stemming
[verzoekster] heeft op 29 juni 2026 aan haar schuldeisers een akkoord aangeboden. Het betreft een liquidatieakkoord. [verzoekster] heeft haar schuldeisers ingedeeld in drie klassen. Klasse I bestaat uit de Belastingdienst vanwege diens preferentie in faillissement. In klasse II zijn de concurrente crediteuren ondergebracht. Ten slotte bestaat klasse III uit aandeelhouders en groepsvennootschappen van [verzoekster] .
Het akkoord bevat het volgende aanbod aan de stemgerechtigden schuldeisers en aandeelhouders:
|
Klasse |
Naam |
Schuldenlast (€) |
Aanbod % |
Uitkering (€) |
|
Klasse 1 |
De Belastingdienst |
€ 117.972,- + € 11.611,- = € 118.583,- |
55% + 55% op de 29 lid 2 OB claim (De 29 OB claim zal dan maximaal € 22.799 bedragen. (72,5%) |
€ 65.220,64 + € 12.540,- = € 77.760,64 |
|
Klasse 2 |
(Handels)crediteuren |
€ 886.826,77 |
27,50% |
€ 243.877,36 |
|
Klasse 3 |
Groepsvennootschappen |
€ 1.387.841,03 |
0% |
- |
|
Totaal: |
€ 2.393.250,- |
€ 321.638,01 |
Een schuldeiser die kwalificeerde als dwangcrediteur omdat zij bepaalde [bedrijfsactiviteiten] in handen heeft en daarnaast een verrekeningspositie heeft, is buiten het akkoord gelaten. Het gaat om een lening voor een bedrag van € 25.000,00.
[verzoekster] heeft daarnaast inmiddels haar volledige personeelsbestand gereorganiseerd. De dienstverbanden zijn beëindigd en de loonkosten voor de afvloeiing zijn voldaan. De kosten daarvan zijn op grond van artikel 369 lid 4 Fw buiten het akkoord gehouden.
Het akkoord wordt gefinancierd door de (middellijk) aandeelhouder van [verzoekster] , [aandeelhouder 1] B.V., die het benodigde bedrag na homologatie rechtstreeks zal uitkeren aan de in het akkoord betrokken schuldeisers.
De stemgerechtigden konden tot en met 10 juli 2026 stemmen. De uitslag van de stemming is als volgt.
|
Klasse: |
Aantal in klasse |
Aantal voor: |
Aantal tegen: |
Aantal niet / te laat gestemd: |
Percentage voor (binnen stemtermijn): |
Na termijn percentage voor: |
|
I |
l |
- |
- |
1 |
- |
100 % |
|
II |
59 |
47 |
3 |
9 |
97,15 % |
98,25 % |
|
III |
3 |
3 |
- |
- |
100 % |
- |
De Belastingdienst heeft niet binnen de termijn gestemd, hoewel hij per e-mail van 6 juli 2026 nog aan [verzoekster] had geschreven dat hij binnen de stemtermijn zal reageren. Op 16 juli 2026 heeft de Belastingdienst per e-mail aan [verzoekster] laten weten dat hij vanwege een omstandigheid buiten zijn macht om gelegen niet binnen de termijn een stem heeft uitgebracht. Als de Belastingdienst wel binnen de gestelde termijn zou hebben gestemd, dan zou hij voor het aangeboden akkoord hebben gestemd. Daarbij heeft de Belastingdienst wel de kanttekening gemaakt dat hij akkoord is als met betrekking tot de latente belastingclaim ex artikel 29 lid 7 OB wordt bedoeld dat voor het restant van de OB schuld (na voldoening van het gedeelte onder het akkoord) door de Belastingdienst aan [verzoekster] een ontslag uit de betalingsverplichting wordt verleend. Het meerdere kan niet zoals vermeld in het akkoord als "niet invorderbaar" worden gekwalificeerd nu de gehele schuld bij de overige onderdelen van de Fiscale Eenheid OB kan worden verhaald.
4 Het verzoek
[verzoekster] verzoekt de rechtbank over te gaan tot homologatie van het door haar aangeboden akkoord.
5 De beoordeling
Rechtsmacht en bevoegdheid
Nu de rechtbank zich in het kader van deze akkoordprocedure buiten faillissement eerder (relatief) bevoegd heeft verklaard, is zij gelet op artikel 369 lid 8 Fw eveneens bevoegd kennis te nemen van het voorliggende verzoek.
Ontvankelijkheid
Een homologatieverzoek kan worden ingediend als ten minste één klasse van schuldeisers met het akkoord heeft ingestemd (artikel 383 lid 1 Fw). Indien schuldeisers in het geval van een faillissement van [verzoekster] naar verwachting een uitkering tegemoet kunnen zien (‘in the money’ is), moet de instemmende klasse bestaan uit schuldeisers die vallen binnen deze categorie.
Twee van de drie klassen hebben met het akkoord ingestemd. Klasse I, de Belastingdienst, heeft niet binnen de termijn gestemd. De Belastingdienst heeft wel ná de stemtermijn laten weten dat hij – als hij op tijd zijn stem had uitgebracht – vóór het akkoord zou hebben gestemd. Volgens vaste jurisprudentie wordt een te laat uitgebrachte stem niet meegenomen bij de bepaling of een klasse heeft ingestemd met het akkoord. Dat betekent dat Klasse I niet kan worden aangemerkt als instemmende klasse.
[verzoekster] heeft zich op het standpunt gesteld dat de te late stem van de Belastingdienst niet aan de ontvankelijkheid in de weg staat. Zij wijst er op dat twee van de drie klassen hebben ingestemd en dat er een groot draagvlak bestaat voor het akkoord. Andere schuldeisers worden naar haar mening niet in hun belangen geschaad als de klasse van de Belastingdienst (Klasse I) alsnog zou worden aangemerkt als een instemmende klasse. Verder stelt zij dat geen enkele klasse in the money is. Tijdens de zitting heeft zij toegelicht dat in een faillissement het volledige actief op zou gaan aan de boedelkosten die zullen bestaan uit hoge huurlasten, personeelslasten, het UWV, de kosten van het wegrijden van de voorraad, [extra werkzaamheden] en het salaris van de curator. Geen van de schuldeisers zou dan een uitkering kunnen verwachten. Daarnaast heeft zij op vragen van de rechtbank geantwoord dat [aandeelhouder 2] B.V. en [aandeelhouder 3] B.V., de uiteindelijke indirect aandeelhouders van [verzoekster] , geldleningen hebben verstrekt aan [bedrijf 3] B.V., een andere groepsvennootschap. Onder andere [verzoekster] heeft zich middels een compte joint-overeenkomst hoofdelijk verbonden tot terugbetaling van die lening en een pandrecht (tweede in rang) gevestigd op onder meer haar voorraad en debiteurenvorderingen. Van deze pandrechten wordt, vanwege het akkoord, afstand gedaan. Ter zitting heeft [verzoekster] zich vervolgens op het standpunt gesteld dat vanwege deze pandrechten wellicht uitgekomen kan worden bij een in the money klasse, namelijk klasse III.
De Belastingdienst heeft tijdens de zitting verklaard dat het ongelukkig is dat hij niet op tijd heeft gestemd. De Belastingdienst heeft het akkoord beoordeeld en geconcludeerd dat hij in het geval van faillissement slechter af zou zijn. Door persoonlijke omstandigheden van een van de behandelaren bij de Belastingdienst en vervolgens een interne communicatiefout heeft de Belastingdienst niet op tijd ingestemd. De Belastingdienst heeft de pandaktes gezien. Rekening houdend met gevestigde pandrechten op de voorraad en de debiteuren, en de te verwachten boedelkosten acht de Belastingdienst zichzelf niet in the money. De Belastingdienst heeft echter ook verklaard dat hij zich afvraagt of er daadwerkelijk sprake is van zekerheid van derden, omdat hij niet heeft gezien dat de leningsovereenkomst tot zekerheid waarvan het pandrecht strekt, (in faillissement van verzoekster) opeisbaar is. Als het pandrecht niet kan worden uitgewonnen, is de Belastingdienst naar eigen zeggen wel degelijk in the money.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [verzoekster] haar stellingen over de liquidatiewaarde en de verdeling daarvan, en wat dit betekent voor de ontvankelijkheid van het verzoek, onvoldoende onderbouwd. [verzoekster] is in haar verzoekschrift niet ingegaan op de vraag of zij kan worden ontvangen in haar verzoek. Pas na vragen van de rechtbank die hierover voorafgaand aan de zitting aan [verzoekster] zijn gestuurd, heeft zij haar standpunt ingenomen zoals staat verwoord in randnummer 5.4. Ondanks deze vragen van de rechtbank heeft [verzoekster] het standpunt dat geen van de klassen in the money is vanwege de verwachting dat de boedelkosten de verwachte opbrengsten in faillissement zullen overtreffen, echter niet (cijfermatig) onderbouwd. Op de zitting heeft zij weliswaar enkele voorbeelden gegeven van boedelkosten, maar de rechtbank heeft geen onderbouwd overzicht ontvangen van de geschatte boedelkosten afgezet tegen de verwachte (en op het moment van het in stemming brengen van het akkoord al grotendeels gerealiseerde hogere) liquidatiewaarde. In het akkoord staan de verwachte boedelkosten ook niet genoemd. Daarin staat wel benoemd dat het akkoord in ieder geval voor homologatie aan de rechtbank kan worden voorgelegd als de klasse van de Belastingdienst heeft ingestemd met het akkoord. Dit lijkt erop te wijzen dat [verzoekster] voorshands uitging van de mogelijkheid dat de Belastingdienst in the money is.
Ook de pandrechten die kennelijk op 29 september 2025 zijn gevestigd ten behoeve van de indirect aandeelhouders ( [aandeelhouder 2] B.V. en [aandeelhouder 3] B.V.), zijn niet met name genoemd in het akkoord. De pandhouders zijn andere vennootschappen dan de groepsvennootschappen en aandeelhouder die in Klasse III opgenomen lijken te zijn. Omdat de namen van de desbetreffende groepsentiteiten niet in het stemverslag zijn vermeld, kan dit slechts op basis van andere bijlagen bij het verzoekschrift worden vastgesteld. In de brief aan de schuldeisers van 15 april 2026 is opgenomen dat de schulden die in Klasse III worden gekweten onder het akkoord, vorderingen betreffen van [aandeelhouder 1] B.V, [bedrijf 3] B.V. en [bedrijf 4] B.V. De (vorderingen van de) entiteiten waaraan pandrechten zijn verschaft, zijn dus niet inbegrepen in Klasse III. Alleen al om die reden gaat de stelling van verzoekster dat Klasse III mogelijk ook een in the money klasse is, niet op. De instemming van Klasse III kan het ontvankelijkheidsprobleem dan ook niet helen. Daar komt nog bij dat de pandrechten zijn gevestigd voor een lening aan [bedrijf 3] B.V. (een andere groepsvennootschap), waarvan de hoogte onbekend is. De rechtbank beschikt niet over documentatie van deze financiering en daaraan verbonden pandrechten. De rechtbank kan daarom niet beoordelen hoe hoog de lening is, of de lening opeisbaar is, of en zo ja op welke wijze de indirect aandeelhouders in een faillissement van [verzoekster] over zullen gaan tot uitwinning van deze pandrechten en tot welk bedrag zij gerechtigd zouden zijn tot een opbrengst. De gevolgen van een eventuele uitwinning in faillissement kan zij dus niet beoordelen. Het ontbreekt de rechtbank aan de benodigde informatie.
Op basis van de informatie die de rechtbank wel heeft, is het niet onaannemelijk dat de Belastingdienst in faillissement een uitkering tegemoet kan zien. Als potentiële in the money klasse had de Belastingdienst daarom tijdig moeten instemmen. Nu dat niet is gebeurd, zal de rechtbank zal [verzoekster] niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek.
De rechtbank volgt [verzoekster] daarbij niet in haar standpunt dat zij (toch) ontvankelijk kan worden geacht omdat de belangen van de schuldeisers in dit geval niet worden geschaad als de Belastingdienst alsnog aangemerkt wordt als instemmende klasse. De wet laat het niet toe dat na sluiting van de stemming uitgebrachte stemmen, zowel voor- als tegenstemmen, worden meegenomen bij het bepalen van de vereiste meerderheid voor de aanname van het akkoord. Datzelfde geldt naar het oordeel van de rechtbank voor het ontvankelijkheidsvereiste van artikel 383 lid 1 Fw. Een rekkelijke benadering zou leiden tot onduidelijkheid en daarmee onzekerheid over de vraag wanneer een te late stem toch geldig kan worden geacht (waarmee het speelveld voor de andere schuldeisers potentieel wezenlijk kan veranderen). Het kan ook afbreuk doen aan de mogelijkheid voor schuldeisers om individueel hun positie ten aanzien van de homologatie te bepalen op basis van een gelijk speelveld. Een wijziging van de uitgebrachte stemmen na sluiting van de stemtermijn zou het verslag ex art 382 Fw van enige betekenis ontbloten en zou tot onzekere situaties met betrekking tot de uitslag van de stemming leiden. De rechtbank acht dit onwenselijk. Ten overvloede merkt de rechtbank daarbij op dat in de uitspraak waarnaar [verzoekster] ter onderbouwing van haar standpunt verwijst, de ontvankelijkheid niet ter discussie stond. In die zaak werd de eenzijdige verlenging van de stemtermijn getoetst aan artikel 384 lid 2 sub i Fw. In dat kader spelen de belangen van de schuldeisers een belangrijke rol. Bij het ontvankelijkheidsvereiste van artikel 383 lid 1 Fw wordt enkel getoetst of er een instemmende klasse is en zo ja, of die bestaat uit een in the money klasse, als die er is. De rechtbank ziet geen ruimte om die eis op te rekken, afhankelijk van de individuele omstandigheden die er spelen.
De gevolgen van niet-ontvankelijkheid
De rechtbank merkt op dat zij zich realiseert dat dit voor de schuldeisers die voor het akkoord hebben gestemd (in dit geval een zeer ruime meerderheid) een teleurstellende uitkomst is. Dit geldt ook voor de Belastingdienst, die eveneens van oordeel was dat het akkoord hem meer zou opleveren dan een faillissement. [verzoekster] heeft de Belastingdienst voldoende tijd gegeven om het akkoord te beoordelen. De Belastingdienst is tijdig meegenomen in de voorbereiding van het akkoord en heeft vóór het verlopen van de stemtermijn nog aangegeven dat hij binnen die termijn zijn stem zou uitbrengen. De Belastingdienst dient zich te realiseren én het zich aan te trekken dat te laat stemmen het slagen van akkoorden die zowel in het belang van Belastingdienst als van de overige crediteuren zijn, in gevaar brengt. Ondanks de gebrekkige (cijfermatige) onderbouwing van (onder meer) de boedelkosten en positie van separatisten in het liquidatiescenario, acht de rechtbank in dit geval het voorshands niet onaannemelijk dat het akkoord meerwaarde heeft voor alle schuldeisers die daarin betrokken zijn (met uitzondering van Klasse III, welke schuldeisers hun vorderingen nu juist volledig kwijten om een uitdeling aan andere schuldeisers mogelijk te maken). Dat gegeven kan het gebrek in de (onderbouwing van) de ontvankelijkheid echter niet repareren. De rechtbank merkt op dat het [verzoekster] vrij staat om de hierboven gesignaleerde gebreken zelf alsnog te repareren. Omdat de rechtbank het verzoek niet-ontvankelijk verklaart, geldt artikel 369 lid 5 Fw hier immers niet. Het staat [verzoekster] daarom vrij om een nieuw – nader onderbouwd – verzoek in te dienen dan wel om het akkoord opnieuw in stemming te brengen.
6 De beslissing
De rechtbank:
- verklaart [verzoekster] niet-ontvankelijk in haar verzoek.
Dit vonnis is gewezen door mr. Prenger, voorzitter, mr. De Vos en mr. Nederhoed, rechters, en in aanwezigheid van mr. Martens, griffier, in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2026.
De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.