Insolventierecht

Afwijzing verzoek tot verlenging van de afkoelingsperiode ex artikel 376 lid 5 Fw. Lopende verplichtingen…

Rechtbank Den Haag, 26 juni 2026

Zaakgegevens

Op 26 juni 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
26 juni 2026
Datum publicatie
28 juli 2026
Zaaknummer
C/09/705984 FT RK 26-313 en C/09/705983 FT RK 26-3
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Advocaat
mr. R.R.G.M. van Beurden.
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:21072
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Afwijzing verzoek tot verlenging van de afkoelingsperiode ex artikel 376 lid 5 Fw. Lopende verplichtingen niet voldaan en onvoldoende aannemelijk dat het toekomstperspectief anders zal zijn.

Uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]beschikking

Rechtbank DeN haag

Team Toezicht – meervoudige kamer

verzoek verlenging afkoelingsperiode

rekestnummers: C/09/705984 FT RK 26-313 en C/09/705983 FT RK 26-312

uitspraakdatum: 26 juni 2026

beschikking op het ingekomen verzoekschrift ex artikel 376 Faillissementswet (Fw) in de besloten akkoordprocedure van:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[verzoekster 1] B.V.,

statutair gevestigd te [plaats] ,

en

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[verzoekster 2] B.V.,

statutair gevestigd te [plaats] ,

verzoeksters,

advocaat: mr. R.R.G.M. van Beurden.

1 De procedure

1.1.

Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:

- de beschikking van 7 april 2026 waarin een afkoelingsperiode voor een periode van twee maanden is afgekondigd, ingaande op 7 april 2026, en de daarin genoemde stukken;

- het verzoekschrift met producties van 28 mei 2026, waarin wordt verzocht om de afkoelingsperiode met twee maanden te verlengen;

- de ontbrekende producties bij het deskundigenrapport, ontvangen op 8 juni 2026;

- het definitieve akkoord en deskundigenrapport, een overzicht van de actuele financiële status en een viertal geactualiseerde producties, ontvangen op 11 juni 2026;

- de balans en winst- en verliesrekening, ontvangen op 12 juni 2026.

1.2.

De Staat der Nederlanden (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, Agentschap van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat) en [bedrijfsnaam] B.V. zijn in de gelegenheid gesteld hun zienswijze op het voorliggende verzoek in te dienen en hebben een oproep ontvangen voor de mondelinge behandeling van het verzoek.

1.3.

Het verlengingsverzoek is door middel van een online video-verbinding behandeld op 12 juni 2026. Bij de behandeling zijn verschenen en gehoord:

  • mr. R. van Beurden, advocaat,

  • [naam 1] , indirect bestuurder van verzoeksters,

  • [naam 2] , accountant.

1.4.

De Staat der Nederlanden (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, Agentschap van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat) en [bedrijfsnaam] B.V. zijn zonder bericht niet verschenen en hebben geen zienswijze ingediend of op andere wijze hun standpunt aan de rechtbank kenbaar gemaakt.

1.5.

De rechtbank heeft ter zitting de uitspraak bepaald op uiterlijk 26 juni 2026 met aankondiging dat indien mogelijk de uitspraak bij vervroeging zal worden gedaan.

2 Het verzoek

2.1.

Verzoeksters vragen om verlenging van de afkoelingsperiode voor een periode van twee maanden. Ter onderbouwing van het verzoek hebben zij het volgende aangevoerd.

2.2.

Sinds de afkondiging van de afkoelingsperiode op 7 april 2026 hebben verzoeksters substantiële vooruitgang geboekt in de totstandkoming van een herstructureringsakkoord. Zo hadden verzoeksters, ten tijde van de indiening van het verlengingsverzoek, al de eerste schriftelijke instemmingen met de contouren van het akkoord van enkele schuldeisers ontvangen. Ook hebben er in de afgelopen periode vergevorderde onderhandelingen plaatsgevonden met een familie-schuldeiser over een kwijtschelding van een openstaande vordering van € 235.000. Inmiddels is op 11 juni 2026 het definitieve akkoord ter stemming aan alle belanghebbenden voorgelegd.

2.3.

Verzoeksters stellen verder dat de belangen van de schuldeisers met een verlenging van de afkoelingsperiode gediend zullen zijn. De afkoelingsperiode is essentieel om de dagelijkse exploitatie van het café stabiel te houden, zodat de ondernemingswaarde behouden blijft tijdens de laatste fase van het proces. De onderneming is gedurende de eerste afkoelingsperiode volledig operationeel gebleven en volgens verzoeksters zijn en worden de lopende verplichtingen stipt voldaan. Ook presteert de onderneming zelfs nog beter dan zij verwacht had op basis van de eerder opgestelde prognose.

3 De beoordeling

Rechtsmacht en bevoegdheid

3.1.

Nu de rechtbank zich in het kader van deze akkoordprocedure buiten faillissement eerder (relatief) bevoegd heeft verklaard, is zij gelet op artikel 369 lid 8 Fw eveneens bevoegd kennis te nemen van het voorliggende verzoek.

Verlenging afkoelingsperiode

3.2.

Verzoeksters hebben tijdig, dat wil zeggen vóórdat de lopende afkoelingsperiode was verstreken, om verlenging van de afkoelingsperiode verzocht. Verzoeksters zijn dan ook ontvankelijk in hun verzoek.

3.3.

De rechtbank dient te beoordelen of aannemelijk is gemaakt dat verzoeksters belangrijke vooruitgang hebben geboekt bij de totstandkoming van het akkoord. Naar het oordeel van de rechtbank hebben verzoeksters dit voldoende aannemelijk gemaakt en is daarmee voldaan aan het vereiste uit artikel 376 lid 5 Fw. Verzoeksters hebben het definitieve akkoord met het deskundigenrapport op 11 juni 2026 ter stemming aan alle belanghebbenden voorgelegd en hebben bovendien al enkele (bij voorbaat) voor akkoord getekende stemverklaringen retour ontvangen, waaronder van de belastingdienst die 68% van de totale te herstructureren schuld vertegenwoordigt.

3.4.

Verder dient de rechtbank te beoordelen of verzoeksters (nog steeds) voldoen aan de vereisten van artikel 376 lid 4 Fw. Dat houdt in dat summierlijk moet blijken dat 1) de afkoelingsperiode noodzakelijk is om de onderneming tijdens de voorbereiding van de onderhandelingen over een akkoord te kunnen blijven voortzetten of om de onderneming door middel van een akkoord gecontroleerd te kunnen afwikkelen, 2) dat de belangen van de gezamenlijke schuldeisers bij de afkoelingsperiode gediend zijn en 3) dat de door de afkoelingsperiode getroffen derden niet wezenlijk in hun belangen worden geschaad. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

3.5.

Uit de door verzoeksters aangeleverde cijfers, in het bijzonder de op 12 juni 2026 toegezonden winst- en verliesrekening, en hetgeen ter zitting is besproken, is onvoldoende gebleken dat verzoeksters gedurende een verlenging van de afkoelingsperiode aan hun lopende verplichtingen zullen kunnen voldoen. De liquiditeitsprognoses die bij het eerste verzoek werden ingediend waren al krap, waardoor de rechtbank in haar beschikking van 7 april 2026 uitdrukkelijk heeft overwogen dat verzoeksters bij een eventueel verlengingsverzoek onder meer actuele financiële informatie moesten overleggen die de rechtbank in staat zou kunnen stellen zich een oordeel te vormen over de werkelijke omzet ten opzichte van de prognoses en over de liquiditeitspositie van verzoeksters.

3.6.

Uit de stukken blijkt echter dat de onderneming tijdens de afgelopen periode opnieuw verlieslatend is geweest, terwijl het uitgangspunt is dat de verhaalspositie van de gezamenlijke schuldeisers gedurende een afkoelingsperiode niet mag verslechteren. De omzet is volgens de bestuurder achtergebleven als gevolg van het slechte weer. Gedurende de afkoelingsperiode zijn kosten gemaakt waar onvoldoende financiële ruimte voor was. Volgens de bestuurder is het concept aangepakt door onder meer de ruimte voor partijen te verbeteren. Verder zijn extra uitgaven gedaan aan entertainment en reclame. Dit alles met het doel de omzet te verhogen. In verband met de WHOA-procedure zijn ook advieskosten gemaakt die in de voorgaande prognoses niet (geheel) waren meegenomen. Ter zitting heeft de bestuurder verklaard dat een deel van die (volgens hem incidentele) kosten is voldaan vanuit zijn holding, maar hij heeft deze verklaring verder niet geconcretiseerd of dit op andere wijze aangetoond. Als dat het geval is geweest, dan betekent dit hoe dan ook dat een nieuwe schuld is ontstaan aan de holding. Het andere deel van de gemaakte kosten is direct ten laste gekomen van de crediteuren. De rechtbank stelt vast dat de financiële positie van de crediteuren in de afgelopen periode is verslechterd. Dat dit gedurende een verlengingsperiode aanzienlijk zal verbeteren, is onvoldoende onderbouwd. De prognose ten aanzien van de omzet klopte de afgelopen periode in het geheel niet en verzoeksters hebben onvoldoende aannemelijk gemaakt dat dit voor de komende periode anders zal zijn. De bestuurder lijkt onvoldoende grip te houden door aanzienlijke uitgaven te doen die feitelijk ten laste komen van de verhaalspositie van de crediteuren.

3.7.

De rechtbank komt daarmee tot de conclusie dat verzoeksters hun lopende verplichtingen niet hebben voldaan en onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat het toekomstperspectief anders zal zijn. Hierdoor valt redelijkerwijs aan te nemen dat de schuldeisers in hun belangen worden geschaad. Dit maakt dat verzoeksters niet langer voldoen aan de vereisten uit artikel 376 lid 4 Fw. Het verzoek tot verlenging van de afkoelingsperiode zal dan ook worden afgewezen.

4 De beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek ex artikel 376 lid 5 Fw tot verlenging van de afkoelingsperiode af.

Deze beschikking is gegeven door mr. L. Mundt, voorzitter, mr. M.D.E. Leppens en mr. M.W. Koenis, rechters, en in aanwezigheid van mr. M.Y.P.M. Zeeman, griffier, in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2026.